Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen

23 maart 2024

Betuttelen - #wow #wot #feedback


Zie het als een cadeautje, zeggen coaches en leidinggevenden vaak. Ik vind feedback zelf wel lastig. Zeker als het verpakt wordt als een cadeautje, maar het dan niet blijkt te zijn.

Feedback leeft op vertrouwen. Van degene die het ontvangt, maar ook van degene die het geeft. En dat roept de feedback niet altijd op.

Tesselschade en Vrouwkje

Afgelopen november vertelt dichter Vrouwkje Tuinman in de bibliotheek van Alkmaar over de dichter Maria Tesselschade Roemers Visscher (1594-1649). De dochter van de dichter en rijke handelaar Roemer Visscher (1547-1620). Hij noemt zijn dochter naar het grote verlies dat hij lijdt bij Texel. 

De boten wachten op de Rede van Texel in december 1593 tot de wind gunstig genoeg is om uit te varen. De wind is ongenadig. 44 schepen van Roemers investering gaan bepakt en bezakt verloren.

Trouwen en wonen in Alkmaar

Zijn dochter krijgt een 3 maanden later bij haar geboorte de naam Tesselschade. Thuis liefdevol Tessel genoemd. Ze trouwt en gaat wonen in Alkmaar. Daarom vertelt Vrouwkje Tuinman over deze bijzondere dichter. Het is namelijk precies 400 jaar geleden dat Tesselschade trouwt met Allart Jansz. Crombalch. Op 26 november 1623.

Vrouwkje vergelijkt in de Alkmaarse bibliotheek haar eigen gedichten met de poëzie van haar 17e-eeuwse collega Tessel. Het geeft een paar mooie inzichten. Ze delen de onderwerpen dood, rouw en tuinieren. Allebei hebben ze een gedicht over Maria Magdalena geschreven. En beide vertoeven graag in hun tuinhuis iets buiten de stad.

Betuttelaars

Vrouwkje vertelt over het dichtgroepje waar Tesselschade deel van uitmaakt. Voor ze trouwt, zijn in haar ouderlijk huis in Amsterdam, Vondel, Huygens en Hooft kind aan huis. Ze komen vaak langs om hun werk te bespreken. Soms legt ze haar gedichten aan hen voor. Dan bespreken ze deze en kan ze op ideeën komen om haar gedicht nog beter te maken. 

Betuttelen noemen ze dat. Aan haar betuttelaars schrijft ze regelmatig brieven. De weinige gedichten die er nog van haar zijn, zijn overgeleverd via die brieven. 

Baas over eigen tekst

Vrouwkje heeft ook haar betuttelaars. De belangrijkste opmerking die ze erbij maakt is dat je als schrijver de baas bent over je tekst. Dus je hoeft je ook niks van betuttelaars aan te trekken. Ze zitten er soms helemaal naast. Dan is het wel zo fijn dat je lekker je eigen zin kan doordrijven.

Feedback als betutteling is meer dan welkom. Ik vraag regelmatig aan iemand om een gedicht of verhaal van mij te lezen. Een eerste lezer kijkt toch anders naar de tekst dan de schrijver. Het geeft vaak nieuwe inzichten en helpt mee om op een nieuwe manier naar je eigen werk te kijken.

Gedichtencyclus

Afgelopen weken ben ik druk aan het schrijven van een gedichtencyclus. Ik vind het moeilijk om mij ervan los te maken. De eerste versie is al door iemand gelezen. Ze haalt er een paar heftige stekeligheden uit. Nu kan ik weer verder werken aan het herstel.

Dat geldt ook voor de blogjes. De reacties van lezers helpen je verder te denken over wat je geschreven hebt. Soms wijzen ze precies op dat stukje waar je zelf niet het antwoord voor wist. Of laten weten dat als je die 2 alinea's omdraait, je stuk aan kracht of betekenis wint. Advies dat heel waardevol is.

Meelezers gezocht

Ik heb trouwens een eigen meeleeslijst. Dan krijg je elke zondag een kort verhaal met een gedicht in je e-mail. En daar mag je altijd op reageren. Het levert soms hele mooie mailwisselingen op.

Ik zoek nog meelezers voor mijn nieuwe gedichtenproject. Wil je meelezen? Stuur gerust een berichtje. 

woorden buitelen
zonder een duidelijk doel
ongevraagd advies

01 maart 2022

Eens in de 400 jaar

Op 28 februari heb je een gesprek over 28 februari, de dag dat we ons stukje land kochten 4 jaar geleden. En dan kom je ook op 29 februari, dat eens in de 4 jaar is. Ik ken niemand die dan jarig is, maar wel iemand die iets met taal doet en op die datum getrouwd is.

Dan beweert mijn dochter dat het in 2000 geen schrikkeljaar was. Daar ga ik tegenin. Hoe kan zij dat nou weten, ik ben er bij geweest en het was zeker een schrikkeljaar. ‘Nou, ik heb geleerd bij wiskunde dat het elke 100 jaar geen schrikkeljaar is.’

Was 2000 een schrikkeljaar?

We bakkeleien wie er nou gelijk heeft. Ik die het meegemaakt heeft, of mijn dochter van na 2000 die ineens met een voor mij onbekend verhaal over de schrikkeljaren komt. Ze zoekt het uit. ‘Was 2000 een schrikkeljaar.’ Inderdaad ik heb gelijk, maar zij heeft niet helemaal ongelijk.

Een jaar heeft niet precies 365 dagen. Daarom is om de 4 jaar een schrikkeljaar. Maar de aarde draait ook niet precies in 365,25 dagen rond de zon. Het zijn 365,2422 dagen. Er moet dus een extra correctie komen.

Kalenders van Julius en Gregorius

De Juliaanse kalender, ingevoerd door Julius Ceasar, liep uit de pas. Zelfs zo sterk dat in 1582 de kalender 10 dagen achter liep op de zon. Het gaat in 1000 jaar om 7,8 dagen. De correctie is doorgevoerd door paus Gregorius door 10 dagen te schrappen van de kalender. De dagen van de week bleven hetzelfde.

Het probleem is nu opgelost door elke 100 jaar geen schrikkeldag te doen. Maar dan zou in 1000 1,2 dagen teveel worden gebruikt. Dat is opgelost door om de 400 jaar wel een schrikkeljaar te hebben.

Eens in de 400 jaar en in 2000

Het jaar 2000 was dus een hoge uitzondering en is in die zin bijzonder. Het was de 2e keer dat er een schrikkeljaar was. In bepaalde delen van Nederland zelfs de 1e keer. Niet elke provincie heeft de Gregoriaanse kalender meteen ingevoerd. In Utrecht gebeurde dat bijvoorbeeld pas in 1700.

Meeleeslijst

Wil je elke week een verhaal in je e-mail? Abonneer je dan op mijn Meeleeslijst. 32 mensen gingen je al voor…

23 juli 2019

Eline

De titel roept onmiddellijk de associatie op met die beroemde roman van Louis Couperus: Eline Vere. En het grappige is dat de verteller van Michelle Vissers roman met dit gegeven ook in het verhaal speelt. Hoofdpersoon Eline Kant maakt namelijk kennis met de echtgenote van de schrijver die in Den Haag woont. Ze is op bezoek bij Véronique, een tante van een goede vriend.

Véroniques medebewoonster Jette komt binnen met een Haagse vriendin die zich voorstelt als Elisabeth.
‘En u, Eline is uw naam? Kijk eens aan,’ zegt Elisabeth. ‘Dan bent u ongetwijfeld een groot liefhebber.’
Eline kijkt verwonderd, waarop Véronique uitlegt dat Elisabeth de vrouw is van de schrijver Louis Couperus, die onder meer beroemd is vanwege zijn roman Eline Vere. Het echtpaar woont in de buurt, en is deel van de groep Indiëgangers die elkaar veelvuldig opzoekt. (325)

De verteller legt deze intertextuele relatie in het verhaal over een eerdere historische roman van Michelle Visser: Véronique. Deze roman speelt aan het eind van de 19e eeuw, in de tijd dat Louis Couperus’ roman verschijnt. De roman Eline is iets later, in de eerste wereldoorlog.

Academisch milieu

Eline en haar man Wieger Kant wonen in Leiden. Haar leven is in het academische milieu. Haar man is archeoloog aan de universiteit en ook haar roots liggen hier. Ze heeft weliswaar zelf niet gestudeerd, maar haar vader is een geroemd wetenschapper. Ze leidt met haar zoontje en dochtertje een betrekkelijk zorgeloos leventje. Ook al is het oorlog en is niet alles voorradig.

Haar leven verandert als haar man Wieger naar Drenthe gaat voor onderzoek naar een net ontdekt veenlijk. Het ligt daar en Wieger wil de vondst graag daar ter plekke onderzoeken. Als hij is vertrokken mist Eline haar man. Ze verkoopt een kostbaar familiejuweel, koopt een automobiel en rijdt met haar kinderen naar het Drentse platteland.

Het leven daar in dat kleine dorpje verschilt nogal van haar leventje in Leiden. In Leiden draait het om de tennisbaan en thee drinken bij vriendinnen. Hier ziet ze heel andere dingen. De dorpsbewoners zijn niet heel rijk en moeten veel moeite doen om te overleven. Bovendien zijn ze allemaal gelovig, iets waar Eline heel erg aan moet wennen. Je kunt daar niet zomaar de dominee tegenspreken, laat staan het bestaan van God ter discussie stellen.

Aanpassen in het dorp

Weet Wieger zich heel mooi aan te passen in het dorp, Eline heeft daar wat meer moeite mee. Ze ziet wel hoe het leven daar misschien wat armer is, ze merkt ook dat de dorpsbewoners minder gecompliceerd en veel eenvoudiger leven. Het eenvoudige leven biedt veel voordelen. Ze merkt het aan haar kinderen die al heel snel hun draai op het Drentse platteland vinden.

Op de achtergrond klinkt de Eerste Wereldoorlog. Voor Eline en Wieger in Nederland merken ze er niet van wat er bijvoorbeeld in Duitsland en Engeland ervaren wordt. Daar sneuvelen eindeloos veel jonge mannen en zijn vrouwen gedwongen in de fabriek te werken of het verkeer te regelen.

In de roman Eline klinken deze verhalen ook door. Uit de brieven van Wiegers tante in Bremen en Elines vriendin Rose in Londen, lees je het andere verhaal over de oorlog. Hoe mensen zich zorgen maken om hun echtgenoot, zoals bij Rose, of haar zoons, zoals tante Flora van Wieger. Zo komt het verhaal van de grote oorlog tot je als lezer.

Niks mee van de Grote oorlog

Is het in Leiden vooral te merken aan de schaarste, op het Drentse platteland krijg je bijna niks mee van de Grote oorlog. In Drenthe gaat het om heel andere dingen. Het gebrek aan medische zorg ondervindt Eline als haar goede vriendin in het kraambed sterft. Het kind ligt in een stuit waarbij de hulp van de arts uit Assen te laat komt.

Toch kan ze niet aarden in Drenthe; nadat ze vrijend met haar man in het open veld wordt aangetroffen, wordt ze vriendelijk doch zeer dringend verzocht om te vertrekken. Het doet haar verdriet, zeker ook omdat ze later hoort dat een meisje op de kermis ongewenst zwanger is geraakt. Zonder pardon doen haar ouders of ze haar niet kennen en sturen hun dochter zwanger weg. Terwijl ze nog maar een kind is.

Die hypocrisie doet Eline veel verdriet en maakt haar ook een beetje boos. Maar door een geluk ontmoet ze de jonge arts Lucas. Het is een oude bekende van Eline en als ze halsoverkop naar Wieger moet, reist hij met haar mee naar Drenthe. De dorpsbewoners zijn wel blij met de arts en vragen of hij wil blijven. Hij wil wel graag naar het dorp komen, maar dan wil hij dat Eline er dan ook mag zijn.

Politieke belangstelling

Een bijzondere tijd breekt aan. Lucas blijkt niet alleen een arts te zijn, hij heeft ook veel politieke belangstelling. Als tot overmaat van ramp de Spaanse griep uitbreekt, heeft hij er handen vol aan. Het is een heftig stuk uit de roman. Zo na de capitulatie van de Duitsers, slaat deze epidemie flink toe. Niet alleen in het buitenland, ook in Nederland en zelfs Drenthe weet de dans niet te ontspringen.

Hier legt de verteller een mooie relatie tussen Lucas die familie blijkt te zijn van Veronique. Ze krijgt later in de roman een klein rolletje als Eline haar bezoekt. En precies daar maakt ze kennis met de vrouw van Couperus. En niet alleen dat ook blijkt Veronique een felle voorvechtster van de vrouwenbeweging te kennen: Aletta Jacobs. Hier gaan de arbeidersbeweging en de voorvechters van vrouwenrechten soms hand in hand. Maar soms vechten ze voor tegenstrijdige belangen. Niet altijd handig, maar Eline is blij als ze eindelijk in 1922 mag kiezen voor de Tweede Kamer.

Met de roman Eline geeft schrijfster Michelle Visser een interessant tijdperk nieuwe literaire invulling. Het is een tijd die vaak aan de aandacht ontsnapt. Al is er wel veel meer aandacht voor de Eerste Wereldoorlog gekomen. Niet alleen wat de grote oorlog in buurlanden als België, Frankrijk en Duitsland heeft gedaan, maar ook wat het voor Nederland heeft betekend.

Slagveld

De enorme impact van de vele op het slagveld gesneuvelde mannen in Duitsland, Engeland en Frankrijk komt via de gesneuvelde neven van Wieger en de vermiste man van vriendin Rose in Engeland heel dichtbij. Als Rose haar man dan eindelijk weer ziet, is hij voor het leven getekend. Hij mag er dan wel zijn, maar haar oude man komt nooit meer terug.

Michelle Visser legt hier ook een mooi verband met de opkomst van de vrouwenbeweging. De beweging in Engeland krijgt aandacht via de brieven van vriendin Rose. Eline komt in contact met de beweging in Nederland via voorvechters als Aletta Jacobs. Maar Eline zet haar talent op een heel andere manier in.

Historische werkelijkheid

Eline is een mooi boek, waarin de historische werkelijkheid en het dramatische verhaal hand in hand gaan. Soms dreigt het een beetje in te zakken, maar gelukkig weet de verteller dan snel weer vaart in het verhaal te brengen. Zo komt alles voorbij: geluk, verdriet, voorspoed, liefde en zelfs erotiek krijgt een plekje in het verhaal.

Michelle Visser geeft de vrouw aan het begin van de vorige eeuw een stem in haar roman. Daarmee benadrukt ze dat de geschiedenis gedomineerd wordt door mannen, maar dat vrouwen een minstens even grote rol spelen. Ze doet dit in een mooie, meeslepende schrijfstijl. Dat maakt Eline tot een verhaal die indruk maakt. Het is het verhaal van de vrouw die niet zo snel voorbijkomt in de geschiedenisboekjes. Daarmee krijgt de vrouw met Eline een gezicht en een verhaal. Binnen alle conversies van de periode waarin het verhaal speelt.

Michelle Vissser: Eline, Historische roman. Amsterdam: Meulenhoff Boekerij, 2019. ISBN: 978 90 225 8587 0. 368 pagina’s. Prijs: € 19,99.
Bestel via Bookaroo

23 april 2019

De toren van Amsterdam - Leestip

Als je op de Dam staat bij het Stadhuis, het tegenwoordige Paleis op de Dam, realiseer je je niet dat er in het hoofd van sommige stadsbestuurders in de 17e eeuw ook nog iets anders aan dit stadsgezicht was toegevoegd. Namelijk, een imposante toren vast aan de Nieuwe kerk.

6363 palen in de grond

Wat niemand weet is dat dit niet bij een voornemen is gebleven. Er zitten maar liefst 6363 palen in de grond aan de westkant van de kerk. Gedeeltelijk zelfs in het water van de Nieuwezijdse Voorburgwal. Een klein stukje van de gebouwde torenvoet staat nog steeds overeind. De inmiddels gedempte gracht, geldt als het best gefundeerde stukje weg van Amsterdam met al die zware en halfzware eiken masten en elspalen in de bodem.

In zijn boek De toren van de Gouden Eeuw, Een Hollandse strijd tussen gulden en God schrijft bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek over de voorbereidingen van de bouw en het leggen van de fundering. En meer dan dat. Hij bedt het verhaal in, in de geschiedenis van de stad. De ogen én het geld glijden namelijk snel naar het Stadhuis, het wereldwonder en nog altijd een indrukwekkend monument van 17e eeuws Amsterdam.

Strijd in Amsterdamse stadhuis

In de burgemeesterskamer van het stadhuis heeft echter een felle strijd gewoed tussen de koopman en de dominee. Wie het gewonnen heeft, kun je vandaag de dag zelf op de Dam zien. De toren is er niet; de gebouwde torenvoet is gedeeltelijk weggehaald. Terwijl er een imposant stadhuis staat dat elke Amerikaan en Japanner naar binnen lokt en waar heel veel Amsterdammers (de meeste?) nog nooit zijn binnengeweest.

Een prachtig stuk geschiedenis. Zeker ook de manier waarop Gabri van Tussenbroek dit in zijn boek behandelt. Waar begint het? Het begint bij de brand van de Nieuwe kerk. Op een koude dag in januari vat het dak vlam van de eeuwenoude kerk. Het gebouw vermoedelijk gebouwd door Rutger van Kampen, bouwmeester van meer Gotische stadskerken in Nederland, zoals de Bovenkerk in Kampen, Harderwijk en de Pieterskerk in Leiden.

Forse tegenvaller

De herbouw wordt snel ter hand genomen. Het is een forse tegenvaller voor de stad die juist veel tijd en aandacht besteedt aan de bouw van het stadhuis. Niet dat de bouw al begonnen is, wel worden er huizen opgekocht op de plek waar het stadhuis moet komen. De bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek geeft daarbij een interessant kijkje in het stadsbestuur.

Een maand na de brand, wordt het nieuwe bestuur benoemd. Elk jaar wisselen de zetels op 1 februari. In het college komen Bicker en Backer recht tegenover elkaar te staan. Behartigt de ene eerste vooral de belangen van de koopman, Willem Backer is een vrome man voor wie alles ter ere van God is. Backer komt op het idee van de toren, ontleend aan de imposante toren op het Piazzetta, tegenover de San Marco in Venetië.

Dagelijks leven in Amsterdam

De drukte op het stadhuis is natuurlijk van een totaal andere orde dan het dagelijks leven in Amsterdam. Het is voor de bewoners van de stad een hard bestaan. Het leven is erg duur, vaak mislukt de oogst door slecht weer of een slechte aanvoer vanuit de gebieden waar het graan vandaan komt. Gabri van Tusssenbroek weet deze dagelijks overlevingsdrift mooi in zijn boek te verwerken tussen al het gekonkel in de burgemeesterskamer op het stadhuis.

Bijvoorbeeld als hij het heeft over de zomermaanden waarin elk jaar de bemanning van de VOC-schepen die bij Texel lagen, doorreisde naar Amsterdam om het scheepsgeld te incasseren. Meestal verblijven ze dan meteen in de stad. De verdiensten van de onderste rangen waren ronduit slecht met zo’n 7 tot 12 gulden per maand, schrijft Gabri van Tussenbroek:

In Amsterdam kon je daar eigenlijk niet van rondkomen. Drie gulden in de week was in de stad toch wel zo’n beetje het bestaansminimum. Als je in het gasthuis verpleegd moest worden, betaalde je drie gulden, en ook het bedrag voor pensioenen en ziekengeld was drie gulden. Het waren bedragen waar Willem Backer om moest lachen, evenals de anderen van het Vroedschap, gewend als ze waren aan het leven van de bovenkant. (140)

Vergeet daarbij niet, dat het hier gaat over de laagste rangen bij de VOC. Veel banen in de stad leveren veel minder geld op. En als je illegaal in de stad verblijft, ben je vaak helemaal kansloos. Het zijn de schrijnende verhalen zoals van Elsje Christiaens die Rembrandt 15 jaar later zo prachtig tekent.

Koude winters en natte zomers

Gabri van Tussenbroek vermengt in zijn boek over de toren van de Nieuwe kerk op een intrigerende manier het dagelijks leven met bijvoorbeeld het weer en andere omstandigheden. Hij beschikt over zeer gedetailleerde gegevens over het weer; de koude winters, natte zomers of juist warme periodes komen vaak terug. Net als de integratie van de grote momenten uit de geschiedenis, zoals de Vrede van Münster in 1648.

Daarmee trekt hij de geschiedenis heel dicht naar je toe. Je krijgt zo veel meer te lezen dan alleen de officiële documenten over de bouw van het stadhuis, de herbouw van de kerk en de voorgenomen bouw van de toren. Tegelijkertijd besef je wat een oorlog met Engeland bijvoorbeeld doet met het dagelijks leven in de stad. Dat heeft veel meer impact dan je zo snel in een jaartal ziet.

Net als de vrij theoretische discussies die Gabri van Tussenbroek geeft over het ontwerp van de toren. Kiest de stad voor een ouderwets gotisch ontwerp of gaat de voorkeur uit naar een klassieke toren. De 2 modellen die van de toren zijn gemaakt, laten beide varianten zien. Maar welke kiest de stad?

Jacob van Campen

Ook hier heeft Jacob van Campen een flinke lepel in de pap te roeren. Het mag dan een man zijn die erg lastig in de omgang is, hoge verblijfskosten declareert en vermoedelijk meer dan van een stevig glas houdt. Hij weet met zijn ontwerpen het stadsbestuur telkens weer te verleiden tot hoge uitgaven en gebouwen die wel een beetje voor de eeuwigheid staan.

De reden dat de toren er niet komt en uiteindelijk het stadhuis wel, is het verhaal dat Gabri van Tussenbroek heel mooi in zijn boek weet te geven. Hier zie je dat het gekonkel zoals dat soms doorsijpelt vanuit de Haagse achterkamertjes, zijn grondslag al heeft in de Gouden eeuw.

Het hoort bij de Nederlandse overlegcultuur vol compromissen en waar een verlies nooit zo scherp gespeeld wordt. De verliezer druipt af – of sterft – en niemand heeft het er meer over. En in het boek De toren van de Gouden Eeuw weet Gabri van Tussenbroek deze geschiedenis weer heel mooi te belichten. Voor iedereen die van geschiedenis, gebouwen en de Gouden Eeuw houdt, een must om te lezen. Het geeft zoveel leesplezier. Heerlijk!

Gabri van Tussenbroek: De toren van de Gouden Eeuw, Een Hollandse strijd tussen gulden en God. Amsterdam: uitgeverij Prometheus, 2017. ISBN: 978 90 446 3478 5. 368 pagina’s. Prijs: € 25,99. Bestel

26 februari 2019

Biografie van een schavuit - boeken

De biografie over het leven van Jacob van Lennep. Dat het een schavuit was, wist ik wel. Befaamd is de uitgave van de Brieven van de Schoolmeester aan hem. Wat een belevenis is deze uitgave van Marita Mathijsen uit 1977. Ze verbaast minstens zo met deze biografie over het leven van de rijksadvocaat, schrijver en dichter.

Helaas zijn de brieven van Jacob van Lennep aan de Schoolmeester niet bewaard gebleven, maar ik denk dat ze minstens zo mooi zijn. Van Lennep laat zich niet zomaar ondersneeuwen in de literaire lawine van de schrijver Gerrit van der Linde. Wat zou de biografie hiermee verrijkt zijn, maar Van Lenneps sporen zijn zorgvuldig gewist.

Dat is ook het moeilijke voor Marita Mathijsen. Het is op veel punten gissen en raden wat er gebeurd is. Dat is ook de dubbele moraal van de 19e eeuw. Elke getrouwde man heeft naast zijn vrouw een maîtresse of gaat naar de hoeren, maar naar buiten toe, zie je hier weinig van.

Toch doet ze aantal interessante ontdekkingen. Zo komt ze achter een onwettig kind dat Jacob van Lennep verwekt terwijl hij nog student is. Het is een boeiend verhaal dat veel verderop in zijn leven een vervolg krijgt. Hij zal zijn dochter erkennen en voorziet moeder ook in haar onderhoud.

Fatale vrouwen

De avonturen met vrouwen zijn nogal eens fataal, zo ontdekt Marita Mathijsen. Het is het verhaal van een affaire met een aanbidster, Doortje Ringeling. Ze willen naar Engeland vluchten, de bagage is al ingescheept voor Engeland en het liefdespaar overnacht in Rotterdam. Zijn vader David Jacob is zijn zoon achterna gereisd om verdere escalatie te voorkomen:

 En toen gebeurde er iets wat heel typerend is voor de vader en voor de moraal van de negentiende eeuw, en eigenlijk ook heel ontroerend. Eén nacht gunde David Jacob zijn zoon en de geliefde. Eén nacht om in elkaars armen te verzinken, volledig op te kunnen gaan in een grenzeloos bestaan. Na de coïtus, wanneer immers iedereen een beetje triest pleegt te zijn, zou hij hem aanspreken. (244)

Inderdaad spreekt de vader hem aan. De zoon krijgt berouw en keert huiswaarts, zonder de laarzen aan die hij bij het verlaten van de slaapkamer vergeten was aan te trekken. En zo zit hij die middag weer thuis met zijn gezin aan tafel alsof er helemaal niks gebeurd is.

Doorgehaalde teksten

Dat Marita Mathijsen dit verhaal heeft kunnen oprakelen, komt doordat het in het dagboek van een politicus is terechtgekomen. Deze hoorde het via een bekende van de vader. In brieven aan zijn vriend Aart Veder, rept Jacob wel over zijn verliefdheid. Tussen alle doorgehaalde teksten weet Marita Mathijsen wel wat te ontcijferen. Al staan er in het citaat herhaaldelijk cursiveringen met [onleesbaar].

Het is een mooie biografie die Marita Mathijsen heeft samengesteld uit het rijk gedocumenteerde leven van Jacob van Lennep. Je kunt niet anders verwachten van zo’n schavuit en schelm. Marita Mathijsen plaatst elk hoofdstuk heel mooi in context. Ze heeft het leven van Van Lennep opgedeeld in tijdvakken van rond de 10 jaar. Dat levert 6 delen op. Hierin verwijst ze vaak naar de nationale en internationale situatie. Zoals in het deel waarin ze spreekt over de Belgische opstand.

Muiterij

De muiterij die uiteindelijk uitmondt in de afscheiding van de Zuidelijke Nederlanden uit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Volgens hedendaagse historici had Willem I met daadkrachtiger optreden waarschijnlijk de crisis hebben kunnen doorstaan. Hij had hier voldoende aanhang voor, maar in plaats daarvan heeft hij eerst de boel teveel laten sudderen en niet geluisterd naar de noodroep.

Marita Mathijsen concludeert ook dat Jacob van Lennep het zeker met de hedendaagse historici eens zou zijn geweest:

 Hij meende dat Willem I er in 1830 geen idee van had dat er in Brussel een vulkaan op het punt stond uit te barsten. De eruptie had voorkomen kunnen worden met onmiddellijk daadkrachtig optreden. In het begin was de aanhang van de opstandelingen nog niet groot. (200)

Voor Jacob van Lennep was de opstand in België een mooie aanleiding voor het schrijven van een toneelstuk. Het kreeg de naam Het dorp aan de grenzen. Het speelde de spot met de Belgen. Mede door dit toneelstuk maakte de Belgenmop furore. De klucht van Jacob van Lennep werd een gigantisch succes.

Ferdinand Huyck

De uitvoerige besprekingen van Marita Mathijsen over de romans van Jacob van Lennep spreken mij persoonlijk erg aan. Zo schrijft ze op een aanstekelijke manier over de populaire roman Ferdinand Huyck. Het boek speelt weliswaar in de 18e eeuw, maar is veel meer een Bildungsroman.

Jacob van Lennep kent de pruikentijd goed uit de verhalen in zijn familie, maar het verhaal zelf is veel meer een verhaal waarin de hoofdpersoon zich ontwikkeld tot wie hij nu is. Hij laat hierin de vooroordelen over geloof achter zich en sluit avonturen af.

Klaasje Zevenster

Voor mij blijft de treffendste beschrijving van de roman Klaasje Zevenster dat een schokkend verhaal is. Het speelt in een hoerenkast. Iets dat met de negentiende eeuwse moraal echt onacceptabel is. Hij krijgt daar na publicatie ook veel rumoer over. Het tekent de schijnheiligheid van de negentiende eeuw. Zoals wanneer Marita Mathijsen de recensie van Busken Huet citeert.

In de genoemde recensie kraakt hij het boek helemaal af, waarna de biografe een brief aanhaalt van de recensent aan een bekende. Hierin schrijft de zuurpruim dat hij hartelijk gelachen heeft om de roman van Jacob van Lennep. Het zou zo een schandaaltje uit onze tijd kunnen zijn. Veel hedendaagse recensenten doen niet onder voor Busken Huet.

Het nodigt uit om deze roman ook eens ter hand te nemen. Ergens rond 2002 was er een scenariowedstrijd waarbij Marita Mathijsen het boek aanbeval om te bewerken tot een televisieserie. Er is een winnaar geweest voor het script, maar het boek is jammergenoeg nooit bewerkt tot een serie. Het zou zeker de moeite waard zijn als dit nog eens gebeurt.

Wat als…

Al lezend vraag ik mij af wat er gebeurd zou zijn als Marita Mathijsen een vollediger beeld van Jacob van Lennep zou hebben gekregen. Als het biografische materiaal wat completer was geweest. Niet die doorgehaalde dagboeken of kwijtgeraakte brieven. De ontbrekende puzzelstukken maken het namelijk wel lastig om een compleet beeld te vormen.

Soms laat Marita Mathijsen wel iets zien van de suggesties die ze doet. Ze deelt haar twijfels en vermoedens regelmatig met de lezer. In mijn ogen geeft dat niet altijd een eerlijk beeld. Net als de worsteling om rode lijnen in het verhaal te vinden. Terecht merkt Marita Mathijsen op dat dit de biograaf ook in de weg kan staan, maar het ontbreken ervan in haar biografie over het leven van Jacob van Lennep maakt het wel lastig voor het verhaal.

Ze weet de 3 lijnen die ze vindt niet mooi met elkaar te verbinden. Dat is jammer, omdat het het verhaal zoveel sterker had gemaakt. Het is niet anders en het hoort onvermijdelijk bij de worsteling van de biografie met het leven dat hij probeert te kneden en vormen tot een verhaal.

Marita Mathijssen: Jacob van Lennep: Een bezielde schavuit. Amsterdam: uitgeverij Balans, 2018. ISBN: 978 94 6003 8501. 592 pagina’s.
Prijs: € 39,99. Bestel

15 januari 2019

Nobel streven, een ridderverhaal

Onwaarschijnlijk maar waar. Dat is het verhaal van de ridder Jan van Brederode. De Utrechtse hoogleraar Frits van Oostrom vertelt in zijn nieuwste boek Nobel streven het verhaal van deze bijzondere middeleeuwse edele. Jan van Brederodes leven is heldhaftig, tragisch en dynamisch. Voldoende stof voor een uitermate innemende biografie over deze man.

Met het boek Nobel streven keert de Utrechtse hoogleraar terug naar bekend terrein. Bij zijn doorbraak in 1987 met Het woord van eer over literatuur aan het Hollandse hof, moet hij zijn gestuit op het bijzondere levensverhaal van Jan van Brederode.

Dappere ridder Jan van Brederode

Een dappere ridder die wel een heel eigenaardige levensloop kent. In zijn nieuwste publicatie Nobel streven, gaat Frits van Oostrom dieper in op het leven van deze bijzondere man.

De achterflap geeft al een duidelijke samenvatting van deze ridder uit Holland. Meerdere malen neemt hij het op in een oorlog tegen Friesland. Hij gaat op pelgrimage naar Ierland om daar het helse vagevuur van Sint Pancratius te ervaren. Teruggekomen belandt hij in het klooster, het huwelijk wordt ontbonden en zijn vrouw gaat ook in het klooster. Een kartuizerklooster, een strenge orde. Misschien wel de zwaarste kloosterorde. Waarbij je altijd zwijgt, nooit vlees eet en vegetarisch. Bovendien wordt je nacht gebroken door een uur lange nachtmis.

In het klooster vertaalt hij de religieuze tekst Des coninx summe, een indrukwekkende titel. Als hij later zijn kans ziet om de erfenis van zijn vrouw te kunnen incasseren, verlaat hij het klooster. Met geweld haalt hij zijn vrouw ook op. Het mondt uit op een mislukking, waarna hij later opduikt op het slagveld bij de beroemde Slag bij Azincourt. Als huurling, opmerkelijk voor een ridder, maar als je het boek van Frits van Oostrom leest, zul je merken dat het helemaal niet zo opmerkelijk is.

Nobel streven geeft een inkijk in een indrukwekkend verhaal waar Frits van Oostrom wel raad mee weet. Hij begint met met heerlijke zinnen waarmee hij de achtergrond van Jan van Brederode kenmerkt, zoals: ‘Jans grootvader Dirk was een geweldenaar.’ Om daarna de heldenfeiten van Dirk van Brederode te vertellen. Jans vader en broer zijn iets minder gewelddadig. Al is het in een tijd waarin het land verdeeld wordt door de Hoekse en Kabeljauwse twisten, moeilijk om geen wapen in de hand te nemen.

20e eeuwse verbazing

Bij dit alles weet Frits van Oostrom prachtig te spelen met de 20e eeuwse verbazing die sommige aspecten uit de ridderlijke maatschappij bij je oproepen. Zoals het huwelijk tussen Willem van Brederode en Margriet van der Merwede. Willem was 23 jaar oud toen dit huwelijk bezegeld werd. Margriet niet ouder dan 3:

[H]et moet zelfs voor middeleeuwse begrippen een ongemakkelijke ceremonie zijn geweest voor het altaar. Dat dit huwelijk nog vele jaren kinderloos zou blijven, werd blijkbaar ingecalculeerd. (132)

Het huwelijk is in de middeleeuwen vooral een verbintenis tussen families en niet zozeer een ceremonie die de liefde bezegeld. Een peuter die trouwt, is zelfs in de middeleeuwen een beetje te gortig. Maar Van Oostrom zal er nog een aantal keren naar verwijzen. Bijvoorbeeld als hij de lezer een blikje gunt in de toekomst:

Margriet van der Merwede en Stein, als schatrijke peuter bij de Brederodes ingetrouwd, zou als volwassenen vrouw bemerken dat er van haar erfdeel nog maar weinig over was. (219)

Het familiefortuin verdampt. Dat is ook het probleem tussen het huwelijk van Jan en Johanna van Abcoude. De vader van de bruid weet uit de overeenkomst het maximale te halen voor zijn familie. Het huwelijk is eigenlijk boven Jan van Brederodes stand. Hij kan het eigenlijk niet betalen en steekt zijn familie in de schulden.

Als er dan ook nog eens geen kinderen komen, besluit Jan van Brederode naar Ierland af te reizen om in een grot het vagevuur mee te maken.

Op bedevaart

Jan van Brederode maakt een bedevaartreis naar Ierland in de hoop dat er kinderen komen. Zijn huwelijk is kinderloos en hij hoopt met deze reis hiermee het tij te keren. Hiervoor betreedt hij de grot waar Sint Patricius het vagevuur heeft doorstaan. Hij moet een nacht lang in het aardedonker van de kleine ruimte zitten.

Dat je langzaam maar zeker en ongetwijfeld ook door bepaalde schimmels op de rotsen gaat hallucineren is niet zo heel vreemd. De nacht in de grot van Sint Patricius moet voor sommige pelgrims een bijna-doodervaring hebben opgeleverd. Of zoals Van Oostrom het schrijft:

Ze kunnen een nacht hebben geleefd in hun persoonlijke Jeroen Bosch, bij wijze van ‘augmented reality’. (86)

Heerlijke verhalen die Frits van Oostrom heel treffend typeert en aan het papier toevertrouwd. Verbindingen leggend met onze tijd en de belevingswereld van de literatuur.

Kloosterbestaan

Het huwelijk blijft kinderloos. Mogelijk biedt het kloosterbestaan een uitweg om onder de gigantische gages aan zijn schoonvader te komen. Jan verlaat bij het overlijden van zijn schoonvader, weer even snel het klooster. Hij ruikt zijn kans, maar is kansloos. Hij probeert alles, met en zonder hulp:

Tenzij uiteraard… zijn kloostergelofte van eertijds ongeldig was geweest. Precies deze kaart blijkt Jan nu te zijn gaan spelen. Ongetwijfeld zijn ook hier juristen aan te pas gekomen om dit geitenpaadje in het vonnis van 14 april 1409 te wijzen. (205)

Als een hedendaagse burger probeert hij de mazen in de wet te vinden om toch zijn gelijk te behalen. Het blijkt een kansloze exercitie. Temeer omdat zich zelfs de kanselier van de Notre Dame in Parijs zich over de kwestie buigt en zijn oordeel velt. Al zou je heel veel geitenpaadjes uit het complexe betoog kunnen ontwaren, Jean Gerson is duidelijk. Eens een gelofte gedaan is altijd een gelofte gedaan.

De daden van Jan van Brederode krijgen wel een heel ander perspectief in het verhaal van Frits van Oostrom. Dat Jan bijvoorbeeld zijn vrouw uit het klooster probeert te ontvoeren, is hier heel duidelijk een wanhoopsdaad. En de voormalige ridder mag er voor bloeden. Hij komt in het gevang en zijn vrouw overlijdt een jaar later. Aan hartzeer, zo beweren de bronnen.

Het einde bij de beroemde Slag bij Azincourt, waar Engeland met een minderheid het veel grotere Franse leger verslaat, plaatst Frits van Oostrom weer zo mooi in context. Binnen het literaire kader van het toneelstuk Henry V van Shakespeare. Een mooie vermenging van het verhaal zoals de geschiedschrijvers het hebben opgesteld en hoe mensen als Jan van Brederode het beleefd hebben.

Feit en fictie

In de biografie over het leven van Jan van Brederode zitten onherroepelijk leemtes. Gaten van periodes waar we niet het fijne van weten. Daarom verwijst Frits van Oostrom aan het einde van zijn biografie naar literaire verwerkingen. Hij verwijst dat van het laatste gedeelte van het leven van Jan van Brederode onbewust een roman geschreven is.

Hij verwijst naar andere geleerden die boeiende romans hebben geschreven. Zo is De naam van de roos van Umberto Eco het resultaat van jarenlang onderzoek. Umberto Eco merkte dat hij in zijn wetenschappelijke werk sommige verhalen niet kon vertellen omdat het aan bewijs ontbrak. Daarvoor leent de literatuur zich bij uitstek. En zeker de roman. Zo verwerkte Umberto allerlei middeleeuwse bevindingen en ideeën in zijn bestseller. Fabuleren op de plekken waar je niet kunt argumenteren.

Eco’s De naam van de roos (1980), bij verschijning bescheiden uitgebracht als ‘een boek voor fijnproevers, voor bedachtzame genieters’, verkocht inmiddels wereldwijd 50 miljoen exemplaren – en dat voor een roman over een veertiende-eeuws klooster. (314)

Inderdaad lenen de middeleeuwen zich prima voor een roman, zeker als er een portie misdaad en een meesterbrein is om de moorden op te lossen. Een andere roman waar Van Oostrom naar verwijst en die mij waanzinnig nieuwsgierig maakt is een roman over het leven van Dante. Marco Santagata, hoogleraar literatuurgeschiedenis in Pisa, schreef naast een biografie over het leven van de Italiaanse schrijver, ook een roman. Het werk heet Als verliefde vrouw (Come donna innamorata), over een intellectueel die hoon opwekt omdat hij een stom klerkenbaantje accepteert om grootste literatuur te kunnen schrijven.

Literatuurwetenschapper of romanschrijver?

Frits van Oostrom haalt hier terecht het probleem van de literatuurwetenschapper aan ten opzicht van de romanschrijver. De wetenschapper moet zich houden aan de feiten en kan alleen met hulp van argumenten overtuigen. De roman biedt een heel andere kant de ruimte. Ze geeft ruimte aan het gevoel, waar de wetenschapper zich niet kan en durft te wagen. Het leven van Jan van Brederode is voor een romanschrijver bij uitstek een geschikt onderwerp:

Niet alleen wat er gebeurde, maar ook hoe het voelde. Oftewel: een waargebeurde roman. (320)

Al moet ik zeggen dat Frits van Oostrom zich soms ook waagt aan een inschatting hoe iemand zich gevoeld moet hebben. Het leven van Jan van Brederode leent zich hier uitstekend voor. Waarom neemt hij bepaalde beslissingen en is het inderdaad zo grillig als het soms overkomt. Dat vraagt aan een andere component van iemand om een beslissing te nemen, namelijk: het gevoel.

Familiewapen familie Van BrederodeDaarmee laat Frits van Oostrom in mijn overtuiging zien dat hij zich best eens zou mogen wagen aan een roman over het leven van zijn gebiografeerde held. Het belooft een mix te worden met een hoog Couperus-gehalte, met erg interessante familie-intriges. Allemaal ingrediënten waar hij zich best eens aan mag wagen. En dat het een bestseller wordt, staat wat mij betreft vast. De biografie Nobel streven is al een boek dat je in 1 adem uitleest. Als het geromantiseerd wordt, is nog meer een feest om te lezen.

Frits van Oostrom: Nobel streven, Het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode. Amsterdam: Prometheus, 2017. ISBN: 978 9044 6346 79. Prijs: € 25,99. 400 pagina’s.Bestel

Kijk voor meer achtergrondinformatie op: nobelstreven.nl

13 november 2018

Het gebedenboek van Maria van Gelre

Bij de tentoonstelling Ik, Maria van Gelre in Museum het Valkhof in Nijmegen staat een bijzonder gebedenboek centraal. De tentoonstelling laat het monumentale gebedenboek zien dat van deze Gelderse hertogin Marie d’Harcourt (1380 – na 1428) bewaard is gebleven. Een aantal jaar geleden is het gerestaureerd en daarmee geschikt gemaakt voor expositie. Normaal ligt het boek in Berlijn, maar is eigenlijk nauwelijks te bewonderen.

De tentoonstelling in Nijmegen laat een deel van het boek zien; 20 pagina’s die op de helft van de expositie worden vervangen door 20 andere. Maar daarnaast geeft het ook een inkijk in het leven van de hertogin die uit Frankrijk komt. Ze is afkomstig van het Franse hof. Het huwelijk met Reinoud IV, de hertog van Gelre, is geënsceneerd om de banden tussen Gelre en het Franse hof verder aan te wakkeren.

Enorme bruidsschat

De enorme bruidsschat van omgerekend 70 miljoen euro moet worden terugbetaald als het huwelijk kinderloos blijft. Dat is de uitkomst van 10 maanden onderhandelen over het huwelijk. Een indrukwekkend verhaal dat je ziet op de tentoonstelling. Net als dat je een beeld krijgt van het leven aan het hof met jurken en papegaaien, maar ook krijg je een inkijkje in het geloofsleven in de late middeleeuwen.

Hoogtepunt van de tentoonstelling is het gebedenboek dat Maria 10 jaar na haar trouwdag, rond 1415, laat maken. Het boek telt 1200 pagina’s en is daarmee een omvangrijk document uit deze periode. Het is verlucht met 106 miniaturen, 171 sierinitialen en 129 figuren. Zonder twijfel is dit boek een hoogtepunt uit deze periode. Er zijn weinig handschriften die met dit prachtige boek kunnen meten.

Adembenemende schoonheid

De bladzijden die je kunt bekijken zijn werkelijk van een adembenemende schoonheid. In het halfduister, met net genoeg licht om handschrift te sparen en goed te kunnen kijken, buig je over de losse pagina’s. Schuifelend in een rij omdat iedereen wil kijken.

Het is kunst op de vierkante millimeter. Wat een schoonheid. Vergrootglazen liggen erbij. Ik heb voornamelijk met mijn eigen ogen gekeken. Wat ben ik onder de indruk van de kleuren en fijne schilderingen van de miniaturen. Het openingsbeeld met een afbeelding van Maria die het gebedenboek vasthoudt, omringd door 2 engelen. Het grijpt je vast en laat je niet meer los.

Kostbare operatie

Het moet een waanzinnig kostbare operatie zijn geweest. De monnik Helmich die Lewe, broeder in het Arnhemse klooster Mariënborn heeft de tekst gekopieerd. De inhoud is een mengelmoes aan teksten, waarschijnlijk speciaal voor dit gebedenboek geschreven en vertaald. De afbeeldingen zijn ongekend waarmee het boek verlucht is. Niet alleen de miniaturen zijn indrukwekkend, ook de verluchte initialen en indrukwekkende figuurtjes die in de marge en randen staan.

Het zijn de details die dit boek zo bijzonder maken. De minuscule afbeeldingen van gezichten in de initialen. Je kunt ze soms met het blote oog amper zien. Het zijn gezichten die soms naar Jezus refereren of op een andere manier een relatie leggen met wat er staat. Soms is het ook gewoon een fantastisch figuurtje in de kantlijn.

Ruiters en fabeldieren

Ze passeren je: ruiters, muzikanten en fabeldieren. Neem bijvoorbeeld het draakje dat meer is dan zomaar een afbeelding. Ze gedragen zich zoals veel figuren uit de middeleeuwen, half bezwerend, half vermakelijk. Als de figuren die je als decoratie ziet op Gotische kathedralen. Ze vertellen een verhaal, compleet met grimas.

Vergeet daarbij niet dat de inhoud van het boek met de restauratie ook beter onderzocht is. Niet alle informatie is voor handen, zo is er nog geen wetenschappelijke editie van dit middeleeuwse boek voor handen. De gebedenboeken hebben altijd op minder aandacht van de wetenschap moeten rekenen. Niet helemaal terecht.

Gebeden in volkstaal

De inhoud van het boek verraadt dat de gebeden allemaal in volkstaal zijn opgesteld. Een taal die Maria zich in de 10 jaar dat ze getrouwd is met de hertog, helemaal heeft eigengemaakt. Zo buigend over de teksten, merk ik dat ik teksten kan lezen. Zoals het gebed voor Reinoud, dat is geschreven na het overlijden van de hertog van Gelre en Gulik in 1423.

Dit les alle daighe.
Reyner van gulich ind
van gelre sich huden op
hevet . Negen engelen ich yn hu-
den bevele . Drie in sijne[n] weghe .
ind drie in sijnre steghe . ind drie
an allen eynde[n] .
(SBB-PK mgq42 f.391r)

Het geeft een glimp van de middeleeuwen, het gordijn valt even open. Omringd door allerlei voorwerpen uit deze tijd. Het Mariabeeld uit Renkum, maar ook de imposante gietijzeren kaarsenkroon uit de Walburgiskerk in Zutphen.

Een mensenleven van meer dan 600 jaar geleden lijk je even aan te kunnen raken. Heel bijzonder. Een bezoek aan Het Valkhof is dit meer dan waard, want het is alweer 3 weken geleden dat ik was, maar ik geniet nog elke dag na.

Meer lezen

24 februari 2018

De ommegang

Arriveert vandaag een prachtig boek van Jan van Aken met de veelbelovende titel De ommegang. Ik volg Jan van Aken al een tijdje, ben zijn eerste recensent en heb vrijwel zijn hele oeuvre gelezen.

In december las ik op zijn advies Victor Hugo’s roman De klokkenluider van de Notre-Dame. Een boek dat veel bewerkt is in film en musical. Zelfs Disney gaf er zijn eigen fantasievolle draai aan. Maar het lezen van dit werk was voor mij een openbaring. Het is een prachtig boek opgebouwd als een kathedraal, grillig, grimmig en fascinerend.

Het verduidelijkte voor mij wel heel veel van de schrijver Jan van Aken. Hij bedient zich bijna van dezelfde fantastische schrijverij als Victor Hugo. Aan mij openbaarde zich bij het lezen van deze klassieke roman een andere kant van Jan van Aken.

In de correspondentie verraadde Jan van Aken al een beetje waarover zijn nieuwe roman gaat. Het is een veelbelovend verhaal dat aan het einde van de middeleeuwen speelt. Al bestaat er bij Jan van Aken geen middeleeuwen en zeker geen donkere middeleeuwen. Het is de tijd waarin de kathedralen zijn en worden opgericht.

Een nieuwe tijd in Europa waarbij in alle West-Europese landen enorme godshuizen verrijzen. Het is de tijd waarin door de kruistochten weer contact is ontstaan met het Midden-Oosten. Een veelbetekenend contact, want door deze reizen is er veel veranderd. Zodoende is deze periode een onuitputtelijke tijd om over te schrijven en te fantaseren. En dat kan Jan van Aken als de beste.

Ik ben dus even aan het lezen… Binnenkort zal ik het boek hier bespreken…

Vanaf dinsdag ligt de roman De ommgang van Jan van Aken in de boekwinkel.

Jan van Aken: De ommegang. Amsterdam: UItgeverij Querido, 2018. ISBN: 978 90 214 0393 9. 628 pagina’s. Prijs: € 22,50. Bestel

23 februari 2018

Valentijn in Khartoem

Fleur van der Bij is op Valentijnsdag bij de Nijl in Khartoem en maakt een boottochtje op het water. Ze vaart in een roeibootje met Esib naar de plek waar de Blauwe Nijl en de Witte Nijl samenkomen.

Esib heeft duidelijk andere bedoelingen met het boottochtje dan zij. Wat Fleur niet in de gaten heeft, is dat deze plek een bijzonder romantisch plekje in Khartoem is.

Je neemt een meisje niet zomaar mee naar deze plek waar romantiek samenvloeit. Of zoals Esib het uitlegt.

‘In de Arabische poëzie wordt deze samenkomst van de twee rivieren de eeuwige kus genoemd. De Witte Nijl staat voor de mannelijke energie en de blauee voor de vrouwelijke.’ (106)

De intenties van Esib verschillen duidelijk van hoe Fleur erin staat. Ze laat zich niet zomaar versieren in het bootje met deze kerel.

De reis terug duurt lang, maar Fleur is opgelucht als ze weer aanmeert en snel terug kan naar de familie waar ze logeert.

Fleur van der Bij: De Nijl in mij. Een ontdekkingsreis naar het hart van de waanzin. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij AtlasContact, 2018. ISBN: 978 90 450 3514 7. 256 pag. Prijs: € 19,99.Bestel

20 februari 2018

Geld in beha

Geld uit de muur trekken is er in Soedan niet bij. Daarom neemt Fleur van der Bij veel contant geld mee. Maar om de sancties te omzeilen kun je beter het geld dat je meeneemt goed verborgen houden.

De briefjes moeten een veilige plek krijgen. Voor Fleur is dat haar beha. Ze koopt er speciaal een grotere maat beha met flinke vullingen voor:

Voor vertrek heb ik die vullingen eruit geknipt en vervangen door twee plastic mapjes met duizenden dollars. Mijn hoedanigheid als wandelende pinautomaat bezorgt me soms hartkloppingen, maar het idee went snel. (21)

Zo loopt ze als een ontdekkingsreiziger met de duurste big boobs rond door Soedan. Langzaam maar zeker nemen haar borsten in volume af. Elke keer herinnert de vertelster dan aan het verdwijnen van de dollars.

Zoals wanneer ze Omran inhuurt om haar naar het gebied te brengen waar haar held Juan Maria Schuver in 1883 voorgoed verdween.

Ik voel aan mijn bh om mijn financiële situatie te peilen. Door het inhuren van Omran ben ik zeker van een volle D-cup naar een C gegaan, maar hij in ale opzichten het geld waard. (70)

Het levert weer een mooi nieuwe wending in het verhaal op. Ze zoekt verder naar de sporen van haar held, de ontdekkingsreiziger Schuver die op raadselachtige wijze verdween.

Maar eigenlijk is ze op zoek naar iets heel anders: haar 3 jaar jongere zus Ylse die verongelukte toen zij 15 was.

Fleur van der Bij: De Nijl in mij. Een ontdekkingsreis naar het hart van de waanzin. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij AtlasContact, 2018. ISBN: 978 90 450 3514 7. 256 pag. Prijs: € 19,99.Bestel

19 februari 2018

De Nijl in mij

Aanvankelijk wil Fleur van der Bij haar held Juan Maria Schuver (1852 – 1883) achterna reizen op zijn ontdekkingstocht naar de oorsprong van de Nijl. De ontdekkingsreiziger verdwijnt op zijn reis spoorloos en is overleden.

Over zijn dood zijn verschillende versies. Waarschijnlijk is hij vermoord, gedreven door zijn ongeduld. Het komt zelfs een beetje onbenullig over. Zijn lichaam wordt niet meer gevonden. Hij is helemaal van de aarde weggevaagd. Er is geen spoor meer van hem achtergebleven.

Ze slaapt aan de oevers van de Nijl in een tentje. Ze trekt door de binnenlanden van Soedan in de richting van Khartoem waar haar held voor het laatst levend is teruggezien. De verhalen over de dood van haar held blijven vaag. Wat is er precies gebeurd? Fleur van der Bij probeert het spoor terug te volgen.

Daar in de binnenlanden van Soedan vindt ze niet zozeer het spoor van haar held terug, als wel haar eigen verleden. Een kruispunt in Friesland. De plek waar haar 3 jaar jongere zusje Ylse verongelukte.

Wat heeft die dag met me gedaan? Werd ik bang voor de dood of voor het leven? Misschien een beetje voor beide. Ik was vijftien en kan me niet meer precies voor de geest halen hoe ik toen dacht. (44)

De jonge Fleur kiest voor zekerheid en gaat het leven leiden van een vastgeroeste twintiger. Tot ze radicaal kiest voor het wilde leven en haar held achterna gaat. Ze trekt alleen door Afrika, in het spoor van de ontdekkingsreiziger Juan Maria Schuver.

Daar doet ze ontdekkingen. Niet alleen wie haar held is en dat hij ook een broer verloren heeft. Ze ondergaat een historische sensatie en komt daarmee dichter bij zichzelf. In het hisorische centrum van de mythissche slavenhaven staat ze.

Schuver was hier 126 jaar geleden, aan de Nijl, het uiterste punt van zijn gedocumenteerde leven. Hoeveel langer dan 16 augustus 1883, de dagtekening van zijn laatste brief, heeeft hij nog geleefd? Hoeveel verder is hij gekomen? (172)

Schuver gaat zijn eigen haast achterna en dat wordt hem fataal. Iets van die gejaagdheid treft ook Fleur van der Bij. Ze weet het op tijd te remmen.

Daarmee is het boek De Nijl in mij ook een heuse sensatie. Al moet ik erg wennen aan de opening en de vele informatie over de reis zelf. Ze weet je in het verhaal toch te pakken te krijgen en dan laat ze je ook niet meer los.

Fleur van der Bij: De Nijl in mij. Een ontdekkingsreis naar het hart van de waanzin. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij AtlasContact, 2018. ISBN: 978 90 450 3514 7. 256 pag. Prijs: € 19,99.Bestel

27 januari 2018

Onderweg

Voor zijn nieuwe roman Onderweg heeft de Portugese schrijver João Ricardo Pedro een groot treinongeluk als uitgangspunt genomen. Op 11 september 1985 rijden 2 treinen op elkaar op het enkelsporige traject tussen Nelas en halteplaats Alcafache. Het is de grootste treinramp in de Portugese geschiedenis.

De verteller van João Ricardo Pedro’s roman heeft er een groot en indrukwekkend verhaal om geschreven. Een verhaal over de vermissing van een meisje. Ze wordt nooit gevonden en het laat een leegte achter bij de mensen die achterblijven. Is ze er echt niet meer en zou ze niet nog leven?

Het schrille contrast met een ander verhaal van een meisje dat juist rond datzelfde moment een einde aan haar leven maakt. Het geeft de dubbelzinnigheid weer van enerzijds de drive om verder te leven en anderszijds het levensmoe zijn.

De kracht van Onderweg is de verteller João. Hij legt prachtige parallellen. Bijvoorbeeld met het gegeven dat hij uitdrukkelijk niet in de kamer van zijn oudere zus mag komen. Ze is verdwenen en toch durft hij het niet. De hoofdstukken beginnen op een identieke manier, waarbij de schoonmaakster Silvana de kamer van Marta schoonmaakt. Dezelfde volgorde:

Ze opende het raam. Haalde het bed af. Draaide het matras om. Verschoonde de lakens. Verschoonde de kussensloop. Verruilde de dunnere sprei van katoen voor een wollen deken. Stofte de tekentafel. De lamp. De schildersezel. De stoel. De doosjes aquarelverf. De doosjes met gouache. De doosjes met potloden. De doosjes met penselen. Ze stofte de boekenkast en het boek oover Caravaggio. Het boek over Cézanne. Het boek over Hopper. Het boek over Munch. Het boek over Schiele. Het boek over Bosch. Ze stofte een rij muziekcassettes. (65)

Alles waar João niet aan mag komen. Het schoonmaken wordt een ritueel. De paar keer per jaar dat Silvana de kamer schoonmaakt, gaat ze alle voorwerpen af, in vaste volgorde. Het sprei wisselt met de wollen deken in de winter. In het voorjaar komt het sprei weer op bed te liggen. Alsof Marta elk moment kan binnenkomen.

Daarmee is Onderweg een indringend portret van iemand die vermist wordt. Marta is nooit teruggevonden. Alleen haar rugtas. De vertwijfeling of ze echt in die trein zat. Dat weet de verteller buitengewoon mooi, integer en treffend over te brengen.

João Ricardo Pedro: Onderwweg. Oorsponkelijke titel: Um Postal de Detroit. Uit het Portugees vertaald door Pouwels. Amsterdam: Uitgeverij Signatuur, 2017. ISBN: 978 90 5672 582 2. 170 pagina’s. Prijs: € 17,99. Bestel

20 januari 2018

Le Sacre du Printemps

Het beroemde muziekstuk Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky is in 1913 uitgevoerd in Parijs. In zijn roman De spion over Mata Hari refereert Paulo Coelho naar deze beroemde première. Het is de muziekgeschiedenis ingegaan vanwege het moderne karakter van de muziek én de bijbehorende choreografie.

Stravinksy hanteerde een modern klankidioom dat het publiek nog niet gewend was. Maar vooral de vernieuwende choreografie van de danser Vaslav Nijinsky veroorzaakte tumult tijdens de uitvoering. Publiek dat al vanaf de eerste minuut met elkaar op de vuist ging.

De rite van het voorjaar die hier werd opgevoerd, verwijst naar heidense toestanden. De dans is een regelrechte paringsdans, waarvan de erotiek afspat. Je kunt het overigens bij enkele muzikale passages uit dit overdonderende en ritmische werk van Stravinsky ook denken.

Mata Hari had graag bij dit ballet opgetreden als danseres, suggereert de verteller in Paulo Coelho’s roman. Ze vertelt hierin over Astruc, de zoon van een Belgische rabbijn die een theater in Parijs liet bouwen, het Théâtre des Champs-Élysées. Vlak na de opening van dit theater is hier het beroemde dansstuk van Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky hier uitgevoerd. Ze begrijpt deze actie niet, maar hierin klinkt nijd door omdat de choreograaf volgens de verteller een imitatie van haar dans liet zien.

Ik denk liever aan Astruc als iemand die in staat was zijn hele kapitaal op het spel te zetten door een theater te bouwen en dat te openen met Le sacre du printemps, een stuk van een onbekende Russische componitst, wiens naam ik me niet kan herinneren, met in de hoofdrol die idioot van een Nijinski die gewoon een imitatie liet zien van mijn masturbatiescène uit mijn eerste Parijse optreden. (75)

Het is overigens zeer goed voor te stellen dat Astruc dat eerste Parijse optreden van Mata Hari in 1905 heeft bezocht. Daar danste ze voor een elitair Parijs’ publiek in het Musée Guimet.

Het is van de verteller Mata Hari ook boosheid omdat ze op initiatief van dezelfde Astruc bijna met de beroemde danser en choreograaf Nijinski in Milaan zou hebben opgetreden. Ze zou te moeilijk, impulsief en onuitstaanbaar zijn geweest.

Heerlijk zoals de schrijver Paulo Coelho hier 2 legendarische momenten bij elkaar brengt. De tanende danseres Mata Hari en de bijzondere premiere van het muziekstuk Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky.

Bekijk de uitvoering van Le Sacre du Printemps door Leonard Bernstein

Paulo Coelho: De spion. Oospronkelijke titel: A Espiã. Vertaald door Piet Janssen. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij De Arbeiderspers, 2016. ISBN: 978 90 295 1134 6. 176 pagina’s. Prijs: € 12,50. Bestel

19 januari 2018

De spion

Het leven van Mata Hari is eindeloos herschreven en verfilmd. Inspiratiebron voor kunstenaars, schilders, musici en schrijvers. De Spaanse schrijver Paul Coelho heeft zich door het verhaal van de spionne laten verleiden in zijn laatste roman: De spion. Het sluit qua thematiek prachtig aan op het thema van de duivelse spionne die de vijand verleidt.

Of zoals ze het zelf in in een brief aan Maître Clunet schrijft:

Onschuldig ben ik nooit geweest, sinds ik voet heb gezet in deze stad waar ik zo van hou. […] Met de misdaden ik wél begin, waarvan de grootste was dat ik een geëmancipeerde en onafhankelijke vrouw was in een door mannen geregeerde wereld, daarmee kwam ik weg. Maar ik werd veroordeeld voor spionage terwijl de enige concrete informatie die ik vergaarde, roddels waren uit de salons van de high society. (24)

Vervolgens duikt de verteller in het verhaal van de bijzondere danseres uit Friesland. Ze is een intrigerende vrouw. Al beweert ze in haar eigen brief aan het begin van de roman, dat het heel waarschijnlijk is dat haar naam snel vergeten zal zijn.

Niet dus. De roman van Paul Coelho is niet de eerste roman die zich heeft laten inspireren door deze exotische danseres die veel mannenharten op hol heeft gebracht.

Het verhaal van Paul Coelho benadert Mata Hari vanuit verschillende gezichtspunten. Je proeft de nabijheid in haar eigen brieven. Het schuurt tegen melancholie en boosheid in. Het berust allemaal op een misverstand. De poging om haar leven naar zichzelf toe te trekken in de gevaarlijke oorlogstijd wordt haar fataal.

Ze krijgt het niet voor elkaar en is het slachtoffer van verdachtmakingen en beschuldigingen. Dat haar minnaars haar rechters zijn, zorgt ervoor dat de schrijver van de laatste brief in de roman, zich moet uitspreken als de spreker van het Bijbelse Prediker. Op de stoel van de rechter zit de schuldige, terwijl de onschuldige tegenover hem staat.

De chef contraspionage, Ladoux, moest haar wel veroordelen omdat hij al verantwoordelijk werd gehouden voor de Dreyfus. Een gerechterlijke dwaling waar de Fransen zich vandaag nog voor schamen. Dat hij hiermee een nieuwe gerechterlijke dwaling in gang zette, is hem dit keer niet kwalijk genomen. Sterker nog: het Franse volk had in dit stadium van de oorlog behoefte aan een slachtoffer.

Het slachtoffer is Mata Hari. Een vrouw die net zo sterk en overtuigend als Jeanne d’Arc vecht, maar ze draagt de smet op zich dat ze zich inlaat met mannen. En haar charmes inzet om haar doel te bereiken. Overigens krijgt juist Jeanne d’Arc 3 jaar later wel die erkenning. Ze wordt heilig verklaard.

Paulo Coelho: De spion. Oospronkelijke titel: A Espiã. Vertaald door Piet Janssen. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij De Arbeiderspers, 2016. ISBN: 978 90 295 1134 6. 176 pagina’s. Prijs: € 12,50. Bestel

Lees het vervolg: Le Sacre du Printemps »

06 januari 2018

De slinger van Foucault

Het interview van Cees Nooteboom met de Italiaanse schrijver Umberto Eco maakte me al erg nieuwsgierig naar De slinger van Foucault. Nooteboom spreekt Eco kort voor het verschijnen van dit bijzondere boek. De slinger van Foucault is een intrigerende ideeënroman, boordevol met interessante bevindingen en geheimen.

De roman behandelt het onderwerp van de Tempeliers en zal uiteindelijk terechtkomen bij de huidige vrijmetselarij. Waar komen de Tempeliers vandaan, wat hebben ze te maken met de Ridders van de kruistochten en stammen ze inderdaad van de Joodse hogepriester-families af? En hebben zij inderdaad de kathedralen van Chartres en Amiens gebouwd?

Vragen zonder antwoord

Allemaal vragen waarvan het antwoord een raadsel is. Zo blijven veel dingen tot op de dag van vandaag onduidelijk. Schrijvers als Dan Brown spinnen daar garen bij. Ze hebben de raadsels verpakt in nieuwe raadsels. De antwoorden die deze schrijvers geven, zijn meer gericht op effectbejag dan op een de waarheid.

De slinger van Foucault gaat veel verder in mijn beleving. Dat is een roman die de raadsels laat staan, maar wel aanstipt en mogelijke oplossingen aandraagt. Het geeft de Tempeliers een grotere waarde en vervult je als lezer van het geheim dat hier genoemd wordt. De antwoorden liggen in de taal, in documenten en in de verhalen die aan bod komen in deze grootse roman.

10 sefirot

De indeling van het boek verdient respect. De roman is gebaseerd op de 10 sefirot. Deze levensboom met wijsheden van de hermetische kabbalisten bevat 22 paden van wijsheid, die tussen de 10 attributen liggen. Elk attribuut staat symbool voor iets waarmee God de wereld heeft geschapen.

De hoofdpersoon Casaubon vindt de 10 sefirots bij de computer van zijn overleden vriend Jacubo Belbo. De sefirots geven hem uiteindelijk toegang tot de computer:

Plotseling trof me de centrale nimbus, goddelijke zetel. De Hebreeuwse letters waren erg duidelijk, ze waren zelfs vanuit de stoel zichtbaar. Maar Belbo kon met Abulafia geen Hebreeuwse letters schrijven. Ik keek aandacht: ik kende de letters, ja, van rechts naar links, jod, he, vav, he. JHVH de naam van God. (37)

Gedurende het verhaal worden verschillende gedachten van Belbo met de lezer gedeeld. Ze worden gepresenteerd als lange citaten die de verteller gevonden heeft op de computer van zijn vriend.

Daarmee is het werkelijk een prachtig boek om te lezen, alleen is het bijna niet na te vertellen. Want waar gaat het boek over? Als ik het lees, voel ik bijna dezelfde verbondenheid met de kosmos en het Plan erachter. Als ik het terzijde leg, verdwijnen de gouden ingevingen.

Mogelijk is dat ook wel het boek: een eindeloze stroom van gedachten die prachtig in elkaar haken en een logische redenering vormen. In die zin een postmodernistisch werk, ten top. De betekenis leg je er als lezer zelf in op het moment dat je het leest. Het boek helpt heel mooi om het aan te grijpen als basis voor je eigen gedachten en ingevingen.

Iets dat een schrijver als Dan Brown juist niet lukt. Hij behandelt hetzelfde onderwerp, alleen dan in een detectivevorm. Umberto Eco laat het idee meer het idee en kent er geen waarheid aan toe. Zelfs niet binnen het werk zelf. De betekenisgeving doe je als lezer en die blijft ook bij je als lezer. Daarmee is De slinger van Foucault een waanzinnig geheimzinnig boek waar je helemaal in kunt verdwalen.

Umberto Eco: De slinger van Foucault. Oorspronkelijke titel: Il pendolo di Foucault (1988). Nederlandse vertaling Yond Boeke en Patty Krone. 11e druk. Amsterdam: Ooievaar Pockethouse, 1996. ISBN: 978 90 4461 8679. Prijs: € 8,99. 664 pagina’s.Bestel

05 januari 2018

De klokkenluider een historische roman?

Is De klokkenluider van de Notre-Dame een historische roman? Zeker het verhaal speelt in januari 1482. De opening begint op Driekoningen én het Narrenfeest. Het is dubbel feest en de dichter Gringoire heeft het toneelstuk geschreven dat wordt opgevoerd.

De verteller plaatst zich regelmatig buiten de tijd met verwijzingen buiten de roman. Hij doet dit soms terloops en met humor. Bijvoorbeeld als hij met een spreekwoord verwijst naar de nieuwe wereld, die pas 13 jaar later ontdekt zal worden door Columbus.

Gringoire ziet een optreden van het zigeunermeisje Esmeralda en haar geitje Djali. Hij wil haar rijkelijk belonen, maar hij heeft niks. Het zweet gutst van zijn voorhoofd als ze langskomen om geld op te halen voor het straatoptreden.

Als hij heel Peru in zijn zak had gehad, zou hij dat zeker aan de danseres hebben gegeven, maar Gringoire had Peru niet, en Amerika was trouwens nog niet eens ontdekt. (76)

Een speelse verwijzing naar de moderne tijd die de verteller vertegenwoordigd. Ook maakt de verteller toespelingen op de verdwijning van de koningengalerij aan de voorgevel van de kathedraal. De 28 koningen werden na de revolutie in 1789 gezien voor de Franse koningen. Dit hardnekkige beeld, hangt ook in het hoofd van de verteller.

Na publicatie van Victor Hugo’s roman is ontdekt dat het de beelden van de Bijbelse koningen van Juda waren. Uiteraard zijn de middeleeuwen mans genoeg om hier een indirecte verwijzing naar iets anders te maken, zoals de koningen van Frankrijk. Hier hoeft de verteller dus niet per sé fout te zijn.

Volgens de verteller zijn er 3 vormen van onttakeling:

Op de ruïnese kan men drie soorten kwetsuren onderscheiden, die elk een specifieke diepte verotnne: ten eerste de tijd, die her en der gevoelloos heeft toegeslagen en vooral het oppervlak heeft aangetast; dan de politieke en godsdienstige omwentelingen, die met de hun eigen blindheid en furie de kerken te lijf gingen, de rijke ornamentatie met beeldhouwwerk en snijwerk vernielden, de roosvensters stuksloegen, de serranden van arabesken en figuurtjes kapotmaakten en de beelden verbrijzelden, de nee keer vanwege hun mijter, de andere vanwege hun kroon; en als laatste de bouwkundige modes, die steeds onwaarschijnlijker en dwazer werden en die, na de anarchistische en briljante zijsprongen van de renaissance, het onontkoombare pad van de decadentie bleven volgen. (126)

In onze tijd kunnen we aan de door de verteller genoemde revoluties ook oorlogen toevoegen. Oorlogen hebben veel bouwwerken verwoest. In Nederland zijn het bijvoorbeeld de Rotterdamse Laurenskerk en in Arnhem in de Eusebiuskerk die door oorlogsgeweld zijn vernietigd.

De beschadigde beelden bij de beeldenstorm zijn nog altijd in de Utrechtse Domkerk te zien. De beschadigingen zijn zelf monumenten geworden. Het is echter niet de ergste verwoesting. De verwoestingen van oorlog, geweld en de tijd, wegen niet op tegen de derde en laatste verwoesting: architecten.

Met de verteller ben ik het eens dat de grootste bedreiging de architecten zijn. Zij verwoesten met hun visionaire inzichten mooie bouwwerken. Je ziet het tegenwoordig vooral op het terrein van stadsgezichten en stadscentra. Genadeloos moeten bouwwerken uit het verleden plaatsmaken door hedendaagse inzichten. Gepresenteerd als verbetering maar meer een uiting van machteloosheid. Wat onze voorouders hebben gebouwd kunnen wij met geen mogelijkheid meer bouwen.

Daarmee is De klokkenluider van de Notre-Dame meer een ideeënroman dan een historische roman. Het speelt in het verleden, maar de gedachten van het heden dringen voortdurend door de tekst heen. Het overtuigt mij ook van de schoonheid van dit boek. Een boek dat een eerbetoon is aan de kathedraal. Maar waar het verhaal als kroon (of mijter) prachtig uitsteekt.

Victor Hugo: De klokkenluider van de Notre-Dame. Oorspronkelijke titel: Notre-Dame de Paris [1832]. Vertaald door Willem Oorthuizen met een nawoord van Jan van Aken. Amsterdam: Atheneum – Polak & Van Gennep, 2011. ISBN 978 90 253 6872 2. 576 pagina’s. Prijs: € 35.Bestel

21 november 2017

Ronde Maaskamer - Dagje Dordrecht (5)

De ronde Maaskamer in het Patriciërshuis aan de Wolwevershaven van Dordrecht is wel het meest overweldigend. Onbetwist is dit de pronkkamer van het huis en een uiterst verstandige beslissing geweest van een latere bewoner om het prachtige uitzicht vanaf deze mooie plek in Dordrecht optimaal te benutten.

Doris gaat heerlijk op de vloer zitten en kijkt zo aandachtig naar het wisselende uitzicht. Al die langsvarende binnenvaartschepen en in de hemel de voortdurende veranderingen van de wolkenhemel, geven deze plek een continue stroom van beweging en beleving.

Het hartelijke ontvangst en de buitengewoon sfeervolle inrichting van het huis doen de rest. Je voelt je welkom en het huis voelt ontzettend goed aan. Ergens ben je geneigd om te wensen dat je er langer mag blijven en misschien lekker in bed kan kruipen om er te overnachten.

Zo verlaten we Dordrecht weer. Zeker, we hadden nog een paar andere musea willen bezoeken, waaronder het Dordrechts Museum of het Hof van Nederland waar de kiem ligt van het hedendaagse Nederland. Allemaal dingen waar we langsgelopen zijn.

Gelukkig hebben we wel aandacht voor de kiem van de familie De Wit. Hier in Dordrecht bestierden de De Witten jarenlang de stad. De 2 zonen van Jacob, Johannes en Cornelis hebben het land vanuit Den Haag geregeerd, tot ze in 1672 noodlottig ten einde kwamen door het gepeupel. Een standbeeld midden in de binnenstad doet aan deze 2 broers herinneren.

Daarmee is Dordrecht meer dan interessant voor een dagje weg. Eigenlijk kun je er zo meerdere daagjes doorbrengen. Buiten het feit dat bijvoorbeeld in de Grote of Onze Lievevrouwekerk een buitengewoon puik orgel staat en een toporganist speelt. Een weekendje Dordrecht zal daarmee zeker geen straf zijn.

20 november 2017

Schilderijen van Kuipers - Dagje Dordrecht (4)

Het andere dat in het Patriciërshuis aan de Wolwevershaven buitengewoon de aandacht trekt, zijn de schilderijen van de Dordtse schilder Cornelis Kuipers, kunst gemaakt aan het eind van de 18e eeuw. De schilderijenverzameling is per ongeluk ontstaan omdat in het huis 2 haardstukken van zijn hand zijn.

De laatste familie die dit huis bewoonde, besloot hierop meer werk van hem te verzamelen. Ze hebben een aantal indrukwekkende schilderijen bij elkaar gekregen, waarvan de 2 bloemstillevens in de voorkamer rechts wel het mooiste zijn.

De fijnschilderkunst beheerst Kuipers tot in de kleinste details. De verzameling kleine dieren, spinnen, wespen en zelfs de doodshoofdvlinder, zijn uiterst precies uitgevoerd. Erg indrukwekkende schilderijen die in de kamer voor hangen. Ook in dit veel kleinere huis, is er een mooie gang die het huis in midden deelt. Achterin buigt hij af naar de 18e eeuwse stijlkamer, de Maaskamer.

Dit huis kenmerkt zich vooral door de prachtige, heldere kleuren. Het geeft de bezoeker een heel prettig gevoel. Ook in combinatie met het heldere licht die de rivier in het huis lijkt te geven.

Op de eerste etage is ruimte voor een tentoonstelling. Bij ons bezoek is dat een uitgebreide expositie over tabak. De hartelijke conservator die de voorwerpen nog aan het rangschikken is, de mensen die de voorwerpen in bruikleen hebben gegeven, hadden nog verbeterpunten, vertelt over de snuifdoosjesverzameling van Napoleon.

De Franse dictator zou er bekend om hebben gestaan dat als iemand hem een snuifje aanbood, het doosje adequaat in zijn zak te steken. En daar durft natuurlijk niemand iets van te zeggen. Ook zie ik nog een paar indrukwekkende tabakspotten. Ik herinner mij dat ik ook ooit eentje heb gehad.

Verder veel pijpen, waaronder een aantal Goudse en andere soorten pijpen die in de 18e en 19e eeuw populair waren. Een interessante expositie, waarbij het mij vooral verwondert hoe snel het tabak uit ons dagelijkse leven verdwijnt.

Lees morgen het laatste deel van Dagje Dordrecht: Ronde Maaskamer

19 november 2017

Patriciërshuis - Dagje Dordrecht (3)

Als we weer buiten staan, wil ik graag nog even naar het Havenhoofd lopen voor het uitzicht over de rivier en de driesprong die Dordrecht gemaakt heeft. Het typische Hollandse landschap bereikt hier namelijk wel zijn hoogtepunt. Wat ik niet weet, is dat hier vlakbij een prachtig woonhuis staat dat toegankelijk is voor publiek. Sterker nog: met de Museumkaart kom je erin.

Het wordt gerund door enthousiaste vrijwilligers. Je gaat hier echt op bezoek. Is Huis van Gijn een woonhuis dat sterk museaal is ingericht, compleet met hekjes en draadjes die je tegenhoudt om de hele ruimte te kunnen betreden. Dit woonhuis is een echt avontuur om binnen te wandelen. Je bent hier namelijk gewoon op bezoek.

De naam van het museum aan de Wolwevershaven 9: Het Dordts Patriciërshuis, Museum aan de Maas. Je beklimt hier de entree om bij de voordeur te komen en belt dan aan. Zoals bij een echt woonhuis word je binnengelaten, alsof je bij een kennis langsgaat. De jas wordt keurig opgehangen en je krijgt een rondleiding door het huis.

In tegenstelling tot het Huis van Gijn is dit huis qua stijl ingericht naar de ontstaanstijd van het huis, de 18e eeuw. Het interieur is zoveel mogelijk teruggebracht in deze stijl door de laatste bewoners. De laatste bewoners die leven ook gewoon nog. Sterker nog in een videofilm op zolder vertellen de jonge kinderen hoe zij het ervaren hebben om in zo’n museaal en monumentaal huis te wonen.

Het mooiste onderdeel van het huis: de 18e eeuwse stijlkamer, de Maaskamer met zicht op het drierivierenpunt van Dordrecht, het drukstbevaarde water van Europa. De Maaskamer is veruit het prachtigste deel van het huis. Zuiver rond van binnen, zelfs de deur en de ramen buigen met de cirkel van de kamer mee.

Het uitzicht vanuit deze kamer op het drierivierenpunt is overweldigend. Waar de Merwede zich splitst in de Oude en de Nieuwe Maas zorgen de wolkenhemel en de vele schepen die langsvaren voor een iedere keer weer ander uitzicht. Prachtig, een kamer om niet snel te vergeten.

Lees morgen het 4e deel van het Dagje Dordrecht: Schilderijen van Kuipers

18 november 2017

Huis van Gijn - Dagje Dordrecht (2)

Na het Nationaal Onderwijsmuseum voert de tocht naar de binnenstad van Dordrecht. Een prachtige binnenstad, zo ontdekken we snel. Wij gaan vandaag de huizen in. Op het prachtige havenhoofd, de Nieuwe Haven, zijn 2 oude woonhuizen die voor het publiek toegankelijk zijn.

Het eerste van de familie Van Gijn is aan de Nieuwe Haven 29. Het is een indrukwekkend en groot pand met een grotendeels 19e eeuws interieur. Er zijn wel oudere elementen, maar de toestand is teruggebracht in de situatie van de laatste bewoner die tot 1922 in het huis woonde.

De gang in het midden meet het formaat van een galerij, loopt mooi van voor naar achteren. Dit refereert wel naar de oude koopmanshuizen, die dit huis natuurlijk van origine was. Het interieur is in de loop van de eeuwen meeveranderd met de bewoners van het huis.

Aan weerszijden van deze gang staan veel klokken en bevinden zich achter de deuren diverse vertrekken. De pronkkamer, een ontvangstkamer voor gasten en daarnaast ook een eetkamer en een mooie, intieme tuinkamer. Het is een indrukwekkend pand, met hoge plafonds, rijk gedecoreerd en veel grandeur.

Veel contrast boven met slaapkamers en andere vertrekken. De bibliotheek is erg mooi, net als de imposante goudleerkamer. Alleen zou ik nooit die groene lapjes ophangen om het stof uit de boeken te houden. Verder bevat het gigantische woonhuis op zolder veel vertrekken met een praktisch doel, zoals de waskamers.

De zolder is in vroeger tijden vooral gebruikt voor het mangelen, persen en drogen van de was. Op de opperste zolder vind je een gigantische speelgoedverzameling van treinen, zeilboten en heel veel poppen. De draaimolen springt in het oog, net als het levensechte winkeltje.

Het is wel mooi hoe het Huis van Gijn is ingericht. Echt als een 19e eeuws woonhuis waarin de kamers hun oude, functies hebben behouden. Het aangrenzende huis is gebruikt voor alle museale ruimtes en trappenhuis met lift. Zo blijft het eigenlijke huis al deze rompslomp bespaard.

Lees morgen deel 3 van het Dagje Dordrecht: Het Patriciërshuis