Posts tonen met het label historische roman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label historische roman. Alle posts tonen

24 februari 2018

De ommegang

Arriveert vandaag een prachtig boek van Jan van Aken met de veelbelovende titel De ommegang. Ik volg Jan van Aken al een tijdje, ben zijn eerste recensent en heb vrijwel zijn hele oeuvre gelezen.

In december las ik op zijn advies Victor Hugo’s roman De klokkenluider van de Notre-Dame. Een boek dat veel bewerkt is in film en musical. Zelfs Disney gaf er zijn eigen fantasievolle draai aan. Maar het lezen van dit werk was voor mij een openbaring. Het is een prachtig boek opgebouwd als een kathedraal, grillig, grimmig en fascinerend.

Het verduidelijkte voor mij wel heel veel van de schrijver Jan van Aken. Hij bedient zich bijna van dezelfde fantastische schrijverij als Victor Hugo. Aan mij openbaarde zich bij het lezen van deze klassieke roman een andere kant van Jan van Aken.

In de correspondentie verraadde Jan van Aken al een beetje waarover zijn nieuwe roman gaat. Het is een veelbelovend verhaal dat aan het einde van de middeleeuwen speelt. Al bestaat er bij Jan van Aken geen middeleeuwen en zeker geen donkere middeleeuwen. Het is de tijd waarin de kathedralen zijn en worden opgericht.

Een nieuwe tijd in Europa waarbij in alle West-Europese landen enorme godshuizen verrijzen. Het is de tijd waarin door de kruistochten weer contact is ontstaan met het Midden-Oosten. Een veelbetekenend contact, want door deze reizen is er veel veranderd. Zodoende is deze periode een onuitputtelijke tijd om over te schrijven en te fantaseren. En dat kan Jan van Aken als de beste.

Ik ben dus even aan het lezen… Binnenkort zal ik het boek hier bespreken…

Vanaf dinsdag ligt de roman De ommgang van Jan van Aken in de boekwinkel.

Jan van Aken: De ommegang. Amsterdam: UItgeverij Querido, 2018. ISBN: 978 90 214 0393 9. 628 pagina’s. Prijs: € 22,50. Bestel

05 januari 2018

De klokkenluider een historische roman?

Is De klokkenluider van de Notre-Dame een historische roman? Zeker het verhaal speelt in januari 1482. De opening begint op Driekoningen én het Narrenfeest. Het is dubbel feest en de dichter Gringoire heeft het toneelstuk geschreven dat wordt opgevoerd.

De verteller plaatst zich regelmatig buiten de tijd met verwijzingen buiten de roman. Hij doet dit soms terloops en met humor. Bijvoorbeeld als hij met een spreekwoord verwijst naar de nieuwe wereld, die pas 13 jaar later ontdekt zal worden door Columbus.

Gringoire ziet een optreden van het zigeunermeisje Esmeralda en haar geitje Djali. Hij wil haar rijkelijk belonen, maar hij heeft niks. Het zweet gutst van zijn voorhoofd als ze langskomen om geld op te halen voor het straatoptreden.

Als hij heel Peru in zijn zak had gehad, zou hij dat zeker aan de danseres hebben gegeven, maar Gringoire had Peru niet, en Amerika was trouwens nog niet eens ontdekt. (76)

Een speelse verwijzing naar de moderne tijd die de verteller vertegenwoordigd. Ook maakt de verteller toespelingen op de verdwijning van de koningengalerij aan de voorgevel van de kathedraal. De 28 koningen werden na de revolutie in 1789 gezien voor de Franse koningen. Dit hardnekkige beeld, hangt ook in het hoofd van de verteller.

Na publicatie van Victor Hugo’s roman is ontdekt dat het de beelden van de Bijbelse koningen van Juda waren. Uiteraard zijn de middeleeuwen mans genoeg om hier een indirecte verwijzing naar iets anders te maken, zoals de koningen van Frankrijk. Hier hoeft de verteller dus niet per sé fout te zijn.

Volgens de verteller zijn er 3 vormen van onttakeling:

Op de ruïnese kan men drie soorten kwetsuren onderscheiden, die elk een specifieke diepte verotnne: ten eerste de tijd, die her en der gevoelloos heeft toegeslagen en vooral het oppervlak heeft aangetast; dan de politieke en godsdienstige omwentelingen, die met de hun eigen blindheid en furie de kerken te lijf gingen, de rijke ornamentatie met beeldhouwwerk en snijwerk vernielden, de roosvensters stuksloegen, de serranden van arabesken en figuurtjes kapotmaakten en de beelden verbrijzelden, de nee keer vanwege hun mijter, de andere vanwege hun kroon; en als laatste de bouwkundige modes, die steeds onwaarschijnlijker en dwazer werden en die, na de anarchistische en briljante zijsprongen van de renaissance, het onontkoombare pad van de decadentie bleven volgen. (126)

In onze tijd kunnen we aan de door de verteller genoemde revoluties ook oorlogen toevoegen. Oorlogen hebben veel bouwwerken verwoest. In Nederland zijn het bijvoorbeeld de Rotterdamse Laurenskerk en in Arnhem in de Eusebiuskerk die door oorlogsgeweld zijn vernietigd.

De beschadigde beelden bij de beeldenstorm zijn nog altijd in de Utrechtse Domkerk te zien. De beschadigingen zijn zelf monumenten geworden. Het is echter niet de ergste verwoesting. De verwoestingen van oorlog, geweld en de tijd, wegen niet op tegen de derde en laatste verwoesting: architecten.

Met de verteller ben ik het eens dat de grootste bedreiging de architecten zijn. Zij verwoesten met hun visionaire inzichten mooie bouwwerken. Je ziet het tegenwoordig vooral op het terrein van stadsgezichten en stadscentra. Genadeloos moeten bouwwerken uit het verleden plaatsmaken door hedendaagse inzichten. Gepresenteerd als verbetering maar meer een uiting van machteloosheid. Wat onze voorouders hebben gebouwd kunnen wij met geen mogelijkheid meer bouwen.

Daarmee is De klokkenluider van de Notre-Dame meer een ideeënroman dan een historische roman. Het speelt in het verleden, maar de gedachten van het heden dringen voortdurend door de tekst heen. Het overtuigt mij ook van de schoonheid van dit boek. Een boek dat een eerbetoon is aan de kathedraal. Maar waar het verhaal als kroon (of mijter) prachtig uitsteekt.

Victor Hugo: De klokkenluider van de Notre-Dame. Oorspronkelijke titel: Notre-Dame de Paris [1832]. Vertaald door Willem Oorthuizen met een nawoord van Jan van Aken. Amsterdam: Atheneum – Polak & Van Gennep, 2011. ISBN 978 90 253 6872 2. 576 pagina’s. Prijs: € 35.Bestel

19 oktober 2016

Dante

img_20161010_205311.jpgDe verteller Adson in de roman De naam van de roos speelt heel leuk met een paar gegevens. Bijvoorbeeld over de verschijning van de Goddelijke komedie van Dante Alighieri. De verteller, de monnik Adson, vertelt hierover het volgende:

Iemand had mij zelfs verteld dat de grootste dichter van die tijd, Dante Alighieri uit Florence, die een paar jaar tevoren was gestorven, een gedicht had geschreven (dat ik niet kon lezen omdat het in de Toscaanse volkstaal was geschreven) waarin hemel en aarde de hand hadden gehad en waarvan vele verzen niets anders waren dan een parafrase van fragmenten van Umbertino’s Arbor vitae crucifixae. (57)

In gesprek met frater William komt Dante verderop weer voorbij. William heeft het over Roger Bacon en zegt dat geleerden niet meer geestelijken zijn. De grootste filosoof van hun tijd is niet een monnik, maar een apotheker. Het is de Florentijn Dante. Zijn naam blijft ongenoemd. Ook William waagt zich niet aan het meesterwerk van de Florentijnse apotheker:

Ik heb het nooit gelezen omdat ik zijn volkstaal niet begrijp, en voor zover ik er iets van weet, denk ik dat het me maar weinig zou bevallen, want hij bazelt over dingen die zeer ver van onze ervaring af staan. Maar hij heeft geloof ik de meest geleerde dingen gescheven die ons verstand kan vatten over de aard van de elementen en van de gehele kosmos, en over het besturen van staten. (216)

Weer een mooie verwijzing naar de eerste Italiaanse literator. De monniken zijn er niet zo enthousiast over. Ze beweren dat zij alleen het Latijn machtig zijn en niet de Italiaanse volkstaal. Het weerhoudt ze om het bijzondere boek te gaan lezen.

De werken die zij noemen, waaronder Bacon en Umbertino, kennen wij nauwelijks. Terwijl de Goddelijke komedie van Dante eindeloos veel genoemd wordt in boeken. Het lijkt soms wel het meest genoemde boek in boeken te zijn. Zoals hier in dit boek De naam van de roos van Umberto Eco.

Umberto Eco: De naam van de roos. Oorspronkelijke titel: Il nome della Rosa, Postille a ‘ll nome della Rosa’ Vertaald door Jenny Tuin, Pietha de Voogd en Henny Vlot. 36e druk. Amsterdam: Ooievaars Pockethouse, 1996 [1983, 1e druk]. ISBN: 90 5713 117 X. 582 pagina’s. Prijs: € 15 Bestel

18 oktober 2016

De ademhaling van de roman

img_20161010_205425.jpgInteressant bij de uitgave van Umberto Eco’s roman De naam van de roos die ik bezit, zijn een paar postscriptums achter het eigenlijke verhaal. Hierin geeft de schrijver enkele toelichtingen over zijn boek.

Vanuit de literatuurwetenschap is het eigenlijk ‘not done’ om de auteur over zijn boek te laten spreken. Het veroorzaakt eigenlijk alleen maar verwarring. Vooral omdat de schrijver altijd zal proberen om zijn bedoeling er dik op te leggen. Wat hij eigenlijk had willen schrijven is natuurlijk helemaal niet zo interessant ten opzichte van wat hij geschreven heeft.

In het geval van De naam van de roos neemt Umberto Eco een leuke positie in. Hij vindt namelijk dat een auteur niet moet interpreteren en dat hij die betekenistoekenning graag aan zijn lezers overlaat. Toch geeft hij een aantal interessante leessuggesties.

Hij begint bijvoorbeeld met de opmerking van zijn uitgever dat het boek 100 pagina’s te lang zou zijn. Er zou teveel inleiding zijn. De eerste 100 bladzijden zijn taai om door te komen. Zou hij ze niet beter kunnen schrappen?

Ik twijfelde geen moment, dat weigerde ik, want, zo beweerde ik, als iemand de abdij wilde binnengaan en er zeven dagen wilde leven, moest hij er het ritme van accepteren. Dus de eerste honderd bladzijden hadden de functie van boetedoening, een initiatie, en wie daar geen zin in heeft, jammer, die blijft maar aan de voet van de heuvel. (545)

Daarna vergelijkt Eco het lezen van een roman als het maken van een bergtocht:

[J]e moet leren op een bepaalde manier te ademen en met een bepaalde pas te lopen en met een bepaalde pas te lopen, anders kun je meteen niet meer verder. (545)

Een prachtige vergelijking, waarbij hij de poëzie haalt. Ook poëzie vraagt om een bepaalde leeshouding. Soms kom je er heel snel in, maar vaak is het moeilijker. Ook moet je niet alles willen interpreteren en gewoon laten gaan. De voordracht is bij poëzie immens belangrijk. Het is de ademhaling van de tekst.

Daarbij komt Eco tenslotte tot een verhandeling over de ademhaling van de roman. Die ligt niet zozeer in zinnen, alswel in de grotere brokken van de hoofdstukken en delen. Voor De naam van de roos geldt dit ook. Het is een kwestie van versnellen en vertragen.

Umberto Eco haalt als voorbeeld de scene aan waarin Adson de liefde bedrijft. Het vertelritme van Eco van deze liefdescene komt overeen met het tikken van de vingers op het toetsenbord. Alsof het een trom is waarop de verteller de liefdesgeschiedenis vertelt.

Umberto Eco: De naam van de roos. Oorspronkelijke titel: Il nome della Rosa, Postille a ‘ll nome della Rosa’ Vertaald door Jenny Tuin, Pietha de Voogd en Henny Vlot. 36e druk. Amsterdam: Ooievaars Pockethouse, 1996 [1983, 1e druk]. ISBN: 90 5713 117 X. 582 pagina’s. Prijs: € 15 Bestel

13 oktober 2016

Het labyrint

img_20161010_205323.jpgDe kloosterbibliotheek in de roman De naam van de roos van Umberto Eco is een heus labyrint. Het is een ondoordringbaar gebouw met aaneengesloten kamers en die slechts 1 richting op gaan of doodlopen. De oude grijsaard Alinardo brengt ze op het idee met zijn opmerking dat de bibliotheek een labyrint is:

‘Hunc mundum tipice laberinthus denotat ille,’ citeerde de grijsaard in gedachten verzonken. ‘Intranti largus, redeunti ses nimis artus. De bibliotheek is een groot labyrint, teken van het labyrint van de wereld. Je gaat er binnen en je weet niet of je eruit komt. Men dient de zuilen van Heracles niet te schenden…’ (167)

William en Adson weten in de 2e nacht het gebouw binnen te komen. Ze dreigen te verdwalen in het stelsel van deuren en gangen. De ramen die ze menen dat het gebouw heeft, blijken binnen in het gebouw extra lastig te ontraadselen. Daarbij speelt de donkere nacht waarin ze door de bibliotheek dwalen extra parten.

Dan overdenkt de intelligente frater William hoe de bibliotheek mogelijk is opgebouwd. Ze rekenen vanuit de 8-hoekige luchtkoker in het midden van het gebouw. Ze komen tot een bibliotheek met 56 vertrekken, waarvan 4 7-hoekig en 52 min of meer 4-hoekig.

Volgens William is de bibliotheek geconstrueerd volgens een hemelse harmonie, met 4 torens waar in elke toren 5 vertrekken zitten met 4 zijden en 1 met 7. Ze tekenen een plattegrond waarmee ze de geheimen van de bibliotheek proberen te ontsluiten. Het is moeilijker dan ze denken.

Het raadsel ontvouwt zich in de taal, de letters boven de deuren die samen een woord vormen en daarmee het thema van die kamers. William wordt helemaal blij van alle boeken die hij bij het schamele licht leest. Het houdt hem bijna af van zijn werk om het grotere raadsel van het boek op te lossen.

Umberto Eco: De naam van de roos. Oorspronkelijke titel: Il nome della Rosa, Postille a ‘ll nome della Rosa’ Vertaald door Jenny Tuin, Pietha de Voogd en Henny Vlot. 36e druk. Amsterdam: Ooievaars Pockethouse, 1996 [1983, 1e druk]. ISBN: 90 5713 117 X. 582 pagina’s. Prijs: € 15 Bestel

11 oktober 2016

De naam van de roos

img_20161010_205304.jpgDe Middeleeuwen, kloosters en monniken. Doris is er erg mee bezig en ik besluit inspiratie te halen uit de Umberto Eco’s roman De naam van de roos. Een bijzondere titel die pas helemaal aan het eind van de roman duidelijk wordt. Het is een boek die ik al heel lang wil lezen.

De verteller van het verhaal is de oude monnik Adson. Hij schrijft de oude geschiedenis op die hij beleefde met de franciscaanse frater William. Ze bezoeken het klooster in Melk. Het is Adson onduidelijk wat de precieze missie van zijn leermeester is, maar als ze aankomen in Melk blijkt dat er een raadselachtige dood is van een monnik.

Hij is buiten gevonden in de sneeuw. Het is onduidelijk of hij uit een raam is gevallen of dat er iets anders is gebeurd. William en Adson gaan op onderzoek uit. William hoopt meteen iets meer te kunnen zien in Melk, namelijk de fraaie kloosterbibliotheek. Hij zegt dit als hij de opdracht krijgt om de dood van de monnik te onderzoeken:

‘Maar ik zal vandaag nog beginnen, voordat de monniken horen welke opdracht u mij hebt gegeven. Bovendien zou ik, en dat is niet de onbelangrijkste reden van mijn komst hier, bijzonder graag uw bibliotheek bezoeken, waarover in alle abdijen van de christelijke wereld met bewondering wordt gesproken.’
De abt kwam haast met een ruk overeind, zijn gezicht strak en gespannen. ‘U kunt gaan en staan war u wilt in de abdij, heb ik gezegd. Maar beslist niet op de bovenste verdieping van het Hoofdgebouw, in de bibliotheek.’ (43)

Als William vraagt waarom hij er niet mag komen, spreekt de abt zich in vage termen uit. Op de bibliotheek rust een verbod voor alle monniken, alleen de bibliothecaris mag er komen. De toegang is beperkt tot hem, waarbij het geheim waar alle boeken zich bevinden, wordt overgedragen van bibliothecaris op bibliothecaris.

De roman van Umberto Eco wordt niet alleen ontzettend spannend door de speurtocht naar de oorzaak van de raadselachtige moorden. Ook draait het in De naam van de roos om de toegang tot de bibliotheek. Het zoeken naar boeken en vooral het labyrint waarin de boeken zich bevinden, maken het verhaal extra spannend.

Umberto Eco: De naam van de roos. Oorspronkelijke titel: Il nome della Rosa, Postille a ‘ll nome della Rosa’ Vertaald door Jenny Tuin, Pietha de Voogd en Henny Vlot. 36e druk. Amsterdam: Ooievaars Pockethouse, 1996 [1983, 1e druk]. ISBN: 90 5713 117 X. 582 pagina’s. Prijs: € 15 Bestel

04 juli 2016

Goldberg

In de roman Goldberg geeft Bert Natter 2 aspecten een mooie rol: de stad Dresden en de klavecimbelspeler Johann Gotlieb Goldberg. Het boek is een ode aan de stad Dresden en tegelijkertijd aan de componist Johann Sebastian Bach. Zijn beroemde Aria mit 30 Veränderungen heeft de naam van de klavecimbelspeler Goldberg gekregen.
Dat is te danken aan de eerste biograaf van Bach, Forkel die beweert dat de graaf Keyserlingk bedlegerig was en de 14-jarige Goldberg vroeg om voor hem te spelen. De graaf zou in die tijd Bach hebben gevraagd om muziek voor Goldberg te schrijven, zodat zijn slapeloze nachten enigszins zouden worden opgevrolijkt.

Natter speelt met deze notitie van Bachs eerste biograaf in zijn roman Goldberg. Hij maakt daarmee een heel nieuwe creatie in zijn werk, dat doordrongen is van een magisch realisme. De hoofdpersoon van de roman, Bas Lesage, raakt helemaal vervuld van Goldberg. Zo sterk zelfs dat hij met zijn held door de stad Dresden loopt en daarmee in het rijke, barokke verleden van de stad terechtkomt. Letterlijk.

De lijn tussen fantasie en werkelijkheid raakt steeds vager gedurende de roman. Allerlei gebeurtenissen laten zich niet met elkaar rijmen. Zoals de bijzondere gewaarwording van de musicoloog Sebastian Savage, zoals Bas Lesage zich noemt op de kaft van zijn boek. Hij krijgt een brief uit Duitsland om wat meer over Goldberg te weten te komen. Dit is het begin van een mysterie.

De uitnodiging blijft jaren liggen, maar kort nadat zijn zus Heleen overlijdt, gaat hij toch naar Dresden. Net te laat, zo blijkt. Zijn informant is net overleden en volgens de gastvrouw, mevrouw Loveday, is Bas Lesage nog net op tijd.

‘Meneer Weiß heeft er nooit aan getwijfeld dat u zou komen. Hij stief in de gelukkige overtuiging dat u op tijd zou zijn en u bent op tijd.’ Ze kijkt op haar horloge, alsof het een kwestie van minuten of seconden was. ‘Niet voor hem, maar wel voor zijn verzameling.’ (141)

Vervolgens krijgt Bas Lesage precies een nacht de tijd om kennis te nemen van de grote bibliotheek van meneer Weiß. In een mapje staan de aanwijzingen voor hem welke boeken hij ter hand moet nemen. Het is het begin van een speurtocht. Als hij de volgende morgen wakker wordt, is alles opgehaald.

Door het boek heen spelen de variaties van Johann Sebastian Bach een prachtige rol. Ze klinken tussen de regels door en je hoort ze in de vele uitvoeringen die er zijn van Glenn Gould tot aan Gustav Leonardt. Uitvoeringen van een meesterwerk die de ik-verteller Bas Lesage naar zich toe probeert te halen door Goldberg te vinden. Een missie die gedoemd is te mislukken en alleen in de fantasie is te overwinnen.

Bert Natter: Goldberg. Amsterdam: Uitgeverij Thomas Rap, 2015. ISBN: 978 94 004 0358 1. 632 pagina’s. Prijs: € 22,90. Bestel

01 maart 2016

Walgelijk dik

image

In de roman De ochtendgave van A.F.Th. van der Heijden ontmoet Caspar Sonmans 6 jaar na de huwelijksnacht zijn vrouw Sara in de kamer van de Franse ambassadeur Ezechiël Caloyanni, markies van Lavandes. Caspar heeft een raadselachtig briefje ontvangen van de ambassadeur waarin hij schrijft dat de secretaris de betaalde boetes omdat zijn vrouw niet thuis was, terugkrijgt.

In de diplomatenkamer staat achter het gordijn niet de ambassadeur zoals hij verwacht, maar zijn vrouw:

Ze was het, en ze was het niet. Haar lichaam kwam me ronder en vleziger voor dan ik me herinnerde, maar dat kon aan de kledinglagen liggen. (170)

Haar donkere haar is vaalblond, volgens Sara met hulp van de kamenierster:

‘Ik laat haar emmers licht bier drinken, dat ze dan weer uitplast… om mijn haar te bleken. Blond voor blond, noemen we dat. Het riekt wel, door de mout.’ Sara grinnikte. ‘De juffer klaagt dat ze zo aankomt van al dat bier.’ (172)

Hier past Van der Heijden een mooi staaltje weetjes uit de geschiedenis in zijn roman. Hoe blondeerde men in de 17e eeuw het haar: met de plas van bier. De laatste opmerking is natuurlijk 21e eeuwse humor in een roman die speelt in de 17e eeuw.

Caspar ziet dat zijn vrouw is voller geworden. Hij vindt het weelderige vlees mooi. Ze zijn in gesprek over de situatie, de geboorte van hun kind, Etienne die op een dag voor zijn deur stond en die Sara bij hem heeft laten afleveren. Ze vindt dat hun zoon door hem moet worden opgevoed. Een bijzonder verhaal.

Tot haar nieuwe postuur onderwerp van gesprek wordt. Ze probeert de trouwjurk aan te trekken omdat ze iets minder opvallends zoekt voor de ontsnapping. A.F.Th. van der Heijden weet Sara als een typisch hedendaagse vrouw te laten spreken over haar nieuwe figuur.

De stof viel niet langer ruim en soepel over haar boezem en heupen: ze moest zich er echt in wringen.
‘Ik ben walgelijk dik geworden.’
‘Rijper.’
‘Zie je wel, je vindt me een vetzak.’ Ze stond met een boos gezicht voor de spiegel te draaien. (196)

Net als de eerdere grap over de kamenierster zou een vrouw in 1678 nooit zoiets over zichzelf zeggen. Hier sijpelt de 21e eeuw in het verhaal. Niet erg, vooral erg grappig hoe een historische roman ook veel verteld over de tijd waarin we nu leven.

Het is het spel dat A.F.Th. van der Heijden speelt met zijn personages, het verhaal en met de lezer. Een verrukkelijk spel. Het spel van een schrijver van formaat. Dat maakt ook dat De ochtendgave een roman is om van te genieten.

A.F.Th. van der Heijden: De ochtendgave. Roman. Amsterdam: De bezige bij, 2015. ISBN: 978 90 234 5776 3. 304 pagina’s. Prijs: € 23.90. Bestel

26 februari 2016

Fennek de feniks

image

A.F.Th. van der Heijden staat erom bekend hoe hij het verhaal naar zijn hand zet. Hij doet dit om een kenmerkende wijze, met humor en soms een beetje theatraal. Dat krijgt hij ook mooi voor elkaar in de historische roman De ochtendgave doet hij dat bijna op elke pagina.

Ik kan daar erg van genieten. Soms is het vergezocht hoe A.F.Th. van der Heijden het verhaal vormgeeft. Dit doet hij bij bijvoorbeeld met de ganzenveer die de ik-verteller en hoofdpersoon moet kopen op de markt voor de ambassadeur Caloyanni.

Caspar loopt samen met graaf d’Estrades lopen samen op de markt en komen een ganzenverkoper tegen. De grote veer die d’Estrades in zijn hand vasthoudt, is wel geschikt, verwacht hij. De jongen vertelt de graaf van welke gans de veer afkomstig is:

‘Bij een gevecht met de hond is hij met zijn achterste in de gloeiende as beland. Zijn verschroeide veren… het stonk ontzettend. Hij had zijn gat verbrand, en dat wilde niet meer beter worden. Het etterde. Toen heeft mijn vader hem de nek omgedraaid. Maar zijn veren waren weer helemaal gaaf geworden.’ (108)

De graaf ziet het verband wel tussen Fennek en Phénix. Met een veer van zo’n gans wil hij de vrede straks wel ondertekenen. Caspar Sonmans hoopt dat de vrede snel getekend wordt en dat hij nog voor middernacht zijn Sara terugkrijgt.

Zoals het hoort in een roman van Van der Heijden, haalt de verteller dit gegeven regelmatig aan. Zoals op het moment van de ondertekening, waarbij hij spreekt over:

een dikke pen uit het verschroeide achterste van de gans Fennek, pardon Phénix. (154)

Als de ambassadeur, Ezechiël Caloyanni, markies van Lavandes, de veer krijgt, weet hij de veer uit de kont van Fennek tot een pijpenragger te friemelen. De gans mag uit zijn as verrezen zijn, zijn veer lijkt niet lang stand te houden en is nog voor het ondertekenen van de vrede in een onbeduidend vod veranderd.

De verteller vraagt zich op dat moment af wie er eigenlijk uit zijn as herrijst. Is het de Franse haan of de Hollandse leeuw? Caspar herinnert zich een briefpassage van zijn vrouw, van de PFV, die zich had toegelegd op het vernietigen van de haan:

Mocht de Nederlandse leeuw het onderspit delven, laat hem dan als gouden honingraat een nieuw leven beginnen. (160)

Een mooi citaat uit de historische documenten waarmee A.F.Th. van der Heijden de geschiedenis weer laat terugkeren in de roman. Zo bespeelt hij op een humoristische manier de geschiedenis en bedt zijn verhaal op aantrekkelijke wijze in de historie. Ik kan van zulke elementen in een verhaal echt genieten.

A.F.Th. van der Heijden: De ochtendgave. Roman. Amsterdam: De bezige bij, 2015. ISBN: 978 90 234 5776 3. 304 pagina’s. Prijs: € 23.90. Bestel

25 februari 2016

De beul

image

De roman De ochtengave van A.F.Th. van der Heijden opent magistraal:

De beul werd ongeduldig. Het snelrecht liet nog tijd voor inwilliging van een laatste wens van de terdoodveroordeelde: het losmaken van zijn hemdsknopen. (9)

Het is 1705. Nijmegen. Ik lees hier de opening van een historische roman die met een harde knal je in het verhaal trekt. Op een schavot de doodstraf voltrekken voor oud-burgemeester Rouskes. Hij heeft het stadhuis overvallen om zijn oude plaats op te eisen bij het nieuwe bestuur.

De gemeentesecretaris Caspar Sonmans krijgt van zijn oude baas de gouden knopen van zijn overhemd. Dan rolt de kop:

Er was geen bloedspoor. De zwaardhouw was door de beul zo perfect uitgevoerd dat zowel aan de zijde van de romp als aan die van het hoofd de hals een gaaf snijvlak vertoonde, roze en wit en blauw gemarmerd. Als de situatie niet zo droevig was geweest, had ik er als voormalig student van de Snijkamer misschien wel waardering voor op kunnen brengen. Anatomisch vakwerk. (15)

Een mooie combinatie van de rol van de beul als medicus, zoals in het boek over de beul van Neurenberg naar voren komt. A.F.Th. van der Heijden weet hem treffend op te voeren in zijn plastische beschrijvingen. Het bloed vloeit en het losgeslagen hoofd druipt.

A.F.Th. van der Heijden: De ochtendgave. Roman. Amsterdam: De bezige bij, 2015. ISBN: 978 90 234 5776 3. 304 pagina’s. Prijs: € 23.90. Bestel

23 februari 2016

Bedompte sfeer

image

Van der Heijden weet in zijn historische roman De ochtendgave de dreiging overal in te leggen. Daarmee creërt hij een bedompte sfeer van een stad aan de vooravond van een bezetting. Het is 9 juli 1672 en Caspar en zijn bruid Sara vieren hun huwelijk. Door de gevechtshandelingen is het al bescheiden, maar na 3 jaar wachten, wil Caspar nu eindelijk trouwen.

Onhandige opmerking

Er valt een glas wijn over de trouwjurk en een vriend maakt en onhandige opmerking als hij toast op de overleden verloofde van de bruid. Allemaal aspecten die de beklemmende sfeer benadrukken. De huwelijksnacht mondt uit in spannende scènes, waarbij Van der Heijden zich tot in de kleinste details het jaar 1672 naar binnenhaalt.

Ik pelde alle lagen wit van haar onderlijf. De kanten kast met de baleinen, waarin haar boezem zat opgeborgen, dat kwam later wel. Eerst mijn wang vlijen tegen wat in het anatomische leerboek op de Kwartierlijke het opperste gedeelte der Vrouwelijkheydt werd genoemd. Een weinig kroeser en hoger uytsteekende als de rest, werdt het den Venus-berg benaamt. (53/54)

Huwelijksnacht

Het huwelijk wordt in de huwelijksnacht geconsumeerd nog voordat in de ochtend de Franse troepen de stad overmeesteren. Vlak voor de vrijpartij arriveert een brief voor Sara die ze na lezing verbrandt. De inhoud komen we niet te weten. In de ochtend wil Caspar zijn ochtendgave geven, maar eerst een andere. Ze is tot ‘blasens toe vermoeyt’, antwoordt ze. Ze moet weg en verdwijnt.

Hij ziet haar niet meer terug. Pas veel later ontdekt hij haar in de brieven die hij als secretaris op de ambassade van de Staten-Generaal leest bij de vredesonderhandelingen. Het gaat om de PFV, waarmee hij onderhandelt over vrede.

Vrouw terugkrijgen

Pas na de vrede wordt hij door de Franse ambassadeur ontboden om het betaalde geld voor zijn vrouw terug te krijgen. Hij treft haar tot zijn verrassing. Ze is de maîtresse van de ambassadeur Caloyanni, ontdekt Caspar.

Een schokkende ontdekking met nog veel schokkender gevolgen. Daarmee weet A.F.Th. een prachtige spanning op te bouwen en geeft de geheimen van het verhaal langzaam prijs. Ochtendgave is daarmee een historische roman geworden die een prachtig gedeelte van de Vaderlandse geschiedenis behandelt: de periode van het rampjaar 1672 tot aan de Vrede van Nijmegen, waarmee pas echt de Fransen uit de Nederlanden vertrokken.

A.F.Th. van der Heijden: De ochtendgave. Roman. Amsterdam: De bezige bij, 2015. ISBN: 978 90 234 5776 3. 304 pagina’s. Prijs: € 23.90. Bestel

22 februari 2016

Ochtendgave

image

A.F. Th. van der Heijden en een historische roman, het leek mij een onmogelijke samensmelting. Ik las jaren terug over het voornemen een historische roman over Nijmegen te schrijven. Een nutteloze opgave, vond ik.

Tandeloze tijd

Waarom legt hij zich niet toe op zijn beste cyclus: De tandeloze tijd? Alle boeken die in deze cyclus zijn verschenen, liggen prachtig in elkaars verlengde en spelen met de werkelijkheid zoals alleen Van der Heijden dat kan.

Dat boek in die cyclus verschijnt binnenkort. Het zal niet lang meer duren of een nieuwe vuistdikke roman met de titel Kwaadschiks zal uitkomen. Van der Heijden verraste afgelopen najaar met de lang geleden toegezegde historische roman over Nijmegen: De ochtendgave.

Vrede van Nijmegen

De roman speelt in het Nijmegen rond de Vrede van Nijmegen in 1678. Deze vrede vormde ook aanleiding voor de opdracht die Van der Heijden kreeg van de gemeente Nijmegen. Dat de opdracht voor de novelle uitdijde tot deze roman, lijkt vanzelfsprekend bij Van der Heijden te horen. Hij stort zich op een onderwerp en zo ontstaat een roman.

En wat voor een roman. Het is een prachtig verhaal geworden van liefde, passie en erotiek. Wat een boek. Ik heb het soms met rode oortjes gelezen, andere keren voelde ik het verlangen en het verdriet van de ik-verteller en hoofdpersoon Caspar Sonmans.

Laatste kwart 17e eeuw

Hij neemt ons helemaal mee naar het Nijmegen in het laatste kwart van de 17e eeuw. De stad wordt overmeesterd door de Fransen op 10 juli 1672. De Fransen blijven maar liefst 6 jaar in de stad en zullen pas in 1678 verdwijnen met de vrede van Nijmegen.

In de roman De ochtendgave vertelt Caspar Sonmans het verhaal van hem en zijn vrouw Sara aan zijn zoon Etienne. Het is 1705 en de oud-burgemeester van de stad is net onthoofd door de beul. Etienne wil van zijn vader het verhaal van zijn moeder horen. Het verhaal van iemand van 54 jaar oud:

Oud maar nog niet der dagen zat, daar kwam het ongeveer op neer. Ofschoon, dat laatste verdiende enige nuancering. Precies zevenentwintig jaar geleden hield mijn leven op – niet mijn bestaan. Sindsdien leefde ik voort. Ik kon nooit meer der dagen zat geraken, omdat die zatheid al op 10 augustus 1678 bereikt werd. (19)

Meer dan 6 jaar eerder, op 9 juli 1672 trouwt Caspar met Sara. Het is de dag voordat Nijmegen onder de voet wordt gelopen door de Fransen. De kogels vliegen over en weer tussen de Franse troepen en de verdedigers van de stad. De Catherinaklok van de Stevenskerk luidt. Het gevaar is overal.

A.F.Th. van der Heijden: De ochtendgave. Roman. Amsterdam: De bezige bij, 2015. ISBN: 978 90 234 5776 3. 304 pagina’s. Prijs: € 23.90. Bestel

03 september 2015

Gooi versus Vechtstreek

image

Als de titelheld en ik-verteller van de Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck bij de Bussumerhei staat, doet hij een interessante bevinding. Het lijkt erop dat hij de Tafelberg (36,4 meter) beklommen heeft.

Tegenwoordig ligt deze heuvel ingeklemd tussen snelwegen en provinciale wegen, maar dat vroeger een prachtig uitzicht bood tot aan Amersfoort, de Zuiderzee en bij mooi weer zelfs tot Utrecht.

Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men vandaar geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken, thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het lommerrijke geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen: – over Blaricum, de beide Eemnessen, Zoest, Baarn en Amersfoort: over het boschrijke landschap daar tusschen, en over de blaauwe zee, de Stichtse bergen, en de graauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen: – en aan den vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen. (66)

Hij staat daar midden in het straatarme Gooi. De boeren weten met moeite te overleven op de kale zandgronden. Van de rijkdom die hier meer dan 250 jaar later is, is nog helemaal niets te vinden.

Daar op die Tafelberg beseft de ik-verteller Ferdinand Huyck dat de rijkdom niet ver van hem afligt. Het buiten van zijn tante ligt hier op 1,5 uur lopen vandaan. Daar ligt de oase ‘waar de Amsterdamsche rijkdom al zijn weelde en schatten ten toon spreidt’.

Het contrast kan niet groter zijn en Jacob van Lennep speelt met dit gegeven. Waar de Amsterdamse kooplieden hun royale buitenhuizen langs de Vecht hebben laten verrijzen. Op slechts 1,5 uur gaans van de plek vol ontberingen waar Ferdinand Huyck nu loopt.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

02 september 2015

Thriller of klucht?

image

De roman Ferdinand Huyck leest als een negentiende-eeuwse thriller met een hoog kluchtgehalte. De uitkomst is even verrassend als voorspelbaar. Daar ligt ook mijn grootste bezwaar van de roman van Jacob van Lennep. De ontknoping is een lang uitgestelde gebeurtenis, waar het eigenlijke verhaal traag doorheen meandert. Daarbij leest de meeste humor die de verteller bezigt als flauw en doorzichtig.

Neem het boottochtje dat Ferdinand met een flink gezelschap maakt, waaronder Lodewijk en Henriëtte Blaek. Het levert hilarische momenten op waarbij het schip in storm terechtkomt.

“’t Is gedaan!” riep een stem uit ons midden.
Susanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen. Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotseling viel het stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wioj hoorden het zeenat als grommende van rondsom wegloopen; – maar toen wij, wanende dat ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water meer. (286-7)

Op spektaculaire wijze is de boot over de dijk heengeslagen en op de helling aan de droge kant beland.

Buitengewoon grappig, maar niet zo diepzinnig als het veel minder spektaculaire boottochtje dat de Familie Stastok maakt in Hildebrandts Camera Obscura. Veel simpeler en minder spektaculair, maar door de beschreven situaties is het verhaal van Hildebrand (Nicolaas Beets) veel hilarischer en memorabeler dan de boottocht die Jacob van Lennep in Ferdinand Huyck beschrijft.

Maar dat drukt de pret niet aan boord van het schip van Lodewijk Blaek. De Duitser Weinstübe is onvindbaar:

“Ach lieber Gott! zum hülfe! Ich pin todt.”
“’t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest,” zeide ik, op het geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan de kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. (290-1)

Het boottochtje over de Zuiderzee steekt flauw af tegenover de grote ontsnapping aan het einde van de roman. Het tafereel verschuift naar Terschelling. Jacob van Lennep haalt alles uit de kast om de ontknoping tot een grootse gebeurtenis te laten worden. Hierbij benut hij de nodige kwinkslagen en weet alle personages in een magistraal slotakkoord te gieten.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

01 september 2015

Belachelijke dichter

image

De ik-verteller, hoofdpersoon en romantitelheld van Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck heeft het niet zo op de achttiende-eeuwse dichters. Als hij kennismaakt met de dichter Lucas Helding in het huis van Blaek, in de buurt van Eemnes, is hij niet echt enthousiast over de versjes die hij daar overal aantreft:

“Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten,” zeide ik: “hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen.” (48)

De naam hangt buiten, attendeert Henriëtte Blaek hem. De bezoeker leest daar dat het gebouw waarin ze zitten een koepel is en niet een kippenhok. Ook Henriëtte Blaek ziet niet veel in de dichtkunst van Helding:

“Het is anders een goede man, die Lucas Helding; ,aar het nageslacht zel er weinig aan missen, al zet hij nooit weêr een pen op het papier.” (48)

Niet veel later komt Helding binnen. Hij is een huisvriend van de Blaeken, maar de ontmoeting verandert Ferdinand Huyck niet van mening over de schrijfsels van Lucas Helding. Zelfs de jubelzang die hij krijgt toegestuurd, brengt daar geen verandering in. Het gedicht levert vooral leedvermaak op in Huize Huyck.

Ook Helding is slachtoffer van de roversbende. Hij komt steeds terug in het verhaal. Hierbij schuwt de verteller niet om de dichter voor gek te zetten. De passage waarin hij de dronken dichter meesleurt door de straten van Amsterdam is tekenend. Ferdinand Huyck weet samen met Reynhove de dichter naar zijn woning te brengen.

Tot in het nawoord van Marie Stauffacher komt Lucas Helding aan bod. Ze schrijft het volgende:

De Mengelingen van Helding kan men nog in sommige boekerijen van deftige lieden, en ook nu en dan, hoor ik, op stalletjes aantreffen: ik twijfel echter, of zij ooit veel lezers vinden. (497)

Tot het einde toe weet Jacob van Lennep de dichtkunst van een eeuw voor hem, voor gek te zetten. Erg enthousiast is hij er niet over. Gelukkig doet hij dit op een grappige en humoristische manier. Soms iets te overdadig, maar dat hoort bij hem en de tijd die hij beschrijft.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

31 augustus 2015

Mijn exemplaren van Ferdinand Huyck

image

Ik heb 2 exemplaren van Ferdinand Huyck in mijn boekenkast. Ze komen allebei uit de serie van Romantische werken die uitgeverij Sijthoff uit Leiden vaak herdrukte. De beide boeken zijn gebonden in een rode kaft, maar zijn van verschillend zetsel. Hierdoor telt het ene boek 436 pagina’s en het andere 498.

Het werk van Jacob van Lennep was tot ver in de 20e eeuws heel populair. De boeken zijn eindeloos herdrukt. Het boek Ferdinand Huyck behoort tot de populairdere romans van Van Lennep. Net als De roos van Dekama. Misschien dat het onderwerp best aansprak. Daarnaast zijn de boeken van Jacob van Lennep geschreven in een toegankelijke stijl.

image

Ik heb een exemplaar dat heeft toebehoord aan P.J. Biesmeijer. Hij schafte het exemplaar in maart 1890 aan. Of het boek echt stukgelezen is, weet ik niet. Het boek heeft wel veel geleden. Het band valt van de inhoud af en neemt daarbij de eerste en laatste pagina’s mee.

Misschien komt de schade ook door het dikke bundeltje papier dat aan het exemplaar is toegevoegd. Dat is gemaakt door een J. van der Spek in januari 1888 en is daarmee ouder dan dat P.J. Biesmeijer het boek aanschafte.

image

In een prachtige handschrift heeft J. van der Spek alle vreemde uitdrukkingen en woorden die in het boek voorkomen opgezocht en vertaald. Hij gaat hierin heel ver. Zo zoekt deze lezer naar de verklaring van woorden als ‘bagatelletje’, ‘croquettes’ en ‘intoleroble’. Daarnaast komen de vele mythologische figuren in de roman langs als Bacchus, Atlas en Hercules. Ook besteedt deze 19e eeuwse lezer aandacht aan de Franse zegswijzen die vooral de zus van Ferdinand Santje.

Daarmee geven deze notities een leuk inkijkje in de leeswijze van een 19e eeuwse lezer. Het maakt het uit elkaar vallende exemplaar van deze historische roman de moeite van het bezitten waard. Daarom kan ik het ook niet over mijn hart verkrijgen om juist dit boek van een nieuw omslag te voorzien.

image

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

29 augustus 2015

Voettocht

image

Ferdinand Huyck heeft in de Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck alle vertrouwen in de goede afloop van de voettocht van Amersfoort naar Naarden. Wat zou een rover aanmoeten met de armoedzaaier als hij die zelfs zijn degen en pistool voor zich uitgestuurd heeft.

Een plunje als de mijne was niet geschikt om eengigen struikroover in verzoeking te brengen: ik had dan ook de pistolen en den degen, die mij op onze uitstapjes in Duitschland trouw vergezelden, bij mijn bagaadje gelaten, welke met de bolderwagen van Deventer op Naarden reisde, en meende tegen de gevaaren die ik van Amersfoort tot Naarden mocht hebben, en waaronder ik de ontmoeting met een dollen hond als de ergste rekende, genoegzaam beveiligd te zijn door den kneppel, dien ik over den rechterschouder droeg en waar aan een pakje bungelde, bestaande uit mijn nachtgoed en eenige andere onontbeerlijke benoodigdheden, in een bonten doek te zamen geknoopt. (19)

Het valt ook allemaal best mee totdat hij in een herberg in Soest wel op een erg onaangenaam gezelschap stuit. De joodse kramer die hem een kurkentrekker uit zijn handeltje opdringt, is daarvan nog de minst erge. De ruzie die tussen Ferdinand en enkele gasten in de herberg ontstaat, is niet van de lucht. De messen en degens worden getrokken.

Alleen zijn afkomst redt hem en hij weet de kroeg uit te vluchten, niet wetende dat hij de belangrijkste personen verderop nog zal tegenkomen. Zelfs de hele roman zullen deze mensen hem blijven achtervolgen.

De route die Ferdinand hier maakt, lijkt zo uit het dagboek van 1823 te komen. Ook de jonge Van Lennep wandelt over een zonnige weg met bosjes erlangs over Soest naar Soestdijk. Verderop tussen Baarn en Eemnes worden Van Lennep en Van Hogendorp getroffen door een regenbui terwijl ze wandelen door het Overbosch en de prachtige buitenplaats Groeneveld.

Ferdinand Huyck wordt ook getroffen door een regenbui en schuilt in de koepel van de Guldenhof. Van Lennep zou het buitenverblijf De Guldenhof goed kunnen ontlenen aan Groeneveld. De jonge Huyck treft in het koepelgebouw bij de Guldenhof voor het eerst het meisje Henriëtte Blaek, een vriendin van zijn zus. De Heer Blaek aan wie het landgoed toebehoort is haar oom. De man heeft fortuin gemaakt, terwijl de vader van Henriëtte in armoede is gestorven.

Natuurlijk wordt het stel betrapt door de gemene zoon van de Heer Blaek, Lodewijk. Het brengt ze allebei in verlegenheid. Voor de roman is het slechts een ontwikkeling die de intriges en misverstanden alleen maar vergroot. Want misschien lijkt Ferdinand Huyck een slimme jongen, hij komt zeer sullig en onbenullig over in het verhaal.

In het bos nadat hij de Guldenhof verlaten heeft, wordt hij overvallen door rovers die hij eerder in de herberg van Soest wist te ontlopen. Daar wordt hij ook gered door de baron Van Lintz, die in de roman voortdurend terugkomt in alle mogelijke aliassen die je maar kunt bedenken.

In ruil voor de redding vraagt de man met de rode mantel, die zich Bos noemt, om zijn dochter naar Amsterdam over te brengen. Het brengt Ferdinand Huyck erg in verlegenheid, zeker ook omdat hij de zoon van de Hoofdschout van Amsterdam is en bovenal omdat hij verliefd is op Henriëtte Blaek die hij in de koepel van de Guldenhof tegenkwam.

Niet dat het verhaal nu heel sterk is. De ingewikkelde plot is zeker goed verzonnen. Van Lennep weet de spanning heel goed op te bouwen. Zeker aan het eind van elk hoofdstuk roept de opgebouwde spanning op om verder te lezen. Buiten de saaie en lange dialogen, weet Van Lennep bepaalde personages heel levendig neer te zetten. Zoals de Duitser Weinstübe en de onnozele verzendichter Helding.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

28 augustus 2015

Ferdinand Huyck

image

Het vakantieboek voor deze zomer zou Ferdinand Huyck worden van Jacob van Lennep. De Amsterdamse schrijver en politicus schreef deze historische roman in 1840. Het verhaal speelt zich 100 jaar eerder af. Het boek trok mijn aandacht omdat het zich in het Gooi afspeelt.

In de 18e eeuw was het gebied tussen Amersfoort en Naarden beducht vanwege de bendes die zich in de bossen en op de heides schuilhielden. Als je er niets te zoeken had, ging je er ook niet heen. Jacob van Lennep speelt met dit gegeven op een rake wijze in zijn historische roman.

Nederland staat in deze periode op de overgang naar de moderne tijd. De ijzeren eeuw moet nog beginnen. Een jaar voordat de roman uitkomt, is de eerste ijzeren spoorweg van Nederland geopend. De industrialisatie staat nog in de kinderschoenen. Een groot deel van Nederland is nog in de staat waarin het de eeuwen daarvoor al was. Het zo vernuftige systeem van de trekschuit in vooral het Hollandse gewest was aan zijn eindje. Meer dan 200 jaar was de trekschuit hèt vervoermiddel geweest om tussen de Hollandse steden te reizen.

Of Van Lennep daarom de periode van een eeuw eerder koos, is onduidelijk. Het is namelijk niet de meest charmante periode die hij kiest voor zijn historische roman. In de 18e eeuw is Nederland behoorlijk ingeslapen en weinig spannend. De keuze van Jacob van Lennep om zijn roman juist in deze tijd te situeren is dan ook zeer opmerkelijk.

Misschien dat hij zijn wandeling in de zomer van 1823 met zijn medestudent Dirk van Hoogendorp daaraan heeft bijgedragen. De scène aan het begin van de roman Ferdinand Huyck kan zo zijn weggelopen uit de dagboekaantekeningen die Jacob van Lennep 17 jaar eerder maakte.

Ook sluit de belevingswereld van Ferdinand Huyck die zich bijna moeiteloos tussen de hogere kringen van het 18e eeuwse Amsterdam begeeft, goed aan op de wereld waarin Jacob van Lennep verpoos. Ook vader Van Lennep, hoogleraar klassieke talen in Amsterdam, bezat een buiten, het buiten Manpad bij Heemstede. Daar verbleef de jonge Van Lennep regelmatig en zal hij ongetwijfeld hebben meegedaan aan het jagen en trekken door de vrije natuur. Jacob van Lennep is zijn hele leven een fervente wandelaar geweest.

Dat wandelen en trekken zie je terug in Ferdinand Huyck. Al wordt de historische roman gedreven door de fantastische opening. De jongeling Ferdinand Huyck is op de terugweg van zijn grand tour door Italië. Als hij in Amersfoort aankomt, is het geld op en moet hij op 1 of andere manier in Amsterdam zien te komen. De zoon van de Amsterdamse hoofdschout besluit om dit lopend te gaan doen. In Naarden wil hij de trekschuit naar de hoofdstad nemen.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

13 juni 2015

Fantasy of literatuur?

image

De verschillende literaire genres lijken steeds meer in elkaar over te gaan. Bij het lezen van Andrus Kivirähks roman De man die de taal van de slangen sprak vroeg ik mij af of het niet Fantasy was dat ik aan het lezen was. De sprookjesachtige elementen, de pratende dieren, reuzenvissen en oerkikker. Het zijn allemaal elementen die in een Fantasy-verhaal voorkomen en niet in een literaire roman.

Al is het natuurlijk best onzin zo’n onderscheid te maken in hogere en lagere literatuur. Wagner spreekt in zijn opera’s ook over draken en goden. Naar de jaarlijks uitvoering van De Ring des Nibelungen in het festivaltheater van Richard Wagner in Bayreuth komen niet de geringste. Het verschil tussen hogere en lagere literatuur is daarom lastig te maken.

Jan van Aken verklapte eens bij een interview in de Deventer boekwinkel dat hij lange tijd schrijver van Fantasyboeken wilde worden. Hij vond de literatuur niet iets voor hem. Daar beleefde hij te weinig lol aan. Dat hij toch is gaan schrijven, kwam omdat de concurrentie in de schrijfwereld van de Fantasy moordend is. De literatuur bood hem meer kansen. In de literatuur kon hij zich sterker onderscheiden van anderen, stelde hij.

Dat de Fantasy zijn werk sterk beïnvloed staat buiten kijf. Hij bedient zich in de historische verhalen van dezelfde epiek waar de fantasy zo beroemd door is geworden. De kloeke verhalen lezen als jongensboeken. De heldendaden van de personages zijn onovertroffen. Ze vechten misschien niet tegen draken, de tegenstanders zijn sterk en toch weten ze zich te handhaven.

Het sterkst in de boeken van Jan van Aken staan de vertellers. Zij weten het verhaal tot proporties op te blazen met hun fantasie. De gaten in het geheugen vullen ze op met nieuwe verhalen. Nog sterker dan de eerdere verhalen. Het maakt de boeken van Jan van Aken tot heuse belevenissen. Misschien nog een overeenkomst: je beleeft de verhalen, net als in Fantasy.

Datzelfde gevoel had ik bij het lezen van De man die de taal van de slangen sprak. Ook bij Andrus Kivirähk wordt de held omgeven door dronkenlappen en weet de verteller Leemet zichzelf ook mooi vrij te pleiten in het verhaal. Hij neemt zijn lezer helemaal mee in zijn belevenissen. Het verhaal ontstijgt zo de roman en wordt bijna episch. Iets waar Jan van Aken ook zo goed in is en wat ik Fantasy noem.

Andrus Kivirähk: De man die de taal van de slangen sprak. Roman. Oorspronkelijke titel: Mees, kes teadis ussisõni. Vertaald uit het Est door Jesse Niemeijer. Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2015. ISBN: 978 90 446 2630 8. 384 pagina’s. Prijs: € 19,90.