14 mei 2019

Leven met de raven - Leestip

In mijn vorige huis leefde ik samen met de kauwtjes in de dakgoot. Ik hoorde ze flirten, vrijen en de jongen verzorgen. Het zijn heel intelligente dieren. Net als kraaien en raven. Bij de Tower of London leeft een groep raven. Het verhaal gaat dat wanneer de laatste raaf bij de Tower of London verdwijnt, het koninkrijk Engeland uit elkaar zal vallen. Daarom is het een traditie dat de raven bij de beroemdste gevangenis van Engeland heel goed worden verzorgd.

De ravenmeester

Het verzorgen van de raven is de taak van de ravenmeester, een taak overigens die pas 1968 bestaat. Daarmee is de schrijver van het boek De ravenmeester, Christopher Skaife de 4e ravenmeester. Toch zegt de traditie dat er al veel langer raven op de Tower leven, mogelijk zelfs al voor de komst van het gebouwencomplex in 1078 zouden de zwarte vogels al op en rond de gebouwen verblijven.

Skaife De Ravenmeester

In zijn boek ontmaskert Christopher Skaife wel een aantal beweringen die er gedaan worden over deze vogels in de Tower. Het is niet zo zwart-wit als de vele verhalen en mythen rond de Tower en de bijbehorende raven willen doen geloven. Toch is dat niet het enige dat de schrijver en ravenmeester weet op te roepen. Zijn boek is een eerbetoon aan de Tower, de raven en vooral aan de vele bezoekers en bewoners van dit bijzondere gebouwencomplex aan de Thames.

Overleven

Want de Tower heeft heel wat overleefd. Zo is het het enige gebouw dat overeind is gebleven na de grote stadsbrand van 1666. Ook de wereldoorlogen en stadsvernieuwingsdriften heeft het doorstaan. Net als de raven, al kan Christopher Skaife pas bewijzen dat er raven in de Tower woonden, vanaf de 19e eeuw. Vrijwel zeker is dat de dieren een groot deel van de bestaanstijd van de Tower hier ook rondzwerven.

Bewonderenswaardig is de prachtige en liefdevolle beschrijvingen die ravenmeester Christopher Skaife in zijn boek geeft. Hij laat de lezer meekijken met deze bijzondere dieren. Zo beschrijft hij de huidige bewoners van de Tower. Zo lezend in het boek, ontdek je dat raven bijna net zo karaktervol en onderscheidend in wezen zijn, als mensen. Zeker als je zo intensief met deze dieren optrekt als de ravenmeester.

Saai overzicht

Soms is de ravenmeester geneigd om heel saai een overzicht van iets te geven. Zoals de regels voor de raven of de taken en verantwoordelijkheden van de ravenmeester. Het zijn een beetje betuttelende lijstjes, maar Christopher Skaife weet ze heel snel los te laten om mooie en indrukwekkende verhalen te vertellen. Over de raven, het gevecht met de andere bewoners van de Tower: de vos; en ook hoe het is om in dit monument te mogen wonen. Compleet met geestverschijningen en andere geheimzinnigheden die verbonden zijn met dit bijzondere gebouwencomplex.

Lijst met raven van de Tower of London

De vogels weten het hun meester soms heel lastig te maken. In het hoofdstuk ‘De grote ontsnapping’ vertelt Christopher Skaife hoe Munin verdwijnt. Het dier is bijzonder gewiekst en weet hoe het ravenvrouwtje hem weet te bespelen. Ze ontsnapt. Het houdt hem flink uit de slaap. Zeker, hij weet dat het koninkrijk niet direct aan rampspoed wordt blootgesteld, maar wel dat het dier terecht zal moeten komen.

Roekeloze actie

Het brengt hem zelfs tot een roekeloze actie: het beklimmen van de koepel op de toren. Niet zp handig, ontdekt Christopeher Skaife als hij er bovenop staat te wankelen; het domste wat hij ooit gedaan heeft in zijn leven.

Vol schaamte daalde ik de Tower af. Munin was me niet alleen te slim af geweest, maar was er ook weer vandoor gegaan.
Ze was de Tower ontvlucht. Ik moest proberen haar terug te krijgen, want dat was mijn werk. (80)

Zo gaat hij op jacht naar de vogel. Elke melding die hij krijgt neemt hij serieus. Zo reist hij ook af naar Greenwich als hij hoort dat daar een raaf rondvliegt die verdacht veel op Munin lijkt. De knarsende raaf stoort de bezoekers in het park en Christopher Skaife ziet hem ook, maar krijgt het dier niet te pakken. Nota bene een voorbijganger weet het dier te pakken te krijgen met hulp van een tas, een deken, een paar dikke tuinhandschoenen en enkele kippenbotjes.

Het koninkrijk gered.

David Attenborough

Ik ken de raven de documentairemaker David Attenborough die in een uitzending over intelligentie bij dieren, over de bijzondere gewoontes van raven vertelt. Aan de hand van de vogels bij de Tower weet hij veel interessants te vertellen over deze dieren. Ook Christopher Skaife vertelt over deze opnames. Hij geeft een kijkje achter de schermen, namelijk dat ze helemaal niet zo bereidwillig waren als de opnames doen geloven. Vandaar dat hij zo duidelijk in beeld is.

Daarnaast schrijft Christopher Skaife over hoe de raaf ingebed is in de Britse cultuur. Een schrijver als Dickens heeft zeker raven gehouden, zoals de raaf Grip. Dickens schrijft heel overtuigend over deze vogels in zijn romans. Of wat te denken van de symboliek van de dood, die aan de raaf kleeft. Volgens Christopher Skaife is dit niet louter negatief en beangstigend. De dieren symboliseren ook het stijgen naar de hemel.

Het leven van de ravenmeester

De ravenmeester, Mijn leven met de raven van de Tower of London geeft daarmee een prachtig inkijkje in het leven van de ravenmeester, samen met deze bijzondere vogel. Christopher Skaife spreekt net grote liefde over deze zwarte vogels. Hij weet daarbij de geschiedenis van de Tower en het koninkrijk heel mooi in te verweven. Daarmee is dit boek heerlijk om te lezen. Gewoon om eens wat meer te weten te komen over de Engelsen, al hun eigenaardigheden en hun grote liefde voor de raaf.

Christopher Skaife: De ravenmeester, Mijn leven met de raven van de Tower of London. Oorspronkelijke titel: The ravenmaster, My life with the ravens at the tower of London. Vertaald uit het Engels door Margreet de Boer. Houten: Spectrum, 2018. ISBN: 978 90 00 36388 9. Prijs: € 22,50. 204 pagina’s. Bestel.

12 mei 2019

Plukjes haar - Sientje (69)

Hoe lang is je hondje er nog, ook al is ze er niet meer? Door het hele huis zwierven nog de haren. Herkenbaar aan de donkere kleur van onderen en het lichte puntje bovenin. Ze waren slap, verborgen zich in stofnesten.

Ik vroeg me af waarom we niet een plukje haar hadden bewaard. Zoals we hadden gedaan met het plukje van het eerste babyhaar van Doris. We hadden het haar veilig opgeborgen in een klein potje.

Mijn schoonmoeder vond dat maar niks. Een pluk haar bewaarde je niet. De pluk babyhaar is er niet meer. Dat zachte haar. Daarom vermoedden we ook dat mijn schoonmoeder het haar had weggegooid. Ze vond het luguber. Zo’n pluk haar roept alleen maar het ongeluk over je kunt af.

Haarlokken

Ze snapte al die kunstwerken met haarlokken niet. In de achttiende en negentiende eeuw bewaarden mensen de haarlokken van overledenen. Vaak verfijnd verwerkt in kunstwerken. Verborgen achter glas werd de lok haar van de geliefde opgehangen. Mijn schoonmoeder vond het niks.

Na haar dood zochten we ons rot op zoek naar die pluk haar. Totdat we ze tegenkwamen in het envelopje in een herinneringsalbum. Uit angst dat mijn schoonmoeder het haar zou weggooien, hebben we het daar opgeborgen.

De haren van Sientje waren niet verwerkt in de kunstwerk. Dat vonden we te gortig. Het is wel een dier. Daarom lieten we Sientje ook achter op de behandeltafel van de dierenarts. Ze zou tegen de avond worden opgehaald. Een gespecialiseerd bedrijf waarvan de vrachtwagens als anonieme transporteurs over de weg razen. Niemand hoeft te weten dat in die grote vrachtwagen misschien wel een paar honderd overleden honden en katten, konijnen en cavia’s, misschien een verdwaalde parkiet, worden vervoerd.

Overal haren vinden

In de maanden en zelfs jaren na Sientjes dood, vond ik nog haren. Niet met grote plukken, maar gewoon ergens een losse haar. In een pluk stof onder het bed. In een hoek van mijn studeerkamer. Of hij bleef aan mijn wijsvinger plakken als ik ergens over een richeltje schoof. Net als haar geur, in alle kleedjes, zelfs in de bank, hing hij. Een muffig luchtje. Een luchtje dat ergens tussen pies en natte hond zweefde. Als het warm en benauwd was of de verwarming weer ging aan, dan rook je het weer.

Het kleed in de kamer met de 45 vakjes in verschillende kleuren is misschien wel de grootste herinnering. Al de vlekken die Sientje daarin achtergelaten heeft. Van de omgegooide bekers met limonade en yoki drink. Ze liggen daar de donkere vlekken op de lichtere vlakken. Om er nooit meer uit te gaan. Net als de gedroogde piesvlekken waar Sientje het heeft laten gaan.

Kleed

Zo lang het kleed er is zullen ze duidelijk zichtbaar blijven. Misschien dat het zonlicht de felheid wat vervaagd. Maar de tijd zal die zwarte vlekken nooit uit het kleed krijgen. Uiteindelijk hebben we het kleed vervangen. Te vies om te bewaren.

Net als het teckelkleedje in de hondenmand. Sientje heeft het heelgelaten. Het vormt een aandenken uit die tijd, die ongetwijfeld door een volgende teckel zal worden aangevreten. Want herinneringen in materialen, verdwijnen altijd. Is het niet een schoonmoeder die het weggooit, dan is het wel de slijtage die de voorwerpen verwoest.

Lees het vervolg: Vergeelde herinnering »

Abonneer je op de nieuwsbrief en lees elke week een nieuwe herinnering aan Sientje. De nieuwsbrief is geheel gratis en verplicht je tot niets.

[mc4wp_form id=”20905″]

07 mei 2019

De stijl van de schrijver - Leestip

Schrijvers en kleren. Ze hebben een bijzondere relatie. Krijgt de taal een geheel eigen stijl bij schrijvers, ze laten in hun kledingkeus vaak ook een heel eigen stijl zien. In het boekje De stijl van de schrijver, Schrijvers & hun kleding legt Arno Kantelberg op een mooie manier de relatie tussen de schrijver en wat hij draagt.

Het levert een trits biografieën op die zeker de moeite van het lezen waard zijn. 30 schrijvers komen voorbij in hun eigenaardige kleding. Sommige op hun paasbest in pak (Wilfried de Jong), met pijp (Harry Mulisch), los flodderpak en zwierige lokken (Arnon Grunberg) of met moeilijk haar (Albert Verwey).

Stijljournalist Arno Kantelberg benadert de schrijvers en hun kledij zonder genade. Zo vindt hij de kledingkeuze van Kluun op de rode loper bij een filmpremière:

‘Trek daarom nooit een zeiljack aan naar een première (trek eigenlijk maar helemaal nooit een zeiljack aan).’ (90).

Een advies dat Kluun compleet tegen de wind in gaat. Hij staat er met een zeiljack waaronder een glanzende smoking schuilt. Het ontbreekt Kluun in zijn kleding aan gelaagdheid. Een grote overeenkomst met zijn literaire werk, constateert Arno Kantelberg.

Erg grappig, al laat hij helemaal aan het einde een klein twinkelslag open. De laatste roman van Kluun, DJ is een zorgvuldig gecomponeerde roman genoemd. Voor de schrijver is dus nog hoop. Hoeveel hoop, dat is niet uit zijn kleding af te lezen.

In al dit kledinggeweld is niet te ontkomen aan de dandy van de Nederlandse literatuur: Louis Couperus. Ook komt Maarten ’t Hart voorbij. Deze schrijver die als zuinigste auteur wel te boek staat, geeft graag veel geld uit aan vrouwenkleding. Kleren waarin hij zich graag hult, maar dan niet in de goedkope kledij van de kringloop. Maartje ’t Hart draagt heuse siliconenprotheses voor 400 gulden per stuk. Of de haute couture van Frans Moolenaar. Niet bepaald goedkoop.

Ogenschijnlijk simpele kledij, zoals het pak van Gerrit Kouwenaar of de regenjas van Simon Carmiggelt, blijkt meer modebewustzijn in zich te hebben dan je verwacht.

Op de foto van hiernaast zien we de ‘opgetuigde driemaster, met z’n regenjas open’, die uitgever Theo Sontrop regelmatig over de grachten van Amsterdam zag flaneren. (122)

De keuze voor de Macintosh past helemaal bij de schrijver en uitvinder van de cursiefjes. Een minimalistische regenjas voor de man die zich klein hield. Daarbij was hij een broeder van de natte gemeente, met daarbij een prachtig citaat:

‘Als ik een glas wijn drink, word ik een ander mens,’ wist hij. ‘En die ander heeft altijd geweldige dorst.’ (121)

Het zijn die anekdotes die een heuse jus vormen in dit geweldige boekje van Arno Kantelberg. Hij plaatst eens op een heel andere manier schrijvers in het daglicht. Hun kledingkeuze is vaker dan je denkt onlosmakelijk verbonden met de persoon maar ook met de schrijfstijl.

Bohemien en liefhebber van Belgische biertjes Ilja Leonard Pfeijffer bijvoorbeeld. Het levert niet alleen een indrukwekkende voorpui op. Al die tientallen La Chouffes.

Waarom zou je het klein houden als het ook groot kan? Daarom verfoeit hij Nescio, met diens ‘kale, afgemeten, precieze zinnetjes’. Bij Pfeijffer is het altijd groots en virtuoos. (65)

Dat zie je ook terug in zijn kledingkeuze: een langharige bard met een bontjas van oceanische omvang. Hij kleedt zich bijna even achteloos als hij schrijft, al zit er toch ook iets van zorgvuldigheid. In zijn gaderobe ontbreekt dit laatste.

En zo neemt Arno Kantelberg je mee naar leuke en sappige verhalen over schrijvers in hun schrijfstijl en hun kledingstijl. Het opent soms een nieuwe kijk op schrijvers. Zo is mijn nieuwsgierigheid naar Slauerhoff aan de hand van de enthousiaste beschrijving van Arno Kantelberg weer gewekt. Of de elan en vitaliteit van Du Perron, met getailleerde jas rond zijn ranke jongenscorso.

Allemaal beschrijvingen van schrijvers die je nieuwsgierig maken naar de schrijver achter die kledingkast.

Arno Kantelberg: De stijl van de schrijver, Schrijvers en hun kleding. Amsterdam: Uitgeverij Podium, 2018. ISBN: 979 90 5759 931 6. 152 pagina’s. Prijs: € 17,50. Bestel.

05 mei 2019

Kaartje - Sientje (68)

Na het overlijden van Sientje, hoefden we niet gelijk af te rekenen bij de dierenarts. Ze zouden de rekening nasturen. Na zo’n bezoek bij de dierenarts, heb je wel iets anders aan het hoofd. We liepen terug naar de auto. Ik voelde mij week en huilde. Mijn benen zwabberden alle kanten op. Geen wonder. We hadden geen hondje meer.

Ik sloeg een arm om Inge heen en hield Doris’ handje vast. Zij was nog verbaasd over het afscheid en tuurde naar de lucht of Sientje misschien nu al een sterretje geworden was. Of ze dan bij oma zou zijn, vroeg ze. ‘Ik denk dat ze vanavond bij oma is’, zei Inge. Ze lachte. ‘Dan krijgt ze de hele tijd pepermuntjes van oma.’

Overal haar geur

Dan kom je thuis en is je hond niet meer bij je. Maar het hele huis ruikt nog naar het beestje. De geur van een oude hond verdwijnt niet snel uit je huis. Het mandje stond hinderlijk in de weg. Net als de bench en alle kleedjes. Wat zouden we er allemaal mee gaan doen. Geen idee.

Laten we het eerst maar eens opruimen, zei Inge. De kleedjes die niks meer waren, verdwenen in de vuilnisbak. De rest kreeg een plekje op een verzamelplaats op zolder. Even uit het zicht, zodat we niet steeds hoefden terug te denken.

Rode halsband

De rode halsband, meer dan 9 jaar daarvoor gekocht op zaterdagmiddag een uur voor sluitingstijd in Goor, legden we in een mandje. Het ding had het al die jaren uitgehouden. Net als het kokertje dat aan de halsband hing met naam en telefoonnummer voor als ze zoek zou raken. Het roodharige meisje uit de buurt had het als laatste opengemaakt om haar bij de rechtmatige eigenaar terug te brengen.

2 dagen later – op zaterdagmorgen – viel een kaartje op de deurmat. Mollige letters van een meisjeshandschrift. Het was van de dierenarts. Ze wenste ons sterkte met het verlies. Ik zag haar staan bij de behandeltafel. Sientje erop. Ik voelde weer de tranen.

Herinneringen opschrijven

Op mijn eerste vrije vrijdag wilde ik mijn herinneringen aan mijn teckel opschrijven. Probeerde het begin te zoeken en te vinden. Het verlangen naar een teckel, de krant waarin die advertentie stond ‘Goed tehuis gezocht voor zeer lieve teckel’. De tranen kwamen. Ik dacht aan de autorit waar Inge de naam bedacht op het moment dat we de snelweg opreden. Ze gaf gas. ‘Sientje. We noemen haar Sientje.’

Ik probeerde wat te tikken, maar kreeg geen letter van het toetsenbord ingedrukt. Weer die tranen. Maar ik wilde zo graag een eerbetoon aan ons hondje schrijven. Waar het allemaal mee begonnen was. Het hondje die ons verbond en die overal was bijgeweest. Zelfs bij de verloving, bijna bij de geboorte van onze dochter. Altijd zat ze er met haar neus bij.

Nooit opdringerig, maar op de achtergrond was ze altijd aanwezig. Nu was ze er niet meer. Al zag ik haar bij elke oogopslag die ik in de richting van de bank deed, even liggen.

Hoorde ik haar nou?

Ik meende haar te horen lopen. Keek aandachtig op de bank voor ik ging zitten. Of ze niet toevallig op mijn plekje lag. Maar het was leeg. Het bleef leeg. Zelfs niet het ‘oef, oef, oef’, wat ze op het eind alleen maar uitstootte. Ik dacht er de hele dag aan. Voelde hoe erg ik haar miste. Al twijfelde ik eraan of ik haar miste of het idee dat ze er niet meer was, mij juist aangreep. Aan het eind was ze er al niet meer. Haar lijf was er nog geweest, maar ze was leeg geweest. De geest was al verdwenen.

Het lijf keek haar geest nog na, maar was slechts de schim die achtergebleven was. Heel soms tintelde ze even op, maar het meest van de tijd sliep daar een oude hond. Moe van het leven. Zonder geest. Maar nu was ook dat geestloze wezen verdwenen.

De schimmen bleven over en verdwenen zodra je keek. De bank bleef leeg. Het mandje was opgeruimd. Net als alle andere dingen die geleidelijk verdwenen. Naar zolder, weggestopt. Zoveel mogelijk uit zicht.

Lees het vervolg: Plukjes haar »

Abonneer je op de nieuwsbrief en lees elke week een nieuwe herinnering aan Sientje. De nieuwsbrief is geheel gratis en verplicht je tot niets.

[mc4wp_form id=”20905″]

30 april 2019

Bill Bryson loopt in Amerika - Leestip

Terug in Amerika van Bill Bryson is hét ideale wandelboek. Wat heb ik genoten van dit boek. Voor mij is deze vertaling van A Walk in the Woods het beste boek van deze Amerikaanse schrijver.

De ik-verteller en hoofdpersoon Bill Bryson komt in dit boek op het lumineuze idee om het beroemde langeafstandspad over de Amerikaanse Appalachen te gaan lopen. Hij loopt namelijk in de omgeving van zijn nieuwe huis en ontdekt dat praktisch in zijn achtertuin een deel van deze route loopt. Het gaat om een pad van Georgia tot Maine dat meer dan 3400 kilometer lang is.

Op en top Bill Bryson

Het is een op ten top verhaal van Bill Bryson. Dit pad wil hij gaan lopen. Meteen na deze ontdekking koopt hij boeken over dit onderwerp. Hij stort zich helemaal in de geschiedenis van dit pad en natuurlijk over alle gevaren die je onderweg tegenkomt: beren, verschrikkelijke ziektes die je kunt oplopen of overvallen worden door een sneeuwstorm.

Alle ingrediënten voor een prachtig verhaal, maar het mooiste moet nog komen. Wat dacht je van de metgezel die Bill Bryson zoekt. Niemand wil met hem mee, tot zich een oude jeugdvriend van hem aandient: Stephen Katz. Niet Bill Bryson heeft hem gevraagd, zijn oude vriend uit Des Moines belt met de vraag of hij het aan zou kunnen. Bij gebrek aan beter, gaat Bill Bryson maar met hem in zee.

Je weet hoe laat het is

Is dat allemaal wel zo verstandig? Katz is net van de drank af, heeft duidelijk overgewicht en geen enkele conditie om een tocht als deze te maken. Het belooft een geweldig verhaal te worden, zeker als Katz zijn entree maakt in het verhaal. Wat een man. De verteller weet hem prachtig neer te zetten. Je weet als lezer meteen wel hoe laat het is.

De afgelopen drie jaar had hij zich toegelegd op zich keurig gedragen en – zoals ik meteen zag toen hij met gebogen hoofd uit het vliegtuig stapte – het cultiveren van een buikje. Katz was verrassend dikker dan de laatste keer dat ik hem ontmoette. Hij was altijd al wat mollig geweest, maar nu deed hij denken aan Orson Welles na een zeer zware avond. Hij hinkte een beetje en hijgde meer dan nodig na een wandeling van nog geen twintig meter.
‘Man wat heb ik een trek’, zei hij zonder inleiding en liet me zijn weekendtas overnemen, die mijn arm met een ruk naar beneden trok. (32)

Dit belooft een prachtige tocht door de wilde natuur van Amerika te worden. Een langeafstandspad dat 3400 kilometer door onbewoond gebied gaat. Waar de wilde dieren leven en waar het ’s nachts erg koud kan worden. Je bent vooral op jezelf aangewezen en de loodzware rugzak op de rug gaat je op een gegeven moment echt nekken.

Meemaken en beleven

Dat ontdek je ook in het prachtige verhaal van Bill Bryson. A Walk in the Woods is een verhaal dat echt de belevingen bevat die je meemaakt op zo’n trektocht door de bergen. Natuurlijk kan alleen Bill Bryson dit soort dingen meemaken en beleven. De eerste dag door de bergen, raakt hij zijn metgezel al kwijt. Katz blijkt alles uit zijn rugzak te hebben gegooid. Te zwaar. Zelfs het kostbare water heeft hij weggegooid. Hoe moet het dan met het water? Onontbeerlijk. Dat is vragen om problemen.

En zo stort het verhaal zich verder langs de diepte van de ravijnen in de Appalachen. Want dat is onovertroffen in het boek van Bryson. Die machtige bergen. Ze mogen dan de oudste bergen ter wereld zijn, ze hebben onbetwist net zoiets moois als de Alpen of andere onstuimige gebergten. De schoonheid van deze wildernis verwoordt Bryson op een overtuigende manier en met liefde voor de natuur.

Zijn metgezel is van een heel andere orde dan bijvoorbeeld de gokker en oud studiegenoot van Redmond O’Hanlon als hij de amazone in trekt. Voor mij symboliseert Katz de medereiziger die je als trekker onmiddellijk herkent.

Oproepen herinneringen

Ook ik ben eens met een vriend gaan fietsen door de Ardennen. Het lezen van A Walk in the Woods roept al die herinneringen – waarvan ik dacht dat ik ze verdrongen had – meteen weer op. Dan zie ik in de Katz de jongen die met een groot kussen op het station stond, maar die geen fiets bij zich had. Terwijl we toch echt op fietsvakantie gingen naar de Ardennen.

Dat Katz de onhandige zou zijn bij zijn trektocht door de Amerikaans Appalachen zou echt teveel eer zijn. De ik-verteller kan er ook wat van. Gelukkig bedient Bryson zich van genoeg zelfspot. Hij weet hierbij heel goed op de lachspieren te werken. Wat een beschrijvingen van situaties. Het is bijna elke bladzijde wel een moment waarop hij de onhandigheid van zichzelf of zijn medetrekkers beschrijft.

Takjes en gedroogd bloed in haar

Exemplarisch is het gedeelte als de ik-verteller zit te wachten op zijn vriend. Als Katz dan eindelijk verschijnt, heeft hij takjes in zijn haar, een spoor van gedroogd bloed op zijn voorhoofd en loopt er een grote scheur door zijn gehavende T-shirt. Verontwaardigd vraagt Katz hoe Bill toch in vredesnaam die enorme omgevallen boom heeft weten te omzeilen.

Boom? Welke boom? Het zegt Bill Bryson niks. Een grote omgevallen boom die je echt niet kan zijn ontgaan, volgens Katz. Stomverbaasd is hij over de wezenloze blik die hij terugkrijgt van zijn vriend.

‘Bryson, ik weet niet wat jij hebt gebruikt, maar ik wil er ook wat van. Die boom was te hoog om eroverheen te klimmen en te laag om eronderdoor te kruipen, en je kon er met geen mogelijkheid om heen. Het heeft me een halfuur gekost eroverheen te klauteren, waarbij ik me van alle kanten verwond heb. Hoe kun je je dat niet herinneren?’ (101)

Een prachtige passage, die zich helemaal voor je ogen afspeelt. Hier hoef je enkele moeite te doen om het voor je te zien. Net als dat de verteller het zo mooi onopgelost laat. Het is elk een eigen waarheid, waarbij je als lezer niet weet wat er precies is voorgevallen. Uitermate sterk. En als ik vertel dat er in Terug naar Amerika alleen maar dit soort passages zitten. Dan begrijp je wel dat het boek een feest en een gniffel is om te lezen.

Elke trekker aan zijn trekken

Iedere trekker herkent zich in dit werk. Het gaat niet alleen om metgezellen, maar ook om de mensen die je onderweg tegenkomt. Zo is de dame Mary Ellen exemplarisch. Ze doet heel stoer over haar verrichtingen en meent dat de heren veel te dik zijn voor deze trektocht door de bergen. Als ze dan na een paar dagen met haar te zijn opgetrokken, aan haar weten te ontsnappen, worden ze onmiddellijk geplaagd door een schuldgevoel.

Het zijn prototypes van mensen die je onderweg tegen het lijf loopt. Compleet met de werking op je eigen gemoed die dit soort situaties bij je als wandelaar oproepen. Je kunt je helemaal voorstellen hoe Bill en Katz zich voelen. Dat weet Bill Bryson in zijn reisboek overtuigend over te brengen. En het comfort voor je als lezer. Heerlijk al die ontberingen die zich aan je voorbij trekken terwijl jij gewoon lekker op de bank zit of in bed ligt te lezen.

Bill Bryson: Terug naar Amerika. Oorspronkelijke titel: A Walk in the Woods. Vertaling: Servaas Gordijn. 2e druk. Amsterdam: Uitgeverij Eldorado, 2007 [1998]. 302 pagina’s. ISBN: 978 90 471 0025 6. Prijs: € 15. Bestel.

28 april 2019

Afscheid nemen - Sientje (67)

Daar zaten we te wachten in de wachtkamer bij de dierenarts. Ik voelde mijn hart kloppen in mijn keel. Sientje wilde niet gaan zitten en bleef ijsberend lopen aan de riem. We kregen haar niet op het gemak. Natuurlijk voelde ze het. Net als dat wij gespannen waren over wat dadelijk zou komen.

Iets verderop zat een man met een jonge pup. Het diertje trok in Sientjes richting. ‘Zo dat is een ouwetje’, zei het baasje. ‘Ja, we nemen vandaag afscheid van haar’, antwoordde Inge. ‘Zo verdrietig’, zei de man. ‘Heb ik vorige maand ook moeten doen met mijn labrador.’ Nu sprong een jonge hondje tegen zijn been op. Hij vroeg om een beetje aandacht, beloond met een aai over zijn bol.

In de wachtkamer

Iemand kwam uit de kamer van de dierenarts. Een hond aan de riem. Of hij wilde betalen bij de receptie. Hij maakte stampij over de laatste rekening van zijn kat, die in zijn ogen te hoog was. ‘Maar meneer, dit hebben we allemaal gedaan met uw kat.’ Daarna kwam een lang verhaal over zijn kat van wie hij afscheid had moeten nemen. Iemand anders kwam naar binnen en vroeg van wie die auto was die de weg blokkeerde. De man die stampij maakte, rekende af en liep boos weg om zijn auto weg te rijden.

Wij waren aan de beurt. Ik kreeg Sientje niet mee en trok voorzichtig aan de riem. Het lukte niet. Ze wilde niet mee, daarom pakte ik haar maar op. Het was een jonge dierenarts die ons hielp. In haar witte jas luisterde ze aandachtig naar het verhaal dat wij vertelden. Ik had Sientje op de grond gezet.

Loslaten

Ze wilde lopen, trok aan de ketting. ‘Laat haar maar los hoor’, zei de dierenarts. Terwijl ik onze hond op de grond zette, keek ze naar Sientje die rondjes om de tafel liep. De rustige stappen klonken op de plavuizen. Ik dacht even aan de pootjes die bij ons in Almelo op de vloerbedekking klonken.

De dierenarts concludeerde ook dat het tijd was. ‘Maar u kunt dat het beste beoordelen’, zei ze. ‘Wat ik zo zie, is ze echt in de war. Ze kan geen rust vinden. Elke hond stopt na een tijdje met lopen, maar zij blijft uitdrukkingsloos rondjes lopen.’ Ze vroeg wanneer we haar wilden laten inslapen. ‘U kunt haar nog even mee naar huis nemen voor het afscheid.’ ‘Nee’, zei Inge. ‘We hebben de afgelopen week al afscheid genomen.’

Foto’s gemaakt

Ik dacht terug hoe ze een dag geleden nog op de bank lag. Ik had er nog foto’s van gemaakt. Nog steeds kan ik er niet zo goed naar kijken. Ze ligt te slapen in het voorjaarszonnetje. De ogen open, maar zonder uitdrukking. Ze ziet er ontzettend pluizig uit. De vacht is dof. Het leven is eruit. Ze wacht op het moment dat ze kan sterven.

De dierenarts haalde de spullen voor de handeling. Ze legde geduldig uit hoe het proces zou verlopen, terwijl ze met haar buik tegen de behandeltafel aandrukte. ‘Eerst krijgt ze een spuitje met een slaapmiddel. Als ze slaapt, krijgt ze de uiteindelijke injectie. Dat verlamt het hart. Ze zal langzaam doodgaan. Het kan wel enkele minuten duren.’ Ik zette Sientje op de tafel. We gaven haar allemaal een knuffel. Doris keek aandachtig naar alles. Ze wilde er per sé bij zijn.

Langzaam in slaap vallen

Het begon met de eerste injectie. Ze lag rustig terwijl wij haar streelden gaf de dierenarts haar het spuitje. Haar ogen draaiden, ze viel langzaam maar zeker in slaap. Wij aaiden haar verder. Ze was goed weg. De dierenarts wachtte nog even waarna ze tweede spuit klaarmaakte. Er stond een gele sticker met een doodshoofd op het flesje. Gevaarlijk. Het gevaar werd in Sientje gespoten. ‘Het kan nog wel even duren’, zei ze erbij.

Haar adem vertraagde in haar slaap. Nu trok het zojuist ingespoten middel door de bloedbanen van onze teckel. Het einde naderde. Ze hoefde nu niet meer op de dood te wachten. We hielpen haar een handje. Ik dacht aan mijn schoonmoeder. Een hond is beter af dan een mens, vond zij. Misschien had ze wel gelijk. Het was genoeg geweest. Ik voelde de neus. Er stroomde nog een vleugje adem door de neus. Maar de onrustige ademhaling van eerst, werd rustiger en vlakker. Nog even en het hield helemaal op.

Sterretje

Het ging snel. Sneller dan gebruikelijk, zei de dierenarts. Ik voelde de tranen wellen in mijn ogen. Doris vroeg of Sientje nu ook een sterretje werd. Inge vertelde de dierenarts van haar moeder die driekwart jaar eerder was overleden en een ster was geworden. ‘Sientje wordt vanavond opgehaald en dan wordt ze daarna een sterretje’, vertelde de dierenarts. Sientje lag er op die tafel. Ik betrapte me erop dat ik haar nog even streelde. Het hele lijf gaf mee. Het voelde raar. Ook werd het lichaam kouder en stijver. De tong hing uit de bek. De dierenarts stopte hem er weer in.

We konden nog afscheid nemen als we wilden, dan ging de dierenarts weg. Maar het was genoeg. Ik keek nog een keertje om toen we wegliepen. En zag haar daar liggen. Sientje. De eerste hond die echt van mij geweest was. De hond die ik met mijn liefde had gekocht. Een tijdperk was voorbij.

Lees het vervolg: Kaartje »

Abonneer je op de nieuwsbrief en lees elke week een nieuwe herinnering aan Sientje. De nieuwsbrief is geheel gratis en verplicht je tot niets.

[mc4wp_form id=”20905″]

23 april 2019

De toren van Amsterdam - Leestip

Als je op de Dam staat bij het Stadhuis, het tegenwoordige Paleis op de Dam, realiseer je je niet dat er in het hoofd van sommige stadsbestuurders in de 17e eeuw ook nog iets anders aan dit stadsgezicht was toegevoegd. Namelijk, een imposante toren vast aan de Nieuwe kerk.

6363 palen in de grond

Wat niemand weet is dat dit niet bij een voornemen is gebleven. Er zitten maar liefst 6363 palen in de grond aan de westkant van de kerk. Gedeeltelijk zelfs in het water van de Nieuwezijdse Voorburgwal. Een klein stukje van de gebouwde torenvoet staat nog steeds overeind. De inmiddels gedempte gracht, geldt als het best gefundeerde stukje weg van Amsterdam met al die zware en halfzware eiken masten en elspalen in de bodem.

In zijn boek De toren van de Gouden Eeuw, Een Hollandse strijd tussen gulden en God schrijft bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek over de voorbereidingen van de bouw en het leggen van de fundering. En meer dan dat. Hij bedt het verhaal in, in de geschiedenis van de stad. De ogen én het geld glijden namelijk snel naar het Stadhuis, het wereldwonder en nog altijd een indrukwekkend monument van 17e eeuws Amsterdam.

Strijd in Amsterdamse stadhuis

In de burgemeesterskamer van het stadhuis heeft echter een felle strijd gewoed tussen de koopman en de dominee. Wie het gewonnen heeft, kun je vandaag de dag zelf op de Dam zien. De toren is er niet; de gebouwde torenvoet is gedeeltelijk weggehaald. Terwijl er een imposant stadhuis staat dat elke Amerikaan en Japanner naar binnen lokt en waar heel veel Amsterdammers (de meeste?) nog nooit zijn binnengeweest.

Een prachtig stuk geschiedenis. Zeker ook de manier waarop Gabri van Tussenbroek dit in zijn boek behandelt. Waar begint het? Het begint bij de brand van de Nieuwe kerk. Op een koude dag in januari vat het dak vlam van de eeuwenoude kerk. Het gebouw vermoedelijk gebouwd door Rutger van Kampen, bouwmeester van meer Gotische stadskerken in Nederland, zoals de Bovenkerk in Kampen, Harderwijk en de Pieterskerk in Leiden.

Forse tegenvaller

De herbouw wordt snel ter hand genomen. Het is een forse tegenvaller voor de stad die juist veel tijd en aandacht besteedt aan de bouw van het stadhuis. Niet dat de bouw al begonnen is, wel worden er huizen opgekocht op de plek waar het stadhuis moet komen. De bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek geeft daarbij een interessant kijkje in het stadsbestuur.

Een maand na de brand, wordt het nieuwe bestuur benoemd. Elk jaar wisselen de zetels op 1 februari. In het college komen Bicker en Backer recht tegenover elkaar te staan. Behartigt de ene eerste vooral de belangen van de koopman, Willem Backer is een vrome man voor wie alles ter ere van God is. Backer komt op het idee van de toren, ontleend aan de imposante toren op het Piazzetta, tegenover de San Marco in Venetië.

Dagelijks leven in Amsterdam

De drukte op het stadhuis is natuurlijk van een totaal andere orde dan het dagelijks leven in Amsterdam. Het is voor de bewoners van de stad een hard bestaan. Het leven is erg duur, vaak mislukt de oogst door slecht weer of een slechte aanvoer vanuit de gebieden waar het graan vandaan komt. Gabri van Tusssenbroek weet deze dagelijks overlevingsdrift mooi in zijn boek te verwerken tussen al het gekonkel in de burgemeesterskamer op het stadhuis.

Bijvoorbeeld als hij het heeft over de zomermaanden waarin elk jaar de bemanning van de VOC-schepen die bij Texel lagen, doorreisde naar Amsterdam om het scheepsgeld te incasseren. Meestal verblijven ze dan meteen in de stad. De verdiensten van de onderste rangen waren ronduit slecht met zo’n 7 tot 12 gulden per maand, schrijft Gabri van Tussenbroek:

In Amsterdam kon je daar eigenlijk niet van rondkomen. Drie gulden in de week was in de stad toch wel zo’n beetje het bestaansminimum. Als je in het gasthuis verpleegd moest worden, betaalde je drie gulden, en ook het bedrag voor pensioenen en ziekengeld was drie gulden. Het waren bedragen waar Willem Backer om moest lachen, evenals de anderen van het Vroedschap, gewend als ze waren aan het leven van de bovenkant. (140)

Vergeet daarbij niet, dat het hier gaat over de laagste rangen bij de VOC. Veel banen in de stad leveren veel minder geld op. En als je illegaal in de stad verblijft, ben je vaak helemaal kansloos. Het zijn de schrijnende verhalen zoals van Elsje Christiaens die Rembrandt 15 jaar later zo prachtig tekent.

Koude winters en natte zomers

Gabri van Tussenbroek vermengt in zijn boek over de toren van de Nieuwe kerk op een intrigerende manier het dagelijks leven met bijvoorbeeld het weer en andere omstandigheden. Hij beschikt over zeer gedetailleerde gegevens over het weer; de koude winters, natte zomers of juist warme periodes komen vaak terug. Net als de integratie van de grote momenten uit de geschiedenis, zoals de Vrede van Münster in 1648.

Daarmee trekt hij de geschiedenis heel dicht naar je toe. Je krijgt zo veel meer te lezen dan alleen de officiële documenten over de bouw van het stadhuis, de herbouw van de kerk en de voorgenomen bouw van de toren. Tegelijkertijd besef je wat een oorlog met Engeland bijvoorbeeld doet met het dagelijks leven in de stad. Dat heeft veel meer impact dan je zo snel in een jaartal ziet.

Net als de vrij theoretische discussies die Gabri van Tussenbroek geeft over het ontwerp van de toren. Kiest de stad voor een ouderwets gotisch ontwerp of gaat de voorkeur uit naar een klassieke toren. De 2 modellen die van de toren zijn gemaakt, laten beide varianten zien. Maar welke kiest de stad?

Jacob van Campen

Ook hier heeft Jacob van Campen een flinke lepel in de pap te roeren. Het mag dan een man zijn die erg lastig in de omgang is, hoge verblijfskosten declareert en vermoedelijk meer dan van een stevig glas houdt. Hij weet met zijn ontwerpen het stadsbestuur telkens weer te verleiden tot hoge uitgaven en gebouwen die wel een beetje voor de eeuwigheid staan.

De reden dat de toren er niet komt en uiteindelijk het stadhuis wel, is het verhaal dat Gabri van Tussenbroek heel mooi in zijn boek weet te geven. Hier zie je dat het gekonkel zoals dat soms doorsijpelt vanuit de Haagse achterkamertjes, zijn grondslag al heeft in de Gouden eeuw.

Het hoort bij de Nederlandse overlegcultuur vol compromissen en waar een verlies nooit zo scherp gespeeld wordt. De verliezer druipt af – of sterft – en niemand heeft het er meer over. En in het boek De toren van de Gouden Eeuw weet Gabri van Tussenbroek deze geschiedenis weer heel mooi te belichten. Voor iedereen die van geschiedenis, gebouwen en de Gouden Eeuw houdt, een must om te lezen. Het geeft zoveel leesplezier. Heerlijk!

Gabri van Tussenbroek: De toren van de Gouden Eeuw, Een Hollandse strijd tussen gulden en God. Amsterdam: uitgeverij Prometheus, 2017. ISBN: 978 90 446 3478 5. 368 pagina’s. Prijs: € 25,99. Bestel

21 april 2019

Het laatste zetje - Sientje (66)

Wel moeilijk om uitgerekend als je je hond wilt laten inslapen een andere dierenarts te zoeken. Ze was na de hernia niet meer bij een dierenarts geweest. We hadden na de ruggenprik en de aansluitende pijnstillers gemerkt dat het wel weer ging. Daarom probeerden we het contact met een dierenarts zo lang mogelijk uit te stellen.

Bij het maken van de afspraak legde Inge het al uit aan de telefoon. Dat we het heel vervelend vonden om uitgerekend op dit moment een afspraak met hen te moeten maken. Je komt liever met een blije puppy binnen dan met een oud bessie die alleen nog een zetje hoeft te hebben om dood te kunnen gaan. Maar ze maakten geen enkel bezwaar. We konden komen en ze zouden ons helpen. Natuurlijk zou de dierenarts ook nog even kritisch naar Sientje kijken.

Het uiteindelijke moment

Er lagen nog wat dagen tussen dat de afspraak gemaakt werd en het uiteindelijke moment. Ik dacht terug aan hoe mijn vader elk jaar met ons konijntje Snuffie naar de dierenarts ging om hem te laten inslapen. Zo rond de zomervakantie dook de vraag op: het gaat niet meer met snuffie. Mijn vader pakte het konijn, deed het beestje in een boodschappentas en reed naar de dierenarts. Voor vertrek hadden we uitvoerig afscheid genomen. Tranen gehuild. Snuffie was ontzettend lang bij ons. Mijn hele leven al.

Na een uurtje kwam mijn vader weer terug. Snuffie zat nog gewoon in de tas. ‘Hij is nog te goed’, zei hij droogjes. Het diertje verdween weer in de kooi, waar hij weer terughipte naar zijn hoekje. Daar zat hij weer in zijn vertrouwde stand. Een kennis zei eens: ‘Het lijkt wel of hij de hele dag aan het bidden is.’ Misschien bad het dier tot de heer dat het eindelijk eens afgelopen was. We vroegen de buurvrouw of ze om de dag het beestje eten en schoon water wilde geven.

Afscheid nemen

2 jaar later ging mijn vader weer naar de dierenarts. We hadden een aai als afscheid genomen. Mijn handen zaten vol met haren. Het diertje hield geen enkele haar meer vast. Zat de hele dag in zijn hoekje in de kooi. ‘Het lijkt wel of hij om zijn einde bidt’, had een kennis gezegd.

De amechtige houding waarin het beestje de hele dag zat, leek dit vermoeden inderdaad te bevestigen. Snuffie ging weer in dezelfde donkere boodschappentas. Bij het wegfietsen maakten we nog grapjes. ‘Tot zo, snuffie.’ Een halfuur later was mijn vader weer terug. De tas was leeg. Ik had het gevoel dat ik niet goed afscheid genomen had.

Dodenrit

‘Misschien vinden ze Sientje nog te goed’, zei ik tegen Inge. Daarbij hield ik de dodenritten van mijn vader met ons konijn in gedachten. Ik hoopte het stiekem, dan kon ze nog eventjes wat langer bij ons blijven. ‘Ik kan het mij niet voorstellen’, zei Inge. Ik vertelde het verhaal van mijn vader en Snuffie. De laatste keer had de dierenarts het beestje uit de tas gehaald.

Het dier was zo licht en zag er meer dood dan levend uit. ‘Hou hem maar hier’, had hij gezegd. Mijn vader had niet eens gezien dat het diertje de injectie kreeg toegediend. ‘Hij wilde er 5 gulden voor hebben.’ Ik had het diertje graag nog in de tuin naast het huis begraven. Op de plek waar we later de duif Koertje zouden begraven en waar een paar jaar later grote graafmachines de grond afgroeven voor de uitbouw die er nu staat.

Hele gezin bij afscheid

Nu reden we met het hele gezin naar de dierenarts. Het afscheid moesten we met zijn allen nemen. Ik was een paar uur eerder van mijn nieuwe werk naar huis gegaan. Ik denk dat we de hond straks een spuitje moeten geven, had ik gezegd. ‘Maar je weet het nooit wat zo’n dierenarts ervan vindt.’

De hond uit mijn jeugd, Blekkie hadden mijn ouders ook laten inslapen. Ik kon er niet bij zijn. Het moest hals over kop. Ik woonde niet meer thuis. Ik studeerde in Leiden. Ze probeerden me nog te bellen, maar ik was de hele dag aan de studie geweeest in de bibliotheek en ’s avonds bij vrienden.

Toen ik ’s avonds laat thuiskwam en het bericht hoorde, moest ik huilen. Al wist ik heus wel dat het einde eraan zat te komen. Die zomer was ik speciaal op de hond wezen oppassen met mijn vriendinnetje. Blekkie kon amper lopen. Na een paar stappen zakte hij in elkaar. De poging om zijn pootje te lichten als hij ging plassen, was het meest schrijnend. Soms viel hij al plassend om omdat hij zijn evenwicht niet meer kon houden.

Ik had er best lang mee rondgelopen dat ik geen afscheid had kunnen nemen. Daarom vond ik dat we nu samen afscheid moesten nemen. Geen uitzonderingen. Ook Doris mocht mee bij de afspraak met de dierenarts. Hoe klein ze ook was, ze wilde er met haar neus bovenop. Het was ook haar hondje.

Lees het vervolg: Afscheid nemen »

Abonneer je op de nieuwsbrief en lees elke week een nieuwe herinnering aan Sientje. De nieuwsbrief is geheel gratis en verplicht je tot niets.

[mc4wp_form id=”20905″]

16 april 2019

Lily en de octopus - Leestip

Het verhaal van een man en zijn teckel. Iemand op Instagram tipte mij om de roman Lily en de octopus van Steven Rowley te gaan lezen. Ze moest bij het lezen van mijn herinneringen aan Sientje aan deze roman denken.

Het is het verhaal van Ted en zijn teckel Lily. Ted Flask heeft niet zoveel geluk in de liefde. Zijn geliefde heeft hem in de steek gelaten en zo blijft hij alleen achter, samen met zijn teckel.

Gezwel op het hoofd

Op een dag ontdekt Ted dat Lily een gezwel op haar hoofd heeft zitten. Hij ziet het opeens en noemt hem een octopus. Het wezen op het hoofd van zijn liefste teckel bedreigt het enige dat Ted nog heeft in zijn bestaan, naemlijk allerliefste Lily.

In het verhaal vertelt de verteller hoe de liefde tussen Ted en Lily is ontstaan. Dat Ted het onderdeurtje uit het nest mee naar huis nam. Hoe bewust hij juist voor Lily koos boven de andere teckels uit het nest. Hoe gelukkig ze samen zijn geweest en wat ze allemaal samen hebben meegemaakt.

Hoop op wondertje

De verteller beschrijft het verhaal in de paar dagen die hen nog samen rest. Je weet als lezer hoe het zal aflopen, maar je hoopt steeds dat het anders zal gaan. Dat er onverhoopt een wondertje gebeurt.

Tussen het verhaal van Lily en de octopus, lopen de herinneringen aan zijn hond. Dat ze al een keer een hernia onder de leden had, waarbij zijn zus trouwde. Hij moest kiezen tussen Lily en zijn zus, een moeilijke keuze. Daarmee voelt Ted zich nog steeds nog steeds schuldig naar zijn hond. Dat terwijl Lily herstellende was van de operatie. De verteller is hier overigens best dubbel in. In een hoofdstuk met het lijstje met 8 punten dat hij laf is geweest, staat erna een ander lijstje. De keer dat hij moedig is geweest:

Toen ik uit Los Angelos vertrok voor mijn zusjes huwelijk en Lily in het ziekenhuis achterliet om te herstellen, en erop vertrouwde dat ze zou genezen. (78)

De ik-verteller haalt niet alleen de geschiedenis tussen hem en zijn hond Lily aan. Er komt ook een ander verhaal voor. Het verhaal van zijn liefde Jeffrey. Ze gaan uit elkaar als Ted ontdekt dat zijn vriend vreemdgaat.

Het mooie zijn de vergelijkingen die de verteller maakt. Zoals:

De octopus heeft mijn hoofd haast net zo stevig in zijn greep als dat van Lily. (21)

Vrijdagavond is mijn lievelingsavond. Je zou niet denken dat een teckel van twaalf goed was in monopoly, maar dat heb je dan mis. (32)

Of het moment dat Ted 4 opblaashaaien koopt. Octopussen zijn bang voor haaien en weet smeert de octopus op Lily’s hoofd hem dan. Je weet maar nooit.

Beetje doorslaan

Het slaat soms een beetje door. Zoals het deel waarin Ted een scheepje huurt om te gaan jagen op octopussen. Het is een gevecht dat vooral in het hoofd van de verteller afspeelt, waarbij je als lezer niet altijd mee wilt komen. Het gaat ook gepaard met veel whiskey om de pijn van de lijdende Lily te verdoven.

De verwijzingen naar de nautische wereldliteratuur; Hemingways Van de oude man en de zee en Moby Dick van Herman Melville, liggen hier in mijn ogen een beetje te dik op. Misschien een lekker hapje voor de liefhebber, het ging mij een beetje tegenstaan. De verwijzingen naar Shakespeare en Auden komen in mijn ogen weer veel natuurlijker over en passen beter in het verhaal.

Huilend dichtslaan

Toch weet de ik-verteller in het laatste deel je helemaal mee te nemen. Het kan ook niet anders dan dat je dit boek huilend dichtslaat. Hier kun je geen weerstand tegen hebben, het is buitengewoon invoelend geschreven. Dat de verteller hierbij ook nog eens een prachtig geschenk van zijn lieve teckel krijgt, geeft je alleen maar extra tranen van ontroering.

Niet echt een verhaal om eindeloos te herlezen, maar zeker wel een mooie belevenis. Een must voor de teckelliefhebber. Ook omdat het zo innemend het verhaal van de teckel en zijn baasje te vertellen. Ik ben erdoor getroffen en blij met deze prachtige leestip.

Steven Rowley: Lily en de octopus. Oorspronkelijke titel: Lily and the Octopus, Vertaald door Aleid van Eekelen-Benders. Amsterdam, Antwerpen: Uitgeverij Cargo, 2016. ISBN: 978 90 234 2723 0. Prijs: € 9,99 (als e-book). Bestel E-book

14 april 2019

Nodeloos rekken - Sientje (65)

Mijn schoonmoeder vond dat dieren het beter hadden dan mensen. Een hond mag inslapen als het genoeg is. Bij een mens wordt het leven eindeloos gerekt, vond zij. Zelfs als het zinloos is, dan nog wordt het gerekt. Ze wilde zo niet doodgaan, maar op een moment dat ze het zelf genoeg vond. Lang voor haar dood regelde ze dat via de vereniging voor euthanasie. Het mocht helaas niet zo zijn.

Haar huisarts wilde het niet doen vanuit geloofsovertuiging. Hij vertelde dat ze bij hem kon blijven, maar dat als het zover was ze dan bij een andere arts terecht kon. Toen het zover was, verscholen alle andere artsen zich achter het excuus dat zij niet hun patiënt was. Eigenlijk had ze voor het vastleggen van de euthanasie-verklaring meteen naar een andere huisarts gemoeten.

Aangrijpend

Euthanasie is ook voor een arts aangrijpend en doe je niet zomaar. Zodoende viel ze op het moment dat ze het nodig had, tussen wal en schip. Zelfs de in het ziekenhuis toegezegde morfine-injecties bleven achterwege. Dunne pleisters drukten we op haar huid, zonder veel resultaat. Na veel bellen en zeuren kreeg ze uiteindelijk een injectie morfine van een weekendarts van de huisartsenpost. Later die dag is ze overleden.

Het was meer dan een jaar later voor we zo met Sientje worstelden. Zeker, ze was een oude hond. Maar ons teckeltje was aan het lijden. Het was uitzichtloos. Voor wie houden we haar nog in leven? Ik vroeg het Inge, maar misschien nog meer aan mijzelf. ‘Volgens mij hoeft het van haar niet meer’, antwoordde Inge. Sientje staarde met een lege blik de kamer in. Het leek of haar ogen al voorbij de voorwerpen keken.

Niet meer duiden

Haar ogen keken naar iets dat er niet was. Ze kon het niet meer duiden. Voor het eten in haar voerbak, kwam ze nog wel. Ze hapte. De drang te (over)leven was daar sterk genoeg voor. Maar in de wilde natuur was ze allang overleden. Een dementerend lid van de roedel zou een veel te groot gevaar zijn voor de groep. Ze zouden haar in de steek laten.

Wij hielden haar nu in leven omdat wij haar niet konden missen. Daar lag een verkeerde gedachte. Het was namelijk niet in het belang van Sientje om haar in leven te houden. En we dachten terug aan wat Inges moeder zei: een hond heeft het menselijker dan een mens.

Zij werd weerhouden om te sterven als het voor haar genoeg was. De geloofsovertuiging van haar huisarts stond in de weg. Hij legde haar zijn geloof op door haar niet te helpen. Soms help je iemand ook door hem of haar dood te laten gaan.

Hele verantwoordelijkheid

Ik vond het wel een hele verantwoordelijkheid. Dat wij gewoon over het leven van Sientje konden beslissen. Het paste niet. Moest ze niet gewoon op een ochtend dood in de bench liggen? Dan was het gebeurd. Gewoon ergens in de nacht op een moment waar niemand bij was. Maar wie zegt dat dit ’s nachts gebeurt? Gebeurt het niet op een heel ander moment, als je met haar aan het lopen bent en zij ineens instort.

Een lange lijdensweg zou dan volgen. Misschien eindigt het sowieso met euthanasie, maar dan ben je wel een hele dag of misschien wel een paar dagen aan het tobben. En waarom? Van Sientje hoefde het allemaal niet meer. Die was al weg. Ze ademde nog, maar ze leefde niet meer. Het was niet meer de hond die we 9 jaar bij ons hadden gehad. Ze was op. Versleten en ze dementeerde. Het was tijd voor het moment. Daarom maakten we een afspraak.

Lees het vervolg: Het laatste zetje »

Abonneer je op de nieuwsbrief en lees elke week een nieuwe herinnering aan Sientje. De nieuwsbrief is geheel gratis en verplicht je tot niets.

[mc4wp_form id=”20905″]