In Logboek 1991-1992schrijft Harry Mulisch geregeld over zijn dromen. Op woensdag 5 juni 1991 schrijft hij op zijn computer:
‘Vannacht – eigenlijk vanochtend – gedroomd dat Julius (de teckel) naar mij toe kwam. In de twee zachte holtes van zijn keel en de aanzet van zijn voorpoten zaten plotseling twee extra ogen, lichtgrijze, die mij aankeken. Hij bracht zijn snuit naar mijn oor en zei zacht: ‘Harry…’ Met een fysieke schok van verbijstering werd ik wakker.’
Ik droom nooit over mijn teckels. Net als dat ik nooit over Harry Mulisch droom. Ik droom weer andere dingen. Dat ik heel mooi orgel bespeel (Zutphen) en een masterclass krijg van een beroemde organist. Of dat ik met een groep van 15 mensen ben en steeds iedereen moet tellen. Het zijn er 15 maar ik tel er steeds 17 of 18.
Overdag ben ik druk genoeg met de teckels. Het verzorgen van de maaltijd en het uitlaten vraagt genoeg aandacht. In de nacht laten ze mij met rust. Ik moet er niet aan denken ineens door ze te worden aangesproken in mijn dromen.
De schrijver ontdekt verderop in Logboek ook dat het verzorgen van de teckels best veel tijd kost. Op 17 juli 1991 schrijft hij:
‘Lastig leven zonder S. De hond eist even veel aandacht als een kind. K. helpt. Weinig geschreven, veel nagedacht.’
Het verklaart voor mij waarom De ontdekking van de hemel geschreven is en ik niet aan schrijven toekom. Mulisch hoeft niet steeds met de hond eruit en kan onafgebroken werken. Als zijn vrouw een dagje van huis is, dan breekt de paniek los. Ook al krijgt hij hulp van zijn vriendin K. Een teckel houdt je van het werk af.
De ontdekking van de hemel is de eerste roman die Harry Mulisch op de computer schrijft. In Logboek 1991-1992 gaat hij er in de inleiding op in. Hiermee geeft hij een onthullend inkijkje in het schrijfproces.
Harry Mulisch vertelt dat hij voor de komst van de computer als volgt werkt. Eerst schrijft hij de tekst uit. Een paar dagen later typt hij de geschreven tekst over. Bij dit overtypen brengt hij al verbeteringen aan. Daarna verbetert hij het typoscript weer en tikt deze tekst weer over.
Dit proces herhaalt zich drie of vier keer. Een roman van 250 bladzijden schrijft hij zo van begin tot eind met de hand en typt hij gemiddeld drie keer helemaal uit. Dat zijn duizend pagina’s tekst die Mulisch op dit manier produceert.
Mulisch beseft bij het schrijven aan De ontdekking van de hemel dat het boek niet drie- tot vierhonderd pagina’s dik zal worden, maar zeker het dubbele. Met de oude methode krijgt hij zo vier- of vijfduizend pagina’s te tikken. ‘Wat een stompzinnige verkwisting van tijd, die ik zou kunnen besteden aan het echte schrijven!’
Zodoende haalt hij een computer in huis. Niet als vervanging van het schrijven van pen op papier, maar als vervanging van het vele typen. Dit bespaart hem veel overtikken. Hij hoeft het nu nog maar een keer in de computer in te voeren. De verbeteringen hoeft hij alleen in het document op de computer aan te brengen. Daarmee gaat een groot deel van het proces verloren en blijft alleen het resultaat over.
Als hij er dan ook nog eens achter komt dat hij op de computer alleen maar overtikt wat hij overgeschreven heeft, schroeft hij zijn vulpen ook nog eens dicht. ‘Waarom zou ik steeds een zin schrijven en die vervolgens op het scherm zetten? Waarom dat niet meteen gedaan?’ En zo vervangt de computer niet de schrijfmachine, maar de pen. ‘De computer behelst een revolutionaire quantumsprong’, stelt de schrijver.
Mulisch vindt dat het gebruik van de computer geen invloed heeft op zijn manier van schrijven. Een collega van Mulisch zou hebben gesuggereerd dat De ontdekking van de hemel zo dik is geworden door de computer. Maar dat spreekt Mulisch tegen: ‘ik ben op de computer gaan schrijven omdat het zo dik zou worden.’
Dan verklapt Mulisch waar hij overgestapt is van de typemachine op de computer, precies tussen het eerste en het tweede deel van De ontdekking van de hemel. Het Logboek begint op 1 januari 1991. Dat is midden in het proces van schrijven op de computer. Mulisch is bij hoofdstuk 32. Dat is aan het einde van het tweede deel, in het midden van de roman.
Een kleine week in het nieuwe jaar later is het tweede deel klaar. Daarmee krijgt de lezer een inkijkje in het proces van schrijven vanaf het derde deel. Een schrijfproces op de computer. Net als het Logboek zelf, dat ook als computerbestand overgeleverd is.
Ik lees Logboek 1991-1992 van Harry Mulisch. Het boek is vorig jaar postuum uitgegeven. Logboek gaat over het ontstaan van Mulisch’ magnum opus De ontdekking van de hemel. Het is de tijd van de eerste golfoorlog. Daarnaast gebeuren er in het persoonlijk leven van de schrijver veel dingen.
Het boek is postuum uitgegeven maar zou eigenlijk in 2008 verschijnen. Mulisch publiceerde het toch niet. In de toelichting geven Arnold Heumakers en Marita Mathijsen een verklaring hiervoor.
‘Hij achtte ingrepen in de tekst noodzakelijk, maar dat botste met zijn opvatting over de status van de reeds voltooide tekst. […] Het [logboek] was slechts bedoeld als geheugensteun voor hemzelf, om zijn vorderingen bij te houden, om de tumultueuze ontwikkelingen in de politiek en in zijn persoonlijk leven te boekstaven.’
Ik ben gek op egodocumenten en geniet van de verhalen die Mulisch opdist. Het zijn aantekeningen, korte beschrijvingen. Snel geschreven om niet te vergeten. Ook geeft hij een inkijkje in het schrijfproces van De ontdekking van de hemel. Het is intrigerend en onthullend tegelijk. En ook herkenbaar. Zelfs voor een plezierschrijvertje als ik. Want ook de meester twijfelt over zijn kunnen. Zo schrijft hij op zaterdag 9 februari 1991:
‘Als ik ’s morgens bij het wakkerworden aan mijn boek denk, heb ik het gevoel dat het helemaal niets is, nul, waardeloos; maar ’s nachts, als ik naar bed ga, weet ik zeker dat het een meesterwerk is.’
Het verschil ik dat ik het ’s avonds nog steeds denk. Al voelde ik mij laatst heel verdrietig toen een wat langer en arbeidsintensiever verhaal van mij leek te zijn verdwenen. Toen ik met hulp van Inge de documenten op de SD-kaart weer uit de dood liet opstaan, was ik heel gelukkig.
Boeken zijn duur, verschrikkelijk duur. Ik heb er nooit genoeg. Maar de nieuwprijs van bijna 20 euro voor een roman is mij een gruwel. Zonde van het geld. Je leest het boek, het komt in de kast en mag daar voor de rest van de 20 euro staan.
Voor hetzelfde geld haal ik veel meer bij de kringloop. Ik bezoek zeker 20 jaar geregeld kringloopwinkels en koop mij daar suf aan boeken. Voor een euro, 2 euro en heel soms nog ietsje meer. Per boek. Ik schrik als ik 3,50 euro zie staan of 5 euro. Zo sleep ik het ene prachtige boek na het andere mijn hol binnen.
Mijn hol – de bibliotheek – staat ondertussen vol met boeken vergaard via de tweedehands markt. Het begon bij De Slegte en soms kan ik mij daar nog niet bedwingen. Het eindigt nu met koopjes, aangeschaft bij de uitverkoop van bibliotheekboeken of in de kringloopwinkel. Ik scharrel wat af op mijn speurtocht naar boeken.
Voor de prijs van een boek kom ik thuis met 10 of meer boeken. En het zijn echt geen minderwaardige boeken. Soms liggen er de boeken die een jaar geleden door iedereen werden gelezen. Nu liggen ze in grote stapels op een nieuwe eigenaar te wachten.
Hele series schaf ik aan. Zo verzamelde ik alle werken van Dickens in de uitvoering uit de jaren ’50. Ook druppelde Paul Theroux boek voor boek binnen en het werk van Hotz vormde zich langzaam in de boekenkast. Net als de dagboeken van Hans Warren en de romans van A. den Doolaard. Het hol wordt voller en voller. Mijn leeshonger transformeert in een verzamelwoede.
Soms maak ik een filmpje van mijn nieuwe boeken. Al merk ik ook dat het lastig is een stapel van 20 boeken voor de prijs van 1 nieuw boek in een filmpje van nauwelijks een minuut te vatten. Het levert wel mooie filmpjes op. Zo heb ik mijzelf enthousiast gemaakt voor het werk van Charles Dickens. Of voel ik nog de ontroering bij het uitpakken van boekenpakket voor een antiquair. Helaas is dat filmpje door iets opgegeten en heeft de opname youtube niet gehaald.
Het mooiste is boeken krijgen. Oude boeken. Boeken die iemand zijn leven lang om zich heen heeft gehad. Vroeger was de bekladding op een voorpagina mij een gruwel. Nu geniet ik ervan. Zeker als ik de eigenaar heb gekend. Zo zijn zelfs de kopieen uit de erfenis van Hans van der Kamp waardevol. Ik voel vaak zijn aanwezigheid als ik in die boeken blader.
Of het prachtige geschenk van Robert. Hij gaf mij boeken uit de bibliotheek van zijn overleden vriend Eugene. Schitterende bibliofiele uitgaven van werk van Gerrit Komrij. Het is waardevol om even met deze boeken te zitten.
Ik ben steeds meer liefhebber geworden van de opdracht voorin boeken. Boekenbezitters schrijven zelf iets of de gever schrijft er een woordje in. Zo staat er in een boek dat ik laatst vond een schitterende opdracht: ‘Aan Pauline’ staat er in prachtige letters.’Ter herinnering aan: ‘weer of geen weer’ Op de vroege zondagmorgens.’ Over het verhaal dat hierbij hoort kun je alleen maar fantaseren.
We rijden uit Dirksland terug naar huis. Het is tijd voor een hap. Op de heenweg zag ik de geverfde letters al op de gevel: ‘Wegrestaurant De Tram’. Het lijkt mij wel een geschikte plek om een uitsmijter of zo te halen.
Het pand lijkt een gebouw uit vervlogen tijden. Misschien zou een likje verf wonderen doen. Maar als we binnenkomen, ziet het er best knus uit. Er hangt een rookdamp. De eigenaar hijst vanachter de bar aan een sigaret. Blijkbaar behoort het wegrestaurant tot de uitzondering.
Aan de wand hangt een oude foto. ‘Station Nieuwe Tonge’ hangt erboven. Eronder hangt een reepje papier met daarop een toelichting:
Detail foto, met links het huidige wegrestaurant De Tram
‘Het tramstation te Nieuwe-Tonge, ongeveer 1915. De Rotterdamse Tramweg Maatschappij (R.T.M.) onderhield sinds 1909 de tramverbindingen op het eiland Goeree-Overflakkee. De tram die u hier ziet, gaat in de richting Ooltgensplaat. Rechts op de foto de zogenaamde ‘verlading’, waarop het vee, dat van en naar de Rotterdamse markt werd vervoerd, op gemakkelijke wijze kan worden gelost en geladen. Het witte gebouw op de achtergrond is cafe ‘De Tram’, wat tevens wachtlokaal was voor de passagiers.’
Inderdaad vervlogen tijden, nostalgie. Het trammetje dat over Goeree-Overflakkee reed. Rien Poortvliet schrijft erover in Langs het tuinpad van mijn vaderen.
Station Ouddorp in Rien Poortvliets Langs het tuinpad van mijn vaderen
‘Je kwam er niet zomaar, nee dat was een hele reis. Eerst naar Rotterdam met het stoomtrammetje naar Hellevoetssluis, daar met de stoomboot naar het Hoofd van Middelharnis (Menheerse) en daar stond het trammetje te wchten dat je langs het Steetje van Oom Dirk naar Ouddorp bracht.’ De prent ernaast lijkt overigens sterk op de ansichtkaart van het R.T.M.-station in Ouddorp.
R.T.M.-station Ouddorp op een ansichtkaart
We eten een boerenomelet met stukjes augurk erin. Als de chocomel op is, vertrekken we weer. De hele reis van Rien Poortvliet is nu een rit van twee uurtjes. Inderdaad vervlogen tijden.
Hoeveel tijd lees ik gemiddeld per week? Ik zou het eerlijk gezegd niet weten. Vaak zit ik ongemerkt met een boek op schoot, blader wat als ik achter mijn bureau zit. Of ga voor een kast in de bibliotheek zitten. Voor ik er erg in heb, is er een uur verdwenen. Ik was helemaal van de wereld en voelde me even de gelukkigste mens op aarde.
Lezen lijkt nog het meeste op dromen. Als je goed in een verhaal zit, wordt je helemaal meegenomen. Bestaat er niks meer om je heen en vergeet je alle kwel en kommer die je eerder beheerste. Lezen is een tijdverdrijf die vrijwel ongemerkt aan je voorbij trekt. Het verhaal wint het van de tijd.
Ik probeer elke dag wel wat bladzijden te lezen. De ene dag gaat het beter dan de andere. Het ligt ook aan het boek dat ik aan het lezen ben en aan mijn algehele gemoedstoestand. Ik zit snel aan een uurtje lezen per dag, maar het kan best zijn dat ik wat meer lees als het boek daarom vraagt. Ik zit zo aan een uurtje of tien per week. Dat zeker.
De verhouding tussen bloggen en schrijven met het lezen, is in de meest gunstige situatie ongeveer gelijk. Meestal schrijf ik meer dan ik lees. Met 2 blogs bij te houden en een stapel schrijfwedstrijden is het schrijven een belangrijk onderdeel geworden van mijn bestaan.
Schrijven of lezen? Dat is het dilemma van elke schrijver die van lezen houdt. Een interviewer vroeg Harry Mulisch eens wat hij van de hedendaagse schrijvers vond. ‘Ik heb geen idee’, antwoordde hij. ‘Ik heb geen tijd om te lezen.’ De interviewer vond dat verwonderlijk. De schrijver las toch wel. ‘Nee, ik moet schrijven’, vond Mulisch. ‘Dan heb je geen tijd om te lezen.’
Mijn racefiets hangt – eerlijk gezegd – al een paar jaar hoog in de schuur
Ik moet het eerlijk bekennen: ik heb nooit doping gebruikt. Jarenlang rende ik de ene na de andere marathon, trok door de bossen in een dag een spoor van 100 kilometer en ik fietste van hot naar her. Zondagochtend een paar baantjes trekken met mijn dochter. Geen beweging was te weinig. En ik vond het heerlijk om na een lange dag werken het luie zweet eruit te zweten met een flink rondje.
Ik liep op adrenaline. Het was onderdeel van mijn gejaagde levensstijl. Nu ik wat meer rust probeer te vinden en mijn lijf het zelf moet doen, kom ik minder ver. Maar ik vind het niet erg. Ik voel me er goed bij en presteer op andere vlakken goed. Het hardlopen mis ik alleen nog als het gaat om het moment in de natuur. De stilte om mij heen en het mediteren onderweg.
Voorliegen De wielrenners hebben de wereld veel voorgelogen. Soms willen ze doen vermoeden dat ‘iedereen het wel wist’. Alsof alle sportliefhebbers en sporters zich schuldig maakten aan dezelfde zonde. Gedeelde schuld is natuurlijk niet een halve schuld. Wielrenners hebben zich laten opjutten door trainers en managers om beter te presteren met stimulerende middelen in hun mik.
Dat Michael Boogerd en Lance Armstrong hun dopinggebruik hebben opgebiecht vond ik niet zo interessant. Voor hun was het ongetwijfeld een bevrijding. Na jaren oneerlijk en ontwijkend vragen te hebben beantwoord mogen ze eindelijk de waarheid vertellen. Niet na zorgvuldig alles met hun advocaat te hebben doorgenomen. De rijkdom die ze hebben is oneerlijk verdiend, maar willen ze wel graag behouden. Ze moesten liegen, ze moesten hun eerlijkheid opgeven en uiteindelijk een overwinning boeken op een stof die verboden is.
Beu De schandalen over het dopinggebruik begin ik beu te worden. Het lijkt wel of alle winnaars van weleer zich schuldig hebben gemaakt aan het goedje. De overwinning die ze voorspiegelden was een leugen. Oneerlijk een prijs winnen is verliezen. Dat je dan nog met een brede smile op zo’n erepodium kunt staan, begrijp ik niet.
Het meest wrange van deze opbiechtingen is dat het allemaal vaders zijn. Vaders die hun kind een wereldbeeld leren. De spelregels van het leven. Een van die spelregels is: eerlijk zijn. Je vertelt iemand de waarheid ook al is het geen leuke waarheid. Je mag niet liegen. Als je zegt dat je ergens niet geweest bent en je was er wel, dan lieg je.
Flinke straf Hun kinderen krijgen een flinke straf als ze dit doen. Het moraal van de wielrenners is geen haar beter. Hoe kun je je kind vertellen niet te liegen en het zelf wel doen. Volgens Michael Boogard was dat de reden het op te biechten. Zijn zoontje van 8 en zijn vriendjes vroegen hem ook of hij vroeger doping gebruikt had. Die vraag deed hem blijkbaar zoveel verdriet dat hij het opbiechtte.
Eerlijkheid is gebaseerd op vertrouwen. Daarom kan ik de vele wielrenliefhebbers niet geloven als ze zeggen dat de sport voor hen hetzelfde blijft. Dat kan niet. De sport zal wezenlijk veranderen. Als je in sport de oerkrachten naar boven ziet komen die in mensen zitten, dan is doping ‘not done’. Je zit niet naar een theaterstuk te kijken, je kijkt naar sporters die zweten voor hun overwinning.
Grote imagoschade Het wielrennen heeft een grote imagoschade opgelopen. Want is de tour nog wel een tour als de helft van de deelnemers een stimulerend goedje in de mik heeft? Ik denk het niet. Je kijkt naar een voorstelling waarbij het beste goedje in de mik wint.
De zoon van Michel betaalt misschien wel de rekening. Hij heeft niet meer een vader die winnaar was. Zijn vader is een valse winnaar. Een leugenaar. Daar zal hij mee door het leven moeten. Dat is meer dan een leugentje om bestwil.
De Sept Chorals-Poemes d’Orgue pour les sept paroles du Xrist (op. 76) van Charles Tournemire moeten dus ergens op een bandje in de bandjesdoos rondzwerven. Ik baal ervan dat ik ze niet kon vinden. Het moet maar iets rigoureuzer worden aangepakt. Ik maak een plekje vrij in mijn studeerkamer en haal de doos uit de berging.
In keurige stapels werk ik het hele palet van bandjes door. Veel bandjes bevatten geen enkele informatie met de inhoud. Lege hulzen en bandjes zonder tekst. Het is een raadsel wat erop staat. Dat zou uren luisteren vragen. Ik weet zeker dat het Tournemire-bandje zeker tekst op het hoesje bevat.
Het kan ook verdwenen zijn. Een aantal jaren geleden bracht ik een kapot cassettedek naar de vuilstort. Ik was vergeten dat er nog een bandje in zat, met ondermeer een bewerking van de derde Gnossienne van Erik Satie voor orgel. De rest van het concert is wel te vinden op de orgelsite van de NCRV, maar dit belangrijke stukje is verdwenen. Net als Michael-Christfried Wincklers improvisatie op Bachs Nun freut euch lieben Christen gmein.
De bodem van de doos komt meer in zicht. En dan hijs ik ineens het bandje der bandjes omhoog uit de puinhopen van opnames uit de beginjaren 1990. Drie dagen in de week zat ik gekluisterd aan de radio om de orgelprogramma’s van de NCRV, EO en KRO op te nemen. Hier diep ik de uitvoering van ene Marc Brefield op het orgel van Sint Servaes te Maastricht. De uitvoering van Sept Chorals-Poemes d’Orgue pour les sept paroles du Xrist (op. 76).
Het bandje gaat meteen in het cassettedek. Ik hoor de rauwe Amerikaanse stem van de kunstenaar. Hij leest voorafgaand aan de compositie de bijbeltekst voor met het betreffende kruiswoord. De akoestiek en de valse tongwerken. Ik voel de nostalgie van destijds opzwellen. Wat een schoonheid in al zijn beperkingen.
Ik luister naar de 14 kruiswegstaties van Marcel Dupre. Prachtige muziek. Jan Hage speelt de 14 delige orgelcompositie zaterdag uit op het orgel van de Domkerk in Utrecht. Het is een prachtige orgelcyclus. Gebasseerd op de tekst Le Chemin de la Croix (1911) van de dichter Paul Claudel (1868-1955).
Ik heb op cassetteband 2 keer deze uitvoering, beide keren begin jaren 1990 uitgevoerd. Het eerste is van Maurice Pirenne op het orgel in de Sint Jan te Den Bosch, uitgevoerd voor de KRO-radio in 2 delen. Voorafgegaan door een voordracht van de bij de statie behorende tekst in het Frans door Miene van de Erven. De tweede uitvoering is van Ton van Eck op het net gerestaureerde orgel in de Sint Servaes Basiliek in Maastricht.
De 14 muziekstukken behoren wel tot de meest intense van zijn imposante orgeloeuvre. Normaal is Dupre niet zo ernstig, maar in Le Chemin de la Croix is hij buitengewoon serieus. Elke statie heeft een heel eigen karakter en drukt een andere gemoedstoestand uit. Het roept het beeld op van iemand die zijn diepste zielenroerselen probeert bloot te leggen.
In vergelijking met Tournemires koralen bij de 7 kruiswoorden, is Dupre veel toegankelijker en misschien ook wel beweeglijker. Ik vind het oneerlijk beide orgelcycli met elkaar te vergelijken. Ze zijn daarvoor te verschillend. De componisten verschillen te sterk van elkaar in hun verwerking van het lijdensverhaal.
Dupres 14 muzikale schilderijen bij de 14 kruiswegstaties lijken ook in elke uitvoering weer een nieuw beeld op te roepen. Elke interpreet legt weer nieuwe accenten en speelt ritmes net weer iets anders. Registraties en verschillende soorten orgels doen wonderen met het muziekstuk. Een orgel als dat van de Sint Jan in Den Bosch levert een compleet andere uitvoering op dan het orgel in de Sint Servaes van Maastricht.
Wat heel mooi is van de uitvoering van Maurice Pirenne is dat de teksten van Paul Claudel vooraf worden voorgelezen door Miene van Erven. Ik ben heel slecht in Frans, maar het is heel intens en indringend om haar deze teksten te horen voorlezen. De taal is hier geen obstakel maar een grote winst.
De bandjes waren al grijs gedraaid. Ze gaan weer in het cassettedek op mijn bureau. Niet van de beste kwaliteit, maar ik kom snel in de sfeer. Ik pak snel een cd van dit orgelwerk en merk hoe verschillende elke uitvoering weer is.
En dan verlang ik zo naar de uitvoering van de 7 koralen bij de kruiswoorden van Charles Tournemire. Zou het bandje echt niet in de bandjesdoos zitten?
Ik weet zeker dat het ergens op een cassettebandje moet staan: de koralen bij de 7 kruiswoorden van Charles Tournemire. In een uitvoering van een onbekende organist, omlijst met de bijbelfragmenten uitgesproken door een even onbekende Amerikaanse kunstenaar.
Het is de registratie van een concert opgenomen in de Sint Servaes Basiliek van Maastricht, begin jaren 1990. Het orgel is enige jaren tevoren gerestaureerd en de KRO-radio registreert het concert. In de weken voorafgaand aan het concert laat de programmaleider Jos Leusink ander werk van Charles Tournemire horen.
Ik duik in de doos op zolder, boordevol met cassettebandjes. Ik draai bijna geen cassettebandjes. Ze lopen niet stabiel. Het is lastig een nummer nog een keertje te beluisteren en je loopt het risico dat door het afdraaien de kwaliteit van de opname nog verder afneemt.
De luxe cassettespeler heb ik nog wel bewaard, voor het geval dat. De versterker is lang geleden al overleden. Dat was een miskoop. Vrijwel vanaf het begin deed hij het niet. Slechts een kant van de boxen deed het. Daarom leef ik tegenwoordig op een goedkoop apparaatje. Er kunnen bandjes in afgedraaid worden, maar de kwaliteit is ronduit slecht.
De doos zet ik neer, ik speur stapels bandjes af. Maar het juiste bandje vind ik niet. Wel 2 uitvoeringen van Dupres Le Chemin de la Croix, van Ton van Eck – eveneens op het orgel van de Sint Servaes – en van Maurice Pirenne op het orgel van de Sint Jan in Den Bosch.
Teleurgesteld ruim ik de rest weer op. Het is een hele operatie de bandjes op te snorren. Ik verwissel een stapeltje, dat al heel lang op mijn bureau staat. De rest laat ik voor wat het is. Blijkbaar is Tournemire ergens gesneuveld. Ik wil de intrigerende opname weer eens horen, maar het blijft beperkt tot de herinnering.