2024 is een leesjaar geweest zoals ik nog nooit gehad heb. Veel meer kan ik op dit moment ook niet. Het schrijven valt mij zwaar. Het lukt in zeer beperkte mate en daar blijft het bij. Het lezen is heerlijk. Al bespreek ik geen boeken en maak ook minimaal aantekeningen bij wat ik lees. Ik geniet vooral en laat mij meenemen door het verhaal. Heerlijk om zo uit de dagelijkse werkelijkheid te ontsnappen.
Romans
Wat een prachtige boeken heb ik dit jaar mogen lezen. Ik heb er echt immens van genoten. Ik mocht de nieuwe romans van Jan van Aken, Ilja Leonard Pfeiffer en Christiaan Weijts lezen. Daarnaast de 3 romans die Louis Paul Boon schreef over het Aalst rond 1900. Niet zo vernieuwend als bijvoorbeeld De Kapellekensbaan, maar zeker wel de moeite van het lezen waard.
Het verblijf in Moskou zit Ljovin op de nerven. Hij wordt helemaal gek van de stad en verlangt naar het platteland. Het is dat zijn schoonmoeder erop aangedrongen heeft. Ze vindt dat haar zwangere dochter hoe dan ook goede zorg nodig heeft als ze moet bevallen. Dat kan niet op het platteland.
Butsmannetjes in de adelsclub
Dat neemt niet weg dat de muren op Ljovin afkomen. Zeker hij maakt een tripje naar zijn oude studiegenoot en professor Katavasov. Daarbij doet hij ook de sociëteit aan, de adelsclub. Hier ontmoet hij de ‘butsmannetjes’. Een verwijzing naar de butsen die appels krijgen als je met ze solt. Zo gaat het ook met de mannen die maar vaak genoeg naar de sociëteit gaan.
Zo is er een man, die zichzelf geen butsmannetje noemt, maar anderen wel:
‘Op een keer komt hij bij de club en vraagt de portier, Vasili, je weet wel, die dikke, altijd in voor een kwinkslag. Goed, hij vraagt dus aan Vasili wie er allemaal binnen zitten, en of er nog butsmannetjes zijn. “U bent de derde,” krijgt hij te horen. Ja, jongen, zo gaat dat.’ (856)
Ljovin ontdekt dat het eigenlijk niet uitmaakt dat hij al jaren niet meer naar de club is geweest. Er is weinig veranderd. Hij is in heel korte tijd weer helemaal bij en het lijkt wel of hij nooit is weggeweest.
Anna Karenina maakt indruk
Na de borrel wordt hij wat losser en bezoekt hij zelfs Anna. Ze is immers de zus van Oblinksi met wie hij haar bezoekt. Ljovin heeft haar nog nooit eerder ontmoet. Het maakt grote indruk op hem. Hier weet de verteller heel mooi een parallel te maken met het schilderij van Anna dat in de gang hangt en de geportretteerde die even later verschijnt.
De verteller merkt op over het schilderij:
Het enige waaruit bleek dat ze niet leefde was haar schoonheid, die te groot was voor het leven. (861)
Maar als hij Anna Karenina in het echt ziet:
Ljovin zag in het gedempte licht van het kabinet dezelfde vrouw als van het schilderij, […], in een andere houding en met een andere gezichtsuitdrukking, maar van dezelfde schoonheid als de kunstenaar op het linnen had weten te vangen. In levende lijve was ze misschien minder oogverblindend, maar daarvoor in de plaats oefende ze een aantrekkingskracht uit die ze op het schilderij niet bezat. (861)
Het echt boven de kunst, waarbij de kunst misschien dingen verfraait, maar waarbij ze in werkelijkheid veel meer aantrekkingskracht bezit dan er ooit in het schilderij te vatten is. Een schitterende parallel heeft de verteller hier gebracht in het verhaal. Echt genieten.
Overtuigen
De verteller volgt daarna Oblinski die de man van Anna Karenina probeert te overtuigen dat hij van haar scheiden moet. Hij weigert, blijft koppig en eigenwijs een scheiding afwijzen. Waarom zou hij het doen. Het grootste offer voor de liefde dat Anna geeft, is dat ze haar zoon niet meer te zien krijgt. De laatste stiekeme ontmoeting heeft de jongen lange tijd van streek gemaakt.
Het brengt ook een wig in de relatie met Vronski. Anna is veeleisend, wil hem helemaal, maar dat lijkt niet te lukken. Vronski heeft niet alle aandacht voor haar en dat brengt Anna in onzekerheid. Het geeft het verhaal de tragische wending, waarbij ze de controle over zichzelf verliest. Het offer dat ze gegeven heeft voor de liefde, is zo groot geweest. De schande die over haar gevallen is, maakt haar nog verder kapot. Het verscheurt haar, waarbij er maar 1 uitweg is.
Vertwijfeling
De verteller weet die vertwijfeling treffend in beeld te brengen. Hij sleurt je als lezer mee in de innerlijke strijd die Anna voert. Je slingert met haar mee, waardoor je meevoelt met hoe haar keuze deze mooie vrouw uiteindelijk verscheurt.
Lev Tolstoi: Anna Karenina. Vertaald uit het Russisch door Hans Boland. Amsterdam: Athenaeum, 2018 [2017]. ISBN: 9789025307943. 1024 pagina’s. Prijs: € 41,99. Bestel.
In het 4e deel van Anna Karenina keren we terug naar de adellijke kringen in Sint Petersburg en Moskou. Als Oblinski in Moskou Karenin tegenkomt, wil zijn zwager het liefste wegduiken. Tot overmaat van ramp krijgt hij een uitnodiging voor een etentje bij de Oblinski’s.
Wie er ook is? Heel toevallig. Ljovin. Hij hoort dat Kitty er is. Sinds het blauwtje heeft hij haar niet meer gezien. Het wordt een bijzondere ontmoeting, waarbij de kille relatie tussen de 2 ontdooit. Er is weer een doorbraak.
Ze had iets schrikachtigs, iets schuws, en haar verlegenheid maakte haar nog aantrekkelijker. Ze zag hem meteen toen hij binnenkwam. Ze had op hem zitten wachten. (480)
De roman krijgt in dit deel ook zijn dramatische wending aan de kant van de Karenins. Een scheiding van het echtpaar dreigt. Als Anna Karenina tot overmaat van ramp op het kraambed bevangen wordt door de kraamkoorts. Ze roept haar beide mannen op om te komen, omdat ze verwacht het niet lang meer te zullen maken. Daar treffen de 2 elkaar aan.
Een indrukwekkend scene speelt zich hier voor de lezer af. Karenin verwacht niet dat zijn vrouw hem om vergiffenis vraagt voor haar gedrag. Ik weet het ook niet, verzucht ze onder de hoge koortsen, er is een Anna die van je houdt en een Anna die je haat. Vergeef mijn gedrag.
Binnen in Karenin ging alles steeds heviger tekeer, tot hij een toestand bereikt had dat er geen verzet meer mogelijk was: ineens voelde hij dat zijn innerlijke strijd in werkelijkheid een zegenrijke zielsbeleving was waaruit hij een nieuw, nooit eerder ervaren geluk putte. Hij dacht helemaal niet aan het christelijke gebod dat hij zich zijn hele leven voor ogen had gehouden, om je vijanden te vergeven en lief te hebben, maar het vreugdevolle besef dat het juist dat was wat hij deed – zijn vijanden vergeven en liefhebben – overstroomde zijn hart. (515-6)
Het is een aangrijpende scene die ook op Vronski indruk maakt. Karenin vergeeft hem, terwijl de tranen over zijn wangen stromen. Een teken van zwakte waar hij iets later al spijt van heeft.
En terwijl de jonge tortelduifjes rond elkaar tortelen, spat het huwelijk van Anna en haar man uit elkaar als een zeepbel. Een contrastrijk hoofdstuk waarbij de verteller mooi speelt met de emoties die hier rondschieten. Soms heel letterlijk zoals in het schampschot dat Vronski op zichzelf lost. Andere keren wat minder opzichtig, maar voor de lezer zegt dat vaak genoeg.
Lev Tolstoi: Anna Karenina. Vertaald uit het Russisch door Hans Boland. Amsterdam: Athenaeum, 2018 [2017]. ISBN: 9789025307943. 1024 pagina’s. Prijs: € 41,99. Bestel.
Ik hik er de hele dag tegenaan: wel of niet naar Haarlem. Een literair avondje waarvoor ik ben uitgenodigd, maar ik twijfel. De opsmuk, de poeha. In de tijd dat je daar zit en moeten luisteren naar verhalen, kun je gewoon een boek lezen.
Als je leest, kun je zelf kiezen of je dat wel wilt lezen wat je leest. Dan sla je het gewoon over als je er geen zin hebt. Hier kun je niet swipen. Hier gaat het onverminderd door en je kunt niet weg. Maar ik ben speciaal uitgenodigd, sta op de gastenlijst. Een reminder 2 dagen voor de bewuste avond, heeft me weer op scherp gezet. Wel of niet
Natuurlijk rij ik veel te laat weg. Dat hoort bij die afspraken waar ik de hele dag tegenaan hik. Het is uiteindelijk iets voor 7 uur als ik wegrijd. Al op de Waterlandseweg begint op de radio het nieuws van 19 uur, met Jeroen Tjepkema. Bedankt Jeroen, hoor ik als ik de snelweg oprijd. Om 20 uur begint het avondje. De deur is dan een halfuur open.
Knooppunten
De hele route 100 kilometer per uur rijden. Werkzaamheden, krappe bochten en vooral heel veel knooppunten. Ze zijn niet te tellen, maar wat een hoeveelheid knooppunten. Sommige met leukere namen dan anderen. Raasdorp, Badhoevedorp en Holendrecht. Veel namen hebben de associatie met files, lange rijen wachtenden auto’s. Ik laat mij voortrazen in de stroom, zonder stoppen. Al wil iedereen iets anders bij het invoegen. De stad komt ik snel in.
Ik parkeer mijn auto in een wijk tegen de binnenstad. Parkeren is daar gratis. Het is niet de moeite waard om vol te moeten betalen op een steenworp afstand van de bijeenkomst. Het zou me wel heel veel moeite schelen. Wel bijzonder dat de avond begint te vallen. Ik vertrek vrijwel met licht en kom uiteindelijk in het donker aan bij het Patronaat.
Wandelen met Google Maps
Nog een aardig weg om daar te komen. Volgens Google Maps doe ik er meer dan 20 minuten over. Ik zou aankomen om 20.03 uur. Maar dat kan niet, dat is te laat. Ik houd mijn mobiel in de hand, vlieg door het wijkje. Loop toch weer anders dan Google vindt en duik via de Steenstraat onder het spoor door. Sla bij de Parkstraat linksaf, want dat moet toch. Dan wijst de stem van Google mij de hele weg de andere kant op. Jeetje, omkeren maar.
De stem van Google tempert. Eigenlijk vindt de vrouwenstem dat ik moet afslaan om bij de Koningsgracht te komen. Geen zin in. Als ik uiteindelijk afsla om achterop de Markt te komen, zeurt Google weer. Afslaan al die steegjes door om dan – hijg, hijg – half rennend, half snelwandelend bij de Zijlsingel uit te komen. Bruggetje over en dan ga ik schuin de drukke staat over. Patronaat op de gevel. Het is nu echt donker.
Waar is de ingang?
Zoeken naar de ingang. Het is al 20 uur. Een grote rij staat buiten. 3 deuren, welke deur moet ik in vredesnaam nemen? Geen idee, ik ren naar een ingang waar weinig mensen staan. ‘Lamoer? Dan moet u bij het café zijn.’ Bij het café vraagt de portier naar kaartjes. Ik sta op de gastenlijst. ‘Dan moet u bij de kassa zijn?’ zegt hij. Weer terugrennen naar de man waar ik zojuist was. Ik sta op de lijst. Valt weer mee en krijg een vrijkaartje van hem mee.
Weer terug naar het café. Daar mag ik erin door de portier. Een hele onderneming om er te komen. Waar moet ik nu heen? Geen idee. Een slanke dame in een blauw-groene jumpsuit met allerlei gekleurde streepjes knikt mij enthousiast toe. Lange blonde haren. Maar dat is toch niet Esther Gerritsen, bedenk ik mij snel. Je nodigt de schrijver van het boekenweekgeschenk van een paar jaar terug uit voor een avond in de boekenweek. Dat is natuurlijk een stuk makkelijker en goedkoper.
Stoeltje vooraan
Als ik bij de stoeltjes vooraan bij het podium kom, schuift een dame al opzij om mij door te laten. Het plekje naast haar is vrij. Ik zie allemaal oudere dames, kort krulletjeshaar, grijs en brillen. Niet allemaal op de neus, sommige in het haar of bengelend aan een touwtje zodat ze tegen de hals tikken of schuin vallen op de borsten.
Muziek gaat aan, hard, licht gaat uit. Het begint. Een vlotte kerel met krulletjes presenteert. Hij vertelt snel het boekennieuws. Over een nieuwe verfilming van Appie Baantjer, waarvan we de trailer mogen zien. Het zou de vroege Appie zijn, jaren ’80, de krakersrellen en hoe de onderwereld steeds meer grip krijgt op de wallen waar hij op de Warmoestraat zit.
Er klopt veel niet, waarom nemen ze het dan op in het oude politiebureau te Leiden, een geliefde filmlocatie, in de serie Coverstory fungeerde het gebouw als krantenredactie. Wel een spannende trailer, het grote scherm geeft je zelfs een beetje een bioscoop-ervaring. Maar ik ben snel overdonderd als het om een filmscherm gaat. Weinig gewend.
De moeder, de vrouw
Een presentatie van de boekenverkoper De Vries uit Haarlem. Met 3 boeken in de hand over het boekenweekthema, De moeder, de vrouw, prijst hij vooral het boekje met verhalen en gedichten van Annie M.G. Schmidt aan. ‘Koop het, want het is vooral de moeite waard.’ En gelukkig, hij heeft een pinautomaat bij zich, net als een boekenweekgeschenk voor iedereen. Dus allemaal snel naar het tafeltje van de boekhandel De Vries.
De eerste echte presentatie is van de kunstcriticus Wieteke van Zeil over haar boek Goed kijken begint met negeren. Ze presenteeert de kunst van het kijken naar kunst. Waar moet je op letten? Ze neemt je mee door de zalen in het museum en laat je zien hoe je meer uit een schilderij haalt. Begin vooral met te kijken, negeer het bordje naast het schilderij, laat je niet informeren door de audiotour, maar kijk!
Kijken begint met negeren
Aan de hand van inspirerende voorbeelden laat ze zien wat je dan allemaal ziet. Gewoon door te kijken en zelf te duiden wat je eigenlijk ziet. Niets is wat het lijkt. Het is veel meer. Zo kan zelfs een uit papier gesneden kunstwerk veel leuke grappen opleveren. Ze laat zien hoe een spinnetje (weliswaar met 12 poten) aan de boom, verwijst naar een aan het spinnenwiel spinnende Eva ernaast. Zelfs de kat erbij is aan het spinnen. Heerlijk om zo samen met deze kunstcriticus te leren hoeveel meer je uit je museumbezoek kunt halen. En echt, dat is heel veel.
Boekenweekgeschenkauteur
De hoofdact van de avond is het gesprek met oud-boekenweekgeschenkauteur Esther Gerritsen. Het is ongeveer het jaar geweest dat ik stopte met het lezen van het boekenweekgeschenk. Misschien een jaar te vroeg? Altijd teleurgesteld door dit dunne boekje dat overal en nergens over gaat. Bijna elk boekenweekgeschenk bladerde ik in een kleine 2 uur door, maar ik vond hier nooit een verhaal dat mij echt is bijgebleven. Misschien zijn Biesheuvel en Zwagerman hierin als enige geslaagd.
De laatste las ik nooit, maar ik denk dat het een prachtig verhaal is. Net als dat ik het boekenweekgeschenk van F. Springer vooral veel vond lijken op een andere roman én een verhaal van hem. Het mag vooral niet teveel een zelfgeschreven kopie zijn. Ik gebruik het boekenweekgeschenk vooral als een kleinood waarmee je de wippende tafelpoot kunt laten uitwippen en natuurlijk waarmee je die laatste zondag van de boekenweek gratis kunt reizen in de trein.
Esther Gerritsen, dat is toch die vrouw die zo gek op misdadigers is, zei Inge kort voor ik wegreed. Ik had geen idee, maar bij de presentatie van de 3 boeken die haar inspireren blijkt dit beeld inderdaad heel erg te kloppen. Want Esther Gerritsen heeft nogal een uitzonderlijke voorkeur voor bijzondere boeken. Zal ik hier haar favorieten verklappen? Zou wel een beetje flauw zijn. Al die mensen die er geweest zijn om haar 3 favoriete boeken te horen en dachten met een geheim naar huis te zijn gegaan. En dan nu liggen hier haar voorkeuren gewoon op straat. Dat kan toch niet.
Favorieten van Esther Gerritsen
Ik heb zin om ze verklappen omdat ik vind dat ze de moeite van het delen waard zijn. Esther Gerritsen heeft me namelijk best enthousiast gemaakt. Het maakt dus eigenlijk de misdadiger in je los. Of zou het allemaal meevallen. Daar komt i dan.
Arnhild Lauveng: Morgen ben ik een leeuw Het verhaal wat er zich allemaal afspeelt in het hoofd van een schizofreen. De schrijfster zelf is schizofreen geweest in haar jonge jaren en vertelt hoe je er ook van kunt genezen. De remedie: heel veel liefde en heel veel geduld.
James Gilligan: Violence Esther Gerritsen snapt eigenlijk niet waarom dit boek niet is vertaald. Of eigenlijk snapt ze het wel. Het is het verhaal waartoe mensen met een zieke geest in staat zijn. Alle soorten van criminelen, seriemoordenaars, zedendelinquenten komen voorbij in dit boek. Een must voor iedereen die iets zou willen proberen te begrijpen wat er in de hoofden van deze mensen afspeelt. Bijvoorbeeld het verhaal van een seriemoordenaar die alle mensen die hij vermoorde, onthoofde. De hoofden begroef hij in de tuin van zijn moeder onder haar raam. Zijn moeder wilde dat er mensen naar haar opkeken. Al deze killers doen het vanuit een gevoel van gekwetstheid. Ze voelen dat ze dit moeten doen.
The Ted Bundy Tapes, Conversations with a Killer – geen boek, maar een docuserie op Netflix Wie is Ted Bundy? Hoe durft de interviewer dat te vragen, maar er zijn misschien mensen in de zaal die niet weten wie hij is, verontschuldigt hij zich. Ted Bundy is een seriemoordenaar die allemaal vrouwen vermoorde. Hij liep dan rond met een mutella en vroeg aan een vrouw of ze hem wilde helpen iets uit zijn bestelbusje te halen. Dan duwde hij haar zo naar binnen en vermoorde haar.
Vrij abrupt eindigt het interview. Hier lijkt het format van snelheid iets te strikt te worden opgevolgd. Het verrast zelfs Esther Gerritsen. ‘Is het nou al voorbij?’ vraagt ze opgelucht en verbaasd tegelijk. De keuzes van Esther Gerritsen zijn natuurlijk erg leuk. Net als haar verhaal hoe het boekenweekgeschenk is ontstaan. ‘Het verbaasde mij dat ik zoveel vertrouwen kreeg. Ze bellen je in maart dat het in november af moet zijn. En ze zitten je verder niet achter de vodden.’
Eshter Gerritsen staat voor de 4e keer op de short list voor de Libris Literatuurprijs. Net als dat ze nu hoopt toch eens de Libris literatuurprijs te winnen. ‘Tommy Wierenga is 3 keer genomineerd, ik nu 4 keer. Zoals hij het zei: “De vorige keren heeft jury zich vergist ten nadele van mij, nu heeft ze zich vergist ten voordele van mij.”‘ Welkom in de grabbelton die Libris Literatuurprijs heet. En ik had mijn favoriet al. Zeker als de genomineerde boeken nog een keer langskomen bij het nieuws.
Popkwis
De laatste gast doet een soort popkwis. Heel leuk, ook een vrouw. De vrouwen overheersen vanavond en dat mag best wel een keer. Het is de dame in het kleurrijke streepjespakje, Yaël Vinckx. De popdame uit Leiden is helemaal vol van Willem, Willem Venema. Volgens haar de man die iedereen kent, zonder hem te kennen. Ze schreef een boek over hem met de naam Volgens Willem.
Yaël Vinckx wisselt haar presentatie af met vragen naar welk nummer de DJ draait. Ze wordt geholpen aan de draaitafel. Een afwisselende presentatie levert het op. Waarbij de anekdotes het leukste zijn. Zo vertelt ze over de eerste editie van Lowlands, die al om 20 uur sloot, waarna er vanzelfsprekend rellen uitbraken.
Ze alarmeerden niet de politie, maar besloten de ergste raddraaiers eruit te pikken, waarna ze de volgende morgen naar Friesland werden gebracht. Ze waren getapt en vastgebonden met handen en voeten. In een gehucht werden ze uit het busje gezet, maar het zou ze veel moeite kosten thuis te komen. Alleen hun voeten waren losgemaakt, de handen zaten nog vast.
Nazit
Heerlijke verhalen, waarna de nazit aanbreekt. Het leukste gedeelte van de avond natuurlijk. Ik raak nog in gesprek met Femke die mij heeft uitgenodigd. De 3 organisatoren zijn alle 3 werkzaam in het boekenvak. Zo vertel ik honderduit over mijn boeken en het ontspullen waaraan ik en mijn gezin zich hebben overgegeven. Heerlijk om met wat minder spullen te leven. Mijn boeken koop ik daarmee bijna niet, ik leen veel bij de bieb en krijg soms een recensie-exemplaar toegestuurd.
Ik ben blij dat ik geweest ben, want zo blijf ik ook in contact met de wereld om de boeken heen. Al vind ik het heerlijk om lekker met een boek in een hoek te kruipen. Zo rij ik door het donker weer naar huis. Best een lange weg, zo merk ik. Sukkelend met 100 kilometer per uur over al die knooppunten, zie ik weer de bouwwerken die binnenkort opengaan. Blij dat ik weer thuis ben als ik de Vuursteenhof oprijd.
Brandende voeten
Bij het uittrekken van mijn schoenen brandt mijn voorvoet van onderen. De wandeling door de stad is waarschijnlijk iets te fanatiek geweest. Het hollen om er op tijd te zijn, de haastige spoed die zelden goed is. Maar het is wel een prachtige avond geweest, bedenk ik mij als ik in bed lig en de dag probeer te werken.
En dan het uitwerken van het verslag. Net als bij het hele dag aanhikken tegen gaan of niet gaan, hik ik nu tegen dit stukje aan. Ik heb het beloofd, maar zou het ook het stukje zijn dat ik zou willen schrijven. Ik zoek naar de vorm voor mijn blog, vertel ik Femke, 1 van de organisatoren.
Het komt zo moeilijk los. Lijkt teveel op wat ik altijd doe. Zoeken naar nieuwe vormen en vooral doen wat ik zelf ook leuk vind. Het is bijna onmogelijk. Een hele lap tekst. En als je tot hier gekomen bent: dan is mijn missie geslaagd.
Onwaarschijnlijk maar waar. Dat is het verhaal van de ridder Jan van Brederode. De Utrechtse hoogleraar Frits van Oostrom vertelt in zijn nieuwste boek Nobel streven het verhaal van deze bijzondere middeleeuwse edele. Jan van Brederodes leven is heldhaftig, tragisch en dynamisch. Voldoende stof voor een uitermate innemende biografie over deze man.
Met het boek Nobel streven keert de Utrechtse hoogleraar terug naar bekend terrein. Bij zijn doorbraak in 1987 met Het woord van eer over literatuur aan het Hollandse hof, moet hij zijn gestuit op het bijzondere levensverhaal van Jan van Brederode.
Dappere ridder Jan van Brederode
Een dappere ridder die wel een heel eigenaardige levensloop kent. In zijn nieuwste publicatie Nobel streven, gaat Frits van Oostrom dieper in op het leven van deze bijzondere man.
De achterflap geeft al een duidelijke samenvatting van deze ridder uit Holland. Meerdere malen neemt hij het op in een oorlog tegen Friesland. Hij gaat op pelgrimage naar Ierland om daar het helse vagevuur van Sint Pancratius te ervaren. Teruggekomen belandt hij in het klooster, het huwelijk wordt ontbonden en zijn vrouw gaat ook in het klooster. Een kartuizerklooster, een strenge orde. Misschien wel de zwaarste kloosterorde. Waarbij je altijd zwijgt, nooit vlees eet en vegetarisch. Bovendien wordt je nacht gebroken door een uur lange nachtmis.
In het klooster vertaalt hij de religieuze tekst Des coninx summe, een indrukwekkende titel. Als hij later zijn kans ziet om de erfenis van zijn vrouw te kunnen incasseren, verlaat hij het klooster. Met geweld haalt hij zijn vrouw ook op. Het mondt uit op een mislukking, waarna hij later opduikt op het slagveld bij de beroemde Slag bij Azincourt. Als huurling, opmerkelijk voor een ridder, maar als je het boek van Frits van Oostrom leest, zul je merken dat het helemaal niet zo opmerkelijk is.
Nobel streven geeft een inkijk in een indrukwekkend verhaal waar Frits van Oostrom wel raad mee weet. Hij begint met met heerlijke zinnen waarmee hij de achtergrond van Jan van Brederode kenmerkt, zoals: ‘Jans grootvader Dirk was een geweldenaar.’ Om daarna de heldenfeiten van Dirk van Brederode te vertellen. Jans vader en broer zijn iets minder gewelddadig. Al is het in een tijd waarin het land verdeeld wordt door de Hoekse en Kabeljauwse twisten, moeilijk om geen wapen in de hand te nemen.
20e eeuwse verbazing
Bij dit alles weet Frits van Oostrom prachtig te spelen met de 20e eeuwse verbazing die sommige aspecten uit de ridderlijke maatschappij bij je oproepen. Zoals het huwelijk tussen Willem van Brederode en Margriet van der Merwede. Willem was 23 jaar oud toen dit huwelijk bezegeld werd. Margriet niet ouder dan 3:
[H]et moet zelfs voor middeleeuwse begrippen een ongemakkelijke ceremonie zijn geweest voor het altaar. Dat dit huwelijk nog vele jaren kinderloos zou blijven, werd blijkbaar ingecalculeerd. (132)
Het huwelijk is in de middeleeuwen vooral een verbintenis tussen families en niet zozeer een ceremonie die de liefde bezegeld. Een peuter die trouwt, is zelfs in de middeleeuwen een beetje te gortig. Maar Van Oostrom zal er nog een aantal keren naar verwijzen. Bijvoorbeeld als hij de lezer een blikje gunt in de toekomst:
Margriet van der Merwede en Stein, als schatrijke peuter bij de Brederodes ingetrouwd, zou als volwassenen vrouw bemerken dat er van haar erfdeel nog maar weinig over was. (219)
Het familiefortuin verdampt. Dat is ook het probleem tussen het huwelijk van Jan en Johanna van Abcoude. De vader van de bruid weet uit de overeenkomst het maximale te halen voor zijn familie. Het huwelijk is eigenlijk boven Jan van Brederodes stand. Hij kan het eigenlijk niet betalen en steekt zijn familie in de schulden.
Als er dan ook nog eens geen kinderen komen, besluit Jan van Brederode naar Ierland af te reizen om in een grot het vagevuur mee te maken.
Op bedevaart
Jan van Brederode maakt een bedevaartreis naar Ierland in de hoop dat er kinderen komen. Zijn huwelijk is kinderloos en hij hoopt met deze reis hiermee het tij te keren. Hiervoor betreedt hij de grot waar Sint Patricius het vagevuur heeft doorstaan. Hij moet een nacht lang in het aardedonker van de kleine ruimte zitten.
Dat je langzaam maar zeker en ongetwijfeld ook door bepaalde schimmels op de rotsen gaat hallucineren is niet zo heel vreemd. De nacht in de grot van Sint Patricius moet voor sommige pelgrims een bijna-doodervaring hebben opgeleverd. Of zoals Van Oostrom het schrijft:
Ze kunnen een nacht hebben geleefd in hun persoonlijke Jeroen Bosch, bij wijze van ‘augmented reality’. (86)
Heerlijke verhalen die Frits van Oostrom heel treffend typeert en aan het papier toevertrouwd. Verbindingen leggend met onze tijd en de belevingswereld van de literatuur.
Kloosterbestaan
Het huwelijk blijft kinderloos. Mogelijk biedt het kloosterbestaan een uitweg om onder de gigantische gages aan zijn schoonvader te komen. Jan verlaat bij het overlijden van zijn schoonvader, weer even snel het klooster. Hij ruikt zijn kans, maar is kansloos. Hij probeert alles, met en zonder hulp:
Tenzij uiteraard… zijn kloostergelofte van eertijds ongeldig was geweest. Precies deze kaart blijkt Jan nu te zijn gaan spelen. Ongetwijfeld zijn ook hier juristen aan te pas gekomen om dit geitenpaadje in het vonnis van 14 april 1409 te wijzen. (205)
Als een hedendaagse burger probeert hij de mazen in de wet te vinden om toch zijn gelijk te behalen. Het blijkt een kansloze exercitie. Temeer omdat zich zelfs de kanselier van de Notre Dame in Parijs zich over de kwestie buigt en zijn oordeel velt. Al zou je heel veel geitenpaadjes uit het complexe betoog kunnen ontwaren, Jean Gerson is duidelijk. Eens een gelofte gedaan is altijd een gelofte gedaan.
De daden van Jan van Brederode krijgen wel een heel ander perspectief in het verhaal van Frits van Oostrom. Dat Jan bijvoorbeeld zijn vrouw uit het klooster probeert te ontvoeren, is hier heel duidelijk een wanhoopsdaad. En de voormalige ridder mag er voor bloeden. Hij komt in het gevang en zijn vrouw overlijdt een jaar later. Aan hartzeer, zo beweren de bronnen.
Het einde bij de beroemde Slag bij Azincourt, waar Engeland met een minderheid het veel grotere Franse leger verslaat, plaatst Frits van Oostrom weer zo mooi in context. Binnen het literaire kader van het toneelstuk Henry V van Shakespeare. Een mooie vermenging van het verhaal zoals de geschiedschrijvers het hebben opgesteld en hoe mensen als Jan van Brederode het beleefd hebben.
Feit en fictie
In de biografie over het leven van Jan van Brederode zitten onherroepelijk leemtes. Gaten van periodes waar we niet het fijne van weten. Daarom verwijst Frits van Oostrom aan het einde van zijn biografie naar literaire verwerkingen. Hij verwijst dat van het laatste gedeelte van het leven van Jan van Brederode onbewust een roman geschreven is.
Hij verwijst naar andere geleerden die boeiende romans hebben geschreven. Zo is De naam van de roos van Umberto Eco het resultaat van jarenlang onderzoek. Umberto Eco merkte dat hij in zijn wetenschappelijke werk sommige verhalen niet kon vertellen omdat het aan bewijs ontbrak. Daarvoor leent de literatuur zich bij uitstek. En zeker de roman. Zo verwerkte Umberto allerlei middeleeuwse bevindingen en ideeën in zijn bestseller. Fabuleren op de plekken waar je niet kunt argumenteren.
Eco’s De naam van de roos (1980), bij verschijning bescheiden uitgebracht als ‘een boek voor fijnproevers, voor bedachtzame genieters’, verkocht inmiddels wereldwijd 50 miljoen exemplaren – en dat voor een roman over een veertiende-eeuws klooster. (314)
Inderdaad lenen de middeleeuwen zich prima voor een roman, zeker als er een portie misdaad en een meesterbrein is om de moorden op te lossen. Een andere roman waar Van Oostrom naar verwijst en die mij waanzinnig nieuwsgierig maakt is een roman over het leven van Dante. Marco Santagata, hoogleraar literatuurgeschiedenis in Pisa, schreef naast een biografie over het leven van de Italiaanse schrijver, ook een roman. Het werk heet Als verliefde vrouw (Come donna innamorata), over een intellectueel die hoon opwekt omdat hij een stom klerkenbaantje accepteert om grootste literatuur te kunnen schrijven.
Literatuurwetenschapper of romanschrijver?
Frits van Oostrom haalt hier terecht het probleem van de literatuurwetenschapper aan ten opzicht van de romanschrijver. De wetenschapper moet zich houden aan de feiten en kan alleen met hulp van argumenten overtuigen. De roman biedt een heel andere kant de ruimte. Ze geeft ruimte aan het gevoel, waar de wetenschapper zich niet kan en durft te wagen. Het leven van Jan van Brederode is voor een romanschrijver bij uitstek een geschikt onderwerp:
Niet alleen wat er gebeurde, maar ook hoe het voelde. Oftewel: een waargebeurde roman. (320)
Al moet ik zeggen dat Frits van Oostrom zich soms ook waagt aan een inschatting hoe iemand zich gevoeld moet hebben. Het leven van Jan van Brederode leent zich hier uitstekend voor. Waarom neemt hij bepaalde beslissingen en is het inderdaad zo grillig als het soms overkomt. Dat vraagt aan een andere component van iemand om een beslissing te nemen, namelijk: het gevoel.
Daarmee laat Frits van Oostrom in mijn overtuiging zien dat hij zich best eens zou mogen wagen aan een roman over het leven van zijn gebiografeerde held. Het belooft een mix te worden met een hoog Couperus-gehalte, met erg interessante familie-intriges. Allemaal ingrediënten waar hij zich best eens aan mag wagen. En dat het een bestseller wordt, staat wat mij betreft vast. De biografie Nobel streven is al een boek dat je in 1 adem uitleest. Als het geromantiseerd wordt, is nog meer een feest om te lezen.
Frits van Oostrom: Nobel streven, Het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode. Amsterdam: Prometheus, 2017. ISBN: 978 9044 6346 79. Prijs: € 25,99. 400 pagina’s.Bestel
Als het schip Titanic in de haven van Genua aanmeert, legt de verteller van de roman Het valse seizoen een leuke link met de werkelijkheid. 1 van de 3 personages, de componist Pablo Sleedoorn gaat van het schip af en bezoekt meteen een beroemde Nederlandse dichter.
Het is natuurlijk Ilja Leonard Pfeiffer die vorig jaar zijn imposante brievenboek over Genua uitbracht. En in 2014 met de roman La Superba over zijn geliefde Italiaanse stad nog de Libris literatuurprijs won.
Ik heb met Pablo een ommetje gemaakt en een bordje pasta gegeten op het Piazza delle Erbe waar we gezelschap kregen van een dikke langharige dichter uit Nederland die Pablo vroeger gekend had en die hier bleek te wonen. ‘Ah, kijk eens aan!’ klonk de bronzen basstem vanonder een luifel. ‘Pablo Sleedoorn… Wat een genoegen om jou hier te zien.’ (368)
Voor Camiel roept Genua herinneringen op aan de film over Paganini. Hij speelt hierin de vingerzettingen die de actueur Paolo Masterelli niet machtig is.
In de smalle stegen bij de haven rook het afwisselend naar voedsel, urine en schoonmaakmiddelen. (367)
De sfeer van de roman en het brievenboek van Ilja Leonard Pfeiffer ademt dit fragment slechts gedeeltelijk. Je proeft hier wel de fascinatie van de Nederlandse dichter voor deze rauwe stad. Dit is niet het Italië dat de meeste mensen kennen, merkt de verteller op. De steegjes in deze stad hebben dezelfde atmosfeer als de stegen rond de Amsterdamse Zeedijk.
Voetnoten noemt Arnon Grunberg zijn dagelijkse stukjes op de voorpagina van de Volkskrant. Hij heeft deze korte overpeinzingen al uitgegeven in een paar verzamelbundels. Ik heb zijn eerste stukjes nog wel gevolgd, maar ergens ben ik afgehaakt. Zeker in het begin ging het Grunberg nog niet goed af om iets over de actualiteit te vertellen en te vinden in 140 woorden.
Nu zijn de stukjes af en toe ware parels. Een zijsprong uit de actualiteit. Even stappen uit de hectiek van alledag. Ik moest eraan denken bij het stellen van de boekenvraag over voetnoten in teksten. Hij kwam binnen via Niek, die eveneens meedoet met het beantwoorden van de vraag. Een voetnoot hoef je niet te lezen, maar soms is het even een heerlijke zijsprong uit het verhaal. Niet direct ter zake doende, maar de informatie is te interessant om niet te lezen.
Onderaan de pagina
In haar eerste bijdrage aan #50books schrijft Lalagè dat ze voetnoten onderaan de pagina het handigste vindt. Als de tekst achter de nummertjes helemaal achterin het boek verdwijnt, wordt het een stuk lastiger lezen. Je moet dan steeds naar achteren bladeren om de notitie te kunnen lezen. Dat kost meer moeite en daarnaast haalt het je uit het verhaal.
Bij het lezen van de vraag moest Lalagè meteen denken aan Het korte maar wonderbare leven van Oscar Wao waar in de voetnoten delen uit de geschiedenis van de Dominicaanse Republiek staan. Het grote voordeel is volgens de boekblogger dat de noten onderaan de pagina staan. Dat haalt je niet heel erg uit het verhaal. Bovendien zijn de voetnoten best interessant om te lezen.
Echte voetnoten
Ook blogger Ali wijst op het verschil tussen de noot onderaan de pagina, de ‘echte’ voetnoot, en de noot helemaal achterin het boek, de eindnoot. Ze vraagt zich af waarom de tekst zonodig in een voetnoot of eindnoot moet. Kan de tekst uit de voetnoot niet gewoon in de lopende tekst van het verhaal?
Een goede vraag, waarbij ik ook vaak tijdens mijn studie merkte dat sommige voetnoten heel erg interessante informatie bevatte. Wat mij daarbij altijd opviel, was dat gedachte in de noot niet altijd even goed wetenschappelijk te staven was. Waarschijnlijk wilde de wetenschapper zich niet branden aan de bewering en hield hem daarom in de voetnoot.
Voetnoot leidt tot meer vragen
Ze merkt daarom terecht op dat sommige voetnoten tot meer vragen en daarmee ook tot interessantere boeken leidt. Dat moet Martha missen, want ze leest geen voetnoten. In haar blog over de voetnoot schrijft ze dat voetnoten alleen maar afleiden. De boekenvraag levert voor haar wel een nieuwe vraag op: hoeveel schrijvers zijn er niet gereduceerd tot voetnoot?
Veel schrijvers die ze noemt, worden nauwelijks gelezen. Of het heel erg is, weet ik niet. Daarvoor in de plaats zijn vaak weer veel andere boeken verschenen die zeker ook de moeite van het lezen waard zijn. Zo’n oude voetnoot-lezer kan soms heel verrassende effecten opleveren. Dat ervoer ik vorige zomer bij het lezen van Jacob van Lenneps roman Ferdinand Huyck.
Irritante noten
Blogger Niek vindt alle soorten noten irritant. Ze heeft gemakshalve alle noten op 1 hoop gegooid, dus ook eindnoten en noten die aan het eind van elk hoofdstuk staan. Ze halen je uit het lezen van de tekst en hebben geen enkele functie. Dan liever geen noot of de informatie uit de voetnoot verwerken in de tekst.
Ze maakt 1 grote uitzondering, dat zijn de Schijfwereld-boeken van Terry Pratchett. In deze boeken steekt de verteller juist de draak met voetnoten. Ze lopen soms pagina’s door en Pratchett creëert soms zelfs voetnoten in een voetnoot en daar weer een voetnoot binnen. Ze zijn volgens haar onderdeel van het verhaal en daarom kan ze er zo van genieten. Misschien dat Niek daarom zo’n hekel heeft aan ‘gewone’ voetnoten. Ze weet hoe leuk ze kunnen zijn.
Verschil in voetnoot
Ook voor Fokke is er een verschil in noot. Voor hem is de voetnoot onderaan de bladzijde waarin de verwijzing wordt gemaakt, de meest ideale plek. Een eindnoot haalt je toch teveel uit de tekst en daarvoor heb je een tweede bladwijzer nodig. Hij vindt in de voetnoten soms de informatie die hem weer extra aan het denken zet. Of een geweldige vondst zoals in de brief van Du Perron Mayer. Hierin vraagt Du Perron om een boek te bestellen, maar wel zonder voetnoten onderaan de pagina. Als er iets erg is, dan is dit het wel:
Van alle akeligheden is dàt voor mij wel het ergste.
Uitgerekend op deze pagina staat er een voetnoot onderaan de pagina. Een heerlijke vondst waarbij de editeur geen rekening houdt met de ergernissen van de brievenschrijver. Wat bij mij meteen de vraag oproept of het misschien een mode is: de voetnoot of de eindnoot en de ergernis aan 1 van de 2. Zoals Du Perron zich ergerde aan voetnoten, zo ergeren de bloggers op de boekenvraag zich aan eindnoten.
#50books
De leesvraag #50books is een initiatief van Peter in 2013. Martha nam het in 2014 over en in 2015 ging Peter zelf weer verder. Vanaf de eerste vraag doe ik regelmatig mee. Naar overzicht van alle vragen.
Het vragen van een lijst met de 10 must-reads aan de volgers van #50books, verplicht mijzelf tot het maken van hetzelfde lijstje. Welke boeken hebben mij gevormd en kan ik iedereen aanraden om te gaan lezen?
Het zijn boeken die aansluiten bij mijn liefde voor lezen, het verhaal, treinen, muziek en ook het normale leven. Het zijn boeken die ik zo weer zou pakken om te gaan herlezen. Boeken die mij de mooie kant van het leven laten zien:
1. Hotz: Mannen spelen, vrouwen winnen
In deze autobiografische bundel staan allemaal schitterende jeugdherinneringen, al ben ik ook heel erg onder de indruk van De voetnoot, de enige novelle die Hotz schreef
2. Belcampo: De wondere wereld, de keuze uit zijn werk
Met ondermeer het prachtige verhaal van Bach in Groningen. Een spel met de geschiedschrijving die zijn weerga niet kent.
3. Jack Kerouac: On the Road, vertaald als Onderweg
Een roman van een jonge generatie die zich nergens druk over maakt en het leven viert. In mijn studententijd verafschuwde ik dit boek, maar nu geniet ik ervan als ik het lees. De energie en het lef spreken mij aan.
4. Paul Theroux: De grote spoorwegcarrousel
Een prachtige treinreis die Paul Theroux maakt. Hij ontvlucht zijn slechte huwelijk en gaat op reis. Een prachtig verhaal dat mijn ogen opende voor de moderne reisliteratuur.
5. Dostojevski: Misdaad en straf
Ik las het boek tijdens mijn studie in 1 dag en 1 nacht uit. Wat een sensatie. Het is 1 van de heftigste leeservaringen geweest die ik heb gehad. Zo heftig dat ik het boek nooit meer durf te lezen uit angst dat het dan alleen maar kan tegenvallen.
6. Franz Wilhelm Junghuhn: Terugreis van Java naar Europa
Een openhartig reisverslag van mijn lievelingsnatuuronderzoeker: Franz Wilhelm Junghuhn. Ik heb van de heruitgave van dit werk mijn afstudeerscriptie gemaakt.
7. Maarten ’t Hart: De dorstige minnaar en andere verhalen
Prachtige verhalenbundel met het verhaal van de oom die harmoniums verkoopt. Het beklemmende gereformeerde milieu en de schoonheid van de muziek zijn mooi en lelijk tegelijk.
8. Gerrit Komrij: Horen, zien en zwijgen
Gerrit Komrij op zijn best. Wat een humor. Het is lachen, gieren en brullen. Genieten hoe hij de televisie van eind jaren 1970 op de hak neemt.
9. Jan Wolkers: De walgvogel
Die magistrale opening, het lijkt of je het bijbelboek Jesaja openslaat. Die taal, het is mijn taal en ik kan genieten van de humor die eruit spreekt. Daarbij weet Wolkers heel treffend de politionele acties te verwerken in een boek alsof hij het zelf heeft meegemaakt.
10. Tonke Dragt: Torenhoog mijlenbreed
Het is niet het boek dat ik in mijn jeugd las, maar pas laatst mijn dochter Doris heb voorgelezen. Nooit geweten dat ik science fiction ooit mooi zou vinden, maar ik ben echt van de planeet Venus gaan houden.
De leesvraag #50books is een initiatief van Peter in 2013. Martha nam het in 2014 over en in2015 ging Peter zelf weer verder. Vanaf de eerste vraag doe ik regelmatig mee. Naar overzicht van alle vragen.
Een groot misverstand is dat literatuur niet spannend mag zijn. Het tegendeel is juist waar, vind ik. Literatuur mag heel spannend zijn. Het hoeft niet een eindeloos geneuzel te zijn over diepere onderwerpen. De lezer mag best benieuwd zijn naar de volgende bladzijde.
Ik ken best wel wat romans die gewoon spannend zijn. Een boek als Oliver Twist laat zien dat een forse roman van Dickens ook gewoon spannend is. Slaugterhouse five van Kurt Vonnegut vermengt op een intrigerende wijze science fiction met de waanzin van oorlog. Jan van Aken laat zien dat historische romans als De afvallige of De valse dageraad soms tegen de fantasy aanschurken. Of laatst nog de roman De man die de taal van de slangen sprak van Andrus Kivirähks. Allemaal boeken die literair zijn, maar zeker ook invloeden hebben gehad uit bepaalde genres.
Het stripverhaal of de film dragen zeker ook bij aan de literatuur. Bepaalde filmeffecten kregen een plek in boeken. Lezers van nu zullen bepaalde verplaatsingen van hoofdpersonen veel sneller in de gaten hebben, dan lezers een eeuw geleden ervoeren. Het is dus zeker zo dat literatuur beïnvloed wordt door allerlei uitingen in de omgeving.
De invloed van de computer en het internet op de literatuur is eveneens heel sterk. Was het een tijd mode om heel dikke boeken te schrijven, nu worden de boeken steeds dunner en bevatten soms nauwelijks een clou. De rol van de betekenistoekenning verschuift en lijkt soms meer bij de lezer komen te liggen. Een aantal jaren geleden vergeleek jury van een literaire prijs de verschenen romans van dat jaar met IKEA-kasten die de lezer zelf in elkaar zou mogen zetten.
Daarom denk ik zeker dat genres vervagen. Zeker de literatuur laat zich meer en meer beïnvloeden door wat er met andere boeken gebeurt. Soms zelfs veel te sterk. Maar het verschil zit hem vooral in de boekhandelaren en de recensenten die boeken graag in hokjes, vakjes en sterren indelen.
Een boek wordt dan bestempeld als ‘young adult’ of ‘science fiction’. Omdat het dan een ander publiek zou aantrekken waardoor het boek beter verkoopt. Terwijl het zou moeten draaien om het onderwerp en niet om het label dat een boek gekregen heeft.
Van de week heel mijn verzameling met gratis boeken van de bibliotheek opgezocht en verder aangevuld. Ik bleek het boekje van Harry Mulisch nog niet in mijn bezit te hebben. En voor het overzicht moet ik dat natuurlijk wel hebben.
De eerste jaren heb ik niet echt meegedaan met de landelijke leesclub Nederland leest. Het is begonnen met Frank Martinus Arions roman Dubbelspel, gevolgd door klassiekers van Theo Thijssen en Hella Haasse.
Ik ben niet met Oeroeg gaan meedoen met de Nationale leesclub, maar sinds Remco Camperts Het leven is vurrukkulluk doe ik elk jaar mee. En herlees de klassiekers van weleer. Het is best leuk om mij weer te laten meenemen door de boeken die ik heel vaak al vroeger eens las.
Ook schrijf ik jaarlijks een bijdrage voor het Zuid-Afrikaanse Litnet over deze maand waarin een boek centraal staat uit de Nederlandse literatuur. Of de nationale leesclub bijdraagt aan het leesgedrag, weet ik niet. Er zal vooral een groep benaderd worden die toch al leest.
Ik geloof ook niet dat je een initiatief als dit daarop moet beoordelen. Het is gewoon leuk dat je een boekje krijgt en dat je weet dat een paar duizend andere mensen het met je zullen meelezen.
Al vind ik het zelf een beetje overdreven om je zover te laten meevoeren dat je lezen combineert met eten. Maar als iemand daar plezier mee heeft, ben ik de laatste die dat plezier wil vergallen.
Speciaal voor de actie Nederland leest fiets ik naar de bibliotheek. De gracht is gehuld in een laagje mist. Verder weg van het water is het best helder. Ik haal de zondagsrijders in op weg naar de Nieuwe bibliotheek.
In de bibliotheek, tegenover de balies zit Aaf Brandt Cortius op een hoge stoel, microfoon onder haar neus. Vanmiddag heb ik haar nog omgestoten. Een hoge stapel boeken viel in mijn studeerkamer om en zij lag ineens bovenop met het ABC van het moderne levenNRC Next schreef en het stukje moest beginnen met een zin. ‘Ik stuurde altijd 10 zinnen mee, dan kon de redactie daar een keuze uit maken.’
Het verhaal gaat over zwanen, een moederzwaan en kleine zwaantjes die niet het water uit kunnen. Ze belt de zwanendeskundige van Almere – ‘Ja, de gemeente Almere heeft een zwanendeskundige’ – die vertelt wat ze moet doen. Ze voelt zich een reddende engel.
Het gekeuvel op de hoge stoel krijgt een vervolg, maar de rij waarin ik sta is zover naar de balie geschoven dat ik vooraan sta. Het boekje dat bij de actie hoort. Daar ben ik voor gekomen. Op de dozen die op de tafel achter de balie staan, staat met grote letters ‘Niet verstrekken voor 1 november.’
Nu krijg ik het boekje met de paarse voorkant mee. Korte verhalen, maar liefst 40 verzameld door dé korte verhalenschrijver van Nederland: A.L. Snijders. Ik wist niet dat dit het thema was van deze 10e editie. Maar ik ben blij en loop tevreden de bibliotheek uit.
Het kabbelend beekje van Aaf Brandt Cortius klotst rustig verder door de microfoon. Ik laat de bladzijden al lopend door mijn vingers ritselen en ruik die typische geur van de boekjes van Nederland leest tot mij doordringen.
Rob Nieuwenhuis, nestor van de Indisch-Nederlandse letterkunde stelt in zijn boek Oost-Indische spiegel dat de Indische roman voortkomt uit de brieven naar huis. Daar moet ik meteen denken bij het lezen van Peters vraag.
De briefroman is inderdaad een beetje achterhaalt. Soms kruipen er mailtjes of andere digitale uitingen in romans, maar het draait nu vooral om het verhaal. De brief speelt sowieso een steeds minder grote rol. Ik las afgelopen zomer Ferdinand Huyck van Jacob van Lennep. In deze roman komt regelmatig een krabbel voorbij.
De brievenboeken waar ik echt van houdt, zijn de brieven van Willem Walraven. Wat een prachtige stijl heeft deze man. Hij schrijft vanuit Nederlands-Indië naar zijn familie in Nederland. Het zijn ontroerende verhalen die lezen alsof het een roman is. De brieven bevestigen de stelling van Rob Nieuwenhuys dat de Indisch-Nederlandse literatuur haar oorsprong heeft in de brief naar huis.
De brieven van Du Perron en Ter Braak zijn zeker ook de moeite van het lezen waard. Ze geven een mooie inkijk in een bijzondere vriendschap, al vraag ik mij soms af of de brieven niet geschreven zijn om gelezen te worden door anderen. Dat vraag ik me ook weleens af bij zeer zorgvuldig geconstrueerde dagboeken. Daar lijkt de schrijver zich bewust te zijn dat hij later weleens gelezen kan worden. Hetzelfde geldt voor de brievenboeken die ik ken.
Het mooiste brieven in een boek, zijn de Brieven van de Schoolmeester, uitgegeven door Marita Mathijssen. Deze brieven geven een prachtig inkijkje in de 19e eeuw. Ze zijn allemaal geschreven door de dichter die bekend staat als De schoolmeester.
Achter de Schoolmeester gaat de schrijver Gerrit van de Linde (1808-1858) schuil. In zijn studententijd moest hij acuut verhuizen naar Engeland, waar hij een kostschool. De gedichten die hij in zijn studententijd schreef, publiceerde Jacob van Lennep later in een dichtbundeltje dat misschien wel het bekendste dichtbundeltje uit de 19e eeuw is, naast de gedichten van Piet Paaltjens.
Dit soort brieven lijken inderdaad niet meer geschreven te worden. Maar ik ben ervan overtuigd dat er wel een nieuwe vorm gevonden zal worden om dit soort juweeltjes naar buiten te brengen. Egodocumenten blijven bestaan. Is het niet in de vorm van een brief, dan wel in de vorm van een e-mail of Whats’app.
Alleen hobbelt de literatuur altijd een eindje achter de techniek aan. Het wachten is op de verborgen mailtjes van schrijvers, waarin net zoveel onthuld wordt als in een mooie, ouderwetse brief.
De hoofdpersoon in Thomas Verbogts roman Als de winter voorbij is zegt dat hij van 2 mensen een boek van Camus heeft gekregen: zijn vader en Julie Prinsen, die hij in het eerste jaar van zijn studie Nederlands ontmoet.
Het eerste boek waar de ik-verteller over spreekt is het dikke essay De mythe van Sisyfus. Hij krijgt het van zijn vader, die het 20 jaar eerder had gekocht. Zijn vader trekt het uit de boekenkast en geeft het hem.
Het boek over de mythe van Sisyfus staat symbool voor een indrukwekkend college dat ik kreeg van Mathias Prangel. Het essay behandelt de zin van het leven door 1 van de meest pregnante onderwerpen aan te kaarten: de zelfmoord.
Het college was er 1 van het soort dat je daarna nooit meer vergeet. Zo indrukwekkend vertelde Mathias Prangel in een mooi vervlochten en heel persoonlijk verhaal waarom dit boek van Camus hem zo gevat hij. Het was het verhaal van een jongen uit Berlijn die ternauwernood aan de goede kant van de muur terecht was gekomen en dit boek vond. Hij had op tijd de S-Bahn genomen naar West-Berlijn.
Kippenvel.
Het andere boek dat de verteller Van Verbogts roman noemt is La peste, een boek dat de verteller krijgt van zijn medestudente Nederlands, Julie Prinsen. De verteller koppelt dit boek met een belevenis die hij met het meisje heeft.
Hij verontschuldigt zich tegenover haar. Zij vindt dat hij zich niet hoeft te verontschuldigen. Hij is niet overal de schuld van, zoals hij zelf vindt.
Julie zegt het die ochtend, waarop de kou ijl door de straten van Nijmegen waaide, zo ernstig dat ze zich in me vestigde. Het is van die ernst die met geloof te maken heeft – er zijn een paar dingen die je heel erg moet geloven, dingen die je moet leren geloven. (68)
Een boek dat een herinnering in zich draagt van het moment waarop je het gekregen hebt. Ik heb niet zoveel van dat soort boeken. De paar boeken die wel herinneringen wel in zich dragen koestert ik.
Het speelt bij mij vaker een rol waar ik het tegenkwam of waar ik het las. De verteller van Thomas Verbogts roman lijkt meer een relatie te hebben met de gever en het boek dat hij kreeg.
Thomas Verbogt: Als de winter voorbij is. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2015. ISBN: 978 90 468 1932 6. Prijs: € 19,95. 224 pagina’s. Bestel
Geen groter plezier dan het lezen van een historische roman. Mijn grote liefde voor geschiedenis en verhalen, maakte dat ik in mijn pubertijd Thea Beckman helemaal ontdekte.
Haar verhalen rond historische gebeurtenissen en personen, de kinderkruistocht, Jan van Schaffelaar, het rampjaar 1674, de storm in Utrecht waarbij het middenschip van de Domkerk instortte en de 100-jarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Geschiedenis die voor mij begon te leven in de verhalen van Thea Beckman.
Later verschoof de historische roman een beetje naar de achtergrond van mijn interesse. Voor en tijdens mijn studie Nederlands genoot ik voornamelijk van de moderne, Nederlandse literatuur. Ik las alles wat los en vast zat, maar geen historische romans.
Dat kwam pas later, maar wel al tijdens mijn studie in Leiden. Samen met 2 andere studenten begonnen we een studentenblaadje met de naam Putdeksel. We schreven de uitgeverijen van Nederland aan om boeken te bespreken. Tot onze verbazing kregen we wat toegestuurd van Prometheus. Het was de uitnodiging voor de presentatie van de debuutroman van Jan van Aken.
Het bleek vooral een incrowd-feestje te zijn waarbij Hafid Bouazza grapjes maakte die alle aanwezigen begrepen, maar ik niet. Later schreef ik mijn eerste recensie over de historische roman van Jan van Aken. We noemden hem de enige schrijver in Nederland die dit genre nog beoefende op de stokoude Teun de Vries na.
Ik besprak het boek en merkte op dat er niet zoveel over de vrouw geschreven werd. Jan van Aken klom in de pen en schreef een mailtje waarin hij vond dat ik mijn politiek correct aanstelde. Hij had een hekel aan politieke correctheid. Voor hem stond het gelijk aan hypocrisie.
Daarna verdween mijn aandacht, totdat ik aan het einde van mijn studie de nieuwe roman van Jan van Aken las, De valse dageraad. Een geweldig verhaal dat het midden hield tussen een avonturenroman, reisverhaal en fantasieverhaal. Het dikke boek ging mee op mijn fietsvakantie en ik hield het in mijn hand als teken van herkenning bij een date met een meisje uit Almelo.
Daarna ben ik hem actief gaan volgen. Het verleden dat hij op een intrigerende wijze weet te vermengen met het verhaal, waardoor het verleden tot bloei komt. De grapjes die de verteller uithaalt met het verleden en waarmee hij de geschiedschrijving op de hak neemt. Ik kan daar erg van genieten.
Afgelopen zomer waagde ik mij aan een andere historische roman. Eentje uit de negentiende eeuw van Jacob van Lennep. De roman Ferdinand Huyck is van een heel ander kaliber dan het werk van Jan van Aken, maar toch proef je ook hier het spel met het verleden. De historische roman is in de 19e eeuw een geliefd genre.
Schrijvers beschikken over een grote fantasie en de beschreven historische werkelijkheid is niet zoals deze geweest is, maar zoals deze geweest zou kunnen zijn. Het is een poging tot reconstructie waarin de beleving belangrijker is dan de feiten. Historici zien het andersom, maar een geschiedenis gebaseerd op feiten en net zomin de werkelijkheid als het verhaal in een historische roman.
De historische roman heeft daarmee een voorsprong op het algemene geschiedenisverhaal. Bij het lezen van een boek van Jan van Aken krijg je een verhaal zoals dat in de beschreven periode zou kunnen zijn geweest. Daarbij gaat de geschiedenis leven bij een goed verhaal. En zo maak je kennis met een periode zonder er erg in te hebben. Als je het niet zo nauw neemt met de historische feiten, heb je er nog veel meer plezier aan.
Als de titelheld en ik-verteller van de Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck bij de Bussumerhei staat, doet hij een interessante bevinding. Het lijkt erop dat hij de Tafelberg (36,4 meter) beklommen heeft.
Tegenwoordig ligt deze heuvel ingeklemd tussen snelwegen en provinciale wegen, maar dat vroeger een prachtig uitzicht bood tot aan Amersfoort, de Zuiderzee en bij mooi weer zelfs tot Utrecht.
Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men vandaar geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken, thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het lommerrijke geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen: – over Blaricum, de beide Eemnessen, Zoest, Baarn en Amersfoort: over het boschrijke landschap daar tusschen, en over de blaauwe zee, de Stichtse bergen, en de graauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen: – en aan den vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen. (66)
Hij staat daar midden in het straatarme Gooi. De boeren weten met moeite te overleven op de kale zandgronden. Van de rijkdom die hier meer dan 250 jaar later is, is nog helemaal niets te vinden.
Daar op die Tafelberg beseft de ik-verteller Ferdinand Huyck dat de rijkdom niet ver van hem afligt. Het buiten van zijn tante ligt hier op 1,5 uur lopen vandaan. Daar ligt de oase ‘waar de Amsterdamsche rijkdom al zijn weelde en schatten ten toon spreidt’.
Het contrast kan niet groter zijn en Jacob van Lennep speelt met dit gegeven. Waar de Amsterdamse kooplieden hun royale buitenhuizen langs de Vecht hebben laten verrijzen. Op slechts 1,5 uur gaans van de plek vol ontberingen waar Ferdinand Huyck nu loopt.
Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.
De roman Ferdinand Huyck leest als een negentiende-eeuwse thriller met een hoog kluchtgehalte. De uitkomst is even verrassend als voorspelbaar. Daar ligt ook mijn grootste bezwaar van de roman van Jacob van Lennep. De ontknoping is een lang uitgestelde gebeurtenis, waar het eigenlijke verhaal traag doorheen meandert. Daarbij leest de meeste humor die de verteller bezigt als flauw en doorzichtig.
Neem het boottochtje dat Ferdinand met een flink gezelschap maakt, waaronder Lodewijk en Henriëtte Blaek. Het levert hilarische momenten op waarbij het schip in storm terechtkomt.
“’t Is gedaan!” riep een stem uit ons midden. Susanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen. Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotseling viel het stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wioj hoorden het zeenat als grommende van rondsom wegloopen; – maar toen wij, wanende dat ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water meer. (286-7)
Op spektaculaire wijze is de boot over de dijk heengeslagen en op de helling aan de droge kant beland.
Buitengewoon grappig, maar niet zo diepzinnig als het veel minder spektaculaire boottochtje dat de Familie Stastok maakt in Hildebrandts Camera Obscura. Veel simpeler en minder spektaculair, maar door de beschreven situaties is het verhaal van Hildebrand (Nicolaas Beets) veel hilarischer en memorabeler dan de boottocht die Jacob van Lennep in Ferdinand Huyck beschrijft.
Maar dat drukt de pret niet aan boord van het schip van Lodewijk Blaek. De Duitser Weinstübe is onvindbaar:
“Ach lieber Gott! zum hülfe! Ich pin todt.” “’t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest,” zeide ik, op het geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan de kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. (290-1)
Het boottochtje over de Zuiderzee steekt flauw af tegenover de grote ontsnapping aan het einde van de roman. Het tafereel verschuift naar Terschelling. Jacob van Lennep haalt alles uit de kast om de ontknoping tot een grootse gebeurtenis te laten worden. Hierbij benut hij de nodige kwinkslagen en weet alle personages in een magistraal slotakkoord te gieten.
Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.
Ik heb 2 exemplaren van Ferdinand Huyck in mijn boekenkast. Ze komen allebei uit de serie van Romantische werken die uitgeverij Sijthoff uit Leiden vaak herdrukte. De beide boeken zijn gebonden in een rode kaft, maar zijn van verschillend zetsel. Hierdoor telt het ene boek 436 pagina’s en het andere 498.
Het werk van Jacob van Lennep was tot ver in de 20e eeuws heel populair. De boeken zijn eindeloos herdrukt. Het boek Ferdinand Huyck behoort tot de populairdere romans van Van Lennep. Net als De roos van Dekama. Misschien dat het onderwerp best aansprak. Daarnaast zijn de boeken van Jacob van Lennep geschreven in een toegankelijke stijl.
Ik heb een exemplaar dat heeft toebehoord aan P.J. Biesmeijer. Hij schafte het exemplaar in maart 1890 aan. Of het boek echt stukgelezen is, weet ik niet. Het boek heeft wel veel geleden. Het band valt van de inhoud af en neemt daarbij de eerste en laatste pagina’s mee.
Misschien komt de schade ook door het dikke bundeltje papier dat aan het exemplaar is toegevoegd. Dat is gemaakt door een J. van der Spek in januari 1888 en is daarmee ouder dan dat P.J. Biesmeijer het boek aanschafte.
In een prachtige handschrift heeft J. van der Spek alle vreemde uitdrukkingen en woorden die in het boek voorkomen opgezocht en vertaald. Hij gaat hierin heel ver. Zo zoekt deze lezer naar de verklaring van woorden als ‘bagatelletje’, ‘croquettes’ en ‘intoleroble’. Daarnaast komen de vele mythologische figuren in de roman langs als Bacchus, Atlas en Hercules. Ook besteedt deze 19e eeuwse lezer aandacht aan de Franse zegswijzen die vooral de zus van Ferdinand Santje.
Daarmee geven deze notities een leuk inkijkje in de leeswijze van een 19e eeuwse lezer. Het maakt het uit elkaar vallende exemplaar van deze historische roman de moeite van het bezitten waard. Daarom kan ik het ook niet over mijn hart verkrijgen om juist dit boek van een nieuw omslag te voorzien.
Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.
Het meest laat ik mij verrassen door de boeken die ik te lezen krijg via de leesgroepjes van bloggers. Zo vond ik het boek Alleen met de goden van Alex Boogers heel erg de moeite waard. Net als dat de roman Wanneer wordt het eindelijk zoals het was van Joachim Meyerhoff mij raakte. Ik heb het zelfs iemand aangeraden om te lezen. Iets wat ik niet zo snel doe. Voor mij het signaal dat ik het een mooi boek vond.
Het zijn vaak boeken waar ik zelf zo snel niet aan zou denken om te lezen. De roman waar Peter over spreekt in zijn vraag 22 voor #50books, is van de blogtour geïntitieerd door WPG Uitgevers in België. Dit boek De man die de taal van de slangen sprak valt zeker ook onder de categorie boeken die je bijblijven. De schrijver Andrus Kivirähk maakt van de geschiedenis een sprookje en geeft het verleden toverkracht.
Tegelijkertijd doet hij dat ook weer niet. De verteller vindt de verhalen over meerfee en boomgeesten van de druïde Ülgas misleidingen. Net als dat hij het christelijk geloof van de dorpelingen, ridders en monniken verwerpt.
Ik zou zelf niet zo snel gekomen zijn op het lezen van zijn boek. Net als dat de boeken van bijvoorbeeld de schrijver Jan van Aken op die manier op mijn pad zijn gekomen. Samen met enkele medestudenten richtte ik het tijdschriftje Putdeksel op. In al onze onschuld schreven wij uitgeverijen aan om boeken te bespreken in ons tijdschrift.
Zo kregen we de uitnodiging om bij de presentatie van debutant Jan van Aken te komen. Ik was de enige pers die op de borrel met vrienden en familie was bij de uitgeverij. Na het lezen en bespreken van zijn debuut ben ik hem blijven volgen. Een schrijver die ik uit mijzelf niet zomaar zou zijn gaan lezen. Het is een bijzondere band geworden die ik met de schrijver en zijn boeken heb.
Het helpt om je horizon te verbreden en met andere ideeën en invloeden in aanraking te komen. Daarom hoef je een boek dat nu veel indruk op je maakt niet te herlezen. Het helpt namelijk ook om boek waar je nu niet doorkomt, later nog eens op te pakken. Het heeft mij een enorme herwaardering gegeven voor Jack Kerouac.
Toen ik het tijdens mijn studietijd las vond ik het een verschrikkelijk aanstellerig boek van een stelletje zuiplappen die al snuivend in gejatte auto’s een beetje door Amerika scheurde. Het opnieuw lezen van zijn roadnovel On the Roadvormde voor mij een herijking van deze bijzondere schrijver. Ik ben er zelfs meer boeken van hem door gaan lezen.
Of ik de boeken van Andrus Kivirähk, Joachim Meyerhoff en Alex Boogerds snel weer ga lezen, weet ik niet. Daarvoor zijn er veel andere boeken die op mij wachten. Zoals een interessant boek over de fusillade bij Veenendaal: Het kruis op de berg. De schrijver Constant van den Heuvel attendeerde mij op zijn boek naar aanleiding van een blog over Pauline Broekema’s familiegeschiedenis Het Boschhuis. Ook zo’n boek waar ik zelf niet zo snel opgekomen zou zijn, maar dat mij echt is bijgebleven.
Het zijn in allemaal boeken waar ik veel over schreef op mijn blog, vaak ook in meerdere blogposts. Dat is het beste signaal dat een boek indruk op mij maakt.
Het oudste boek in mijn boekenkast is het boekwerk Alle de Wercken van Focquenbroch. Het boek uit 1679 bestaat uit drie delen en zit in een onooglijke band, maar het is wel de oorspronkelijke.
De houtsnedes aan het begin van elk deel zijn werkelijk een lust voor het oog, met heel treffende details, waarbij die van de Afrikaanse Thalia buitengewoon gedetailleerd en treffend is verbeeld. Alles zit in deze 3 houtsnedes van de hand van Schoonebeek.
Koopman en dichter
Focquenbroch is een koopman en een dichter die veel Latijns werk vertaalde. Dit is ook terug te vinden in het boekje dat ik in bezit heb onder de titel: De Aeneas van Virgilius in sijn Sondaeghs-pack.
Het is een allegaartje van dichtwerk, maar Focquenbroch is van alle markten thuis en reist de hele wereld rond met zijn dichtwerk. Niet alleen Afrika, waar hij een periode werkt en in 1670 ook sterft, maar ook Indië en Japan komen in zijn boek voor.
Taalgebruik
Het taalgebruik en vooral de spelling staan wat verder van ons af, maar het is heerlijk om te lezen. Focquenbroch staat bekend als een cynische dichter die veel satire in zijn poëzie verwerkt. Naast gedichten, schreef hij ook toneel (die zitten ook in mijn band uit 1697). De poëzie moet ook vaak gezongen zijn, zoals dit lied:
Wegh wegh ick verlaet het malle Vryen: Faustina had wel eer mijn ziel bekoort; Maer door de tijd is die Min gans versmoort, Nu schyf ick het minnen heel ter syen Want wie sagh ooyt dat de Min, Immer aenbracht groot gewin? ‘k Roem voortaen dan mijn geluck, Want ick draegh geen liefdens juck.
‘k Sal niet meer op liefd van Maegdenhoopen, Gelijck ick eertijds op Faustina deê: Neen losse Maegt. ‘k haet de pijn die ick leê, Des soeck ick de Liefde nu ontloopen. Want wie sagh ooyt dat de Min, Immer aenbracht groot gewin? ‘k Roem voortaen dan mijn geluck, Want ick draegh geen liefdens juck.
Een prachtig lied dat ook nu nog gezongen zou kunnen worden. Ik ken mooie reconstructies van liederen uit zeventiende en achttiende eeuw. Dit lied past daar uitstekend in. De tekst mag dan ver van ons af lijken te staan, maar als je je er een beetje in verdiept, kom je een heel eind.
Zo heb ik in huis iets uit de zeventiende eeuw, een lot uit een boekenlot dat ik voor iets anders had gekocht, blijkt een heel mooi kleinood te bevatten. En ik geniet ervan.
Al tijdens mijn studie ontdekte ik de biografie. Het was de tijd dat Harry G.M. Prick met het eerste deel van zijn Van Deyssel biografie kwam. We hadden in die periode college van Peter van Zonneveld. Op een ochtend zat hij afwezig bij het college. Hij vertelde dat de biografie van Van Deyssel hem tot ver in de kleine uurtjes geboeid had. Nauwelijks geslapen had hij die nacht.
Voor mij kwam dat moment veel later. Ik kreeg het boek te pakken in de ramsj bij De Slegte. Maar ook ik werd gegrepen. Wat een leven van deze auteur. Harry Prick wist het leven van iemand die nog helemaal in de negentiende eeuw stond op een prachtige manier tot leven te wekken. Het leek of je meekeek, Van Deyssel op straat tegenkwam en even met hem in gesprek raakte.
Bij een boekenveiling van Bubb Kuyper bemachtigde ik een paar jaar terug een collectie biografieën uit de bibliotheek van Harry G.M. Prick. Het was een rijtje van elf biografieën, waaronder de biografie van P.A. Dauem, geschreven door Gerard Termorshuizen. Ik vertelde het aan Gerard Termorshuizen en nam het exemplaar van Harry Prick mee.
Het opvallendste waren de pennenstreken die Prick in zijn exemplaar had aangebracht. Het ging om correcties, waarbij hij Termorshuizen op de kleinste details corrigeerde. Het zijn eveneens de passages die ook terugkomen in de biografie van Van Deyssel. Het geeft een inkijkje in het werk van één van de meest interessante biografen van Nederland: Harry G.M. Prick.