20 juli 2011

Het busje en de plas

image

Bij de ochtendwandeling van station naar werk, komt een donkerblauw busje met een noodgang aanrijden. Hij wil afslaan, maar stopt net op tijd voor de fietser die net als hij rechtsaf moet. Ook de wandelaar mag verder lopen.

Als hij genoeg ruimte ziet, pakt de chauffeur de weg en drukt hem flink in het gas. ‘Eddie Jansen Isolatie’ staat op de zijkant van het busje. Het blauwe busje is in no time naast het fietsende meisje. Ze rijdt rustig door, doet of er niks aan de hand is. Het busje geeft de fietser alle ruimte.

Als ze ver genoeg van hem weg is, neemt Eddie Jansen gas en rijdt Eddie Jansen met een noodgang over het parkeerterrein. Hij maakt een zwenk met het stuur in de richting van de parkeerplaatsen. Er staat geen enkele auto geparkeerd en Eddie ziet de kans door de enorme plas te rijden op het parkeerterrein.

Het water spat even hoog als het busje zelf is. Het moet voelen als Mozes die het water van de Rode zee uit elkaar laat splitsten. Even is het pad onder de banden van Eddie Jansen zonder water. Om even later weer vol te lopen. Het bestelbusje zwenkt terug naar de weg en haalt het meisje weer in. Ze heeft het pak droog gehouden.

Als ik aan het eind van de werkdag weer langsloop, staat de parkeerplaats vol auto’s. De diepe plas water weerhoudt de automobilisten niet hun auto een parkeerplaats te gunnen. Van Eddie Jansen is geen spoor meer te bekennen. Ik zie de unieke kans die hij had vanmorgen. De plas is misschien wel dieper, maar de zee van auto’s is onmogelijk te splitsen voor een bestelbusje.

19 juli 2011

Rivier in trein

‘Je kunt daar niet zitten’, zegt een vrouw betweterig als ik de trein instap. ‘Het heeft gelekt en nu is de hele vloer nat.’ Ik zie een laag water liggen in het gangpad. De klapdeur fungeert als dam. Een man passeert mij en daalt de trap af. De betweterige vrouw herhaalt haar waarschuwing.

Maar de man loopt door, stapt op het richeltje bij de deur, duwt de klapdeur open en zet zijn voet op het droge bij de bank. ‘Dan is het tenminste lekker rustig’ zegt hij. Hij slalomt verder het treinstel in. Tja, het is helemaal niet zo’n slecht idee, bedenk ik. En ik volg de man slalommend naar binnen.

Als de trein eenmaal vertrekt, wordt het echt spannend. Het water dat zich eerst bij de deur achter mij had verzameld, komt in beweging en trekt een baan in het gangpad. Het gangpad ligt een beetje lager waardoor een klotsende rivier ontstaat. Als de trein afremt voor het eerste station, trekt het water weer een baantje terug van de deur voor mij naar de deur achter mij.

Een interessante gebeurtenis. Ik leg hem snel vast op de video van mijn fotocamera. Het water klotst de wagon door. Niet alleen voor het afremmen of optrekken bij een station, maar ook als het treintraject stijgt of daalt. Zo zie ik gelijk hoe waterpas het traject verloopt. En ik zal eerlijk zijn: het Nederlands spoorwegnet stijgt en daalt meer dan je denkt. Ik leg de rivier in de trein op mijn fotocamera vast. Wie weet leuk voor de blog of bij verjaardagen partijtjes.

Bij Hilversum stapt een groepje dertigers de trein in. ‘Moet je kijken joh. Wat een water’, roept de blonde vrouw. Ze houdt de plastic tassen van het shoppen hoog in de lucht. De andere vrouw met donker haar heeft zich al geïnstalleerd. Ze zit nog niet of ze haalt haar iPhone al uit de zak. De blonde vrouw zet haar tassen op het bankje aan de kant van het looppad. ‘Heb je het al getwitterd?’ vraagt ze aan haar ‘shopping mate’. Die knikt blijkbaar. ‘Wat heb je geschreven.’ ‘Dat we als we niet rijden misschien wel naar huis varen.’

De conducteur roept door het omroepsysteem zijn verontschuldigingen voor de opgelopen vertraging en zegt dat ze proberen de achterstand alsnog in te halen. Als de trein rijdt, beginnen de jonge vrouwen te gillen. ‘Kijk, het is een stroom.’ ‘Goh, dat moeten we opnemen en op youtube zetten.’ De man die bij de dames is reageert niet.

Even later dobbert er een puntig geval van papier voorbij. Het moet een papieren bootje voorstellen, maar het lijkt meer op een hoedje van papier. ‘Dat heb je verkeerd gedaan’, roept het donkere meisje met de iPhone. ‘Dat moet anders’, zegt de blonde vrouw. Het hoedje van papier drijft snel mee met de stroom. De onderkant zuigt zich vol met water. Tijdens de vaart kapseist het bootje. Als het tegen de klapdeur wordt gedrukt, zinkt het.

Dat is creativiteit. Ik was een duffe waterstroom aan het filmen, maar hier gebeurt het. Zo worden filmpjes op youtube een hit. Het is juist die extra slag die je moet maken. Dat is de creativiteit die mij ontbreekt. Ik ben alleen maar gefascineerd door het fenomeen en laat het aan mij voorbij trekken.

De dertigers slaan aan het vouwen als een groepje kinderen op een verjaardagspartijtje. Alleen de limonade en cakejes ontbreken. Ze zijn zo druk bezig dat ze helemaal niet in de gaten hebben dat het water weer terug stroomt. ‘We moeten opschieten’, zegt het blonde meisje als we de bocht bij Weesp nemen in de richting van Almere. Maar ondanks alle hellingen en afdalingen in het traject blijft het water waar het is. Alsof het voelt dat er iets mee gedaan gaat worden.

Dan vlak voor Almere Muziekwijk kan het papieren schip te water worden gelaten. Ze raken een beetje in paniek. Het water stroomt niet meer door het gangpad. ‘We moeten er zo uit’, zegt het meisje. De camera filmt het bootje voor youtube, maar het papieren schip ligt roerloos in het gangpad op een dun laagje water. De grote plas ligt nog altijd bij de deur.

‘Wil jij het niet filmen?’ vraagt het blonde meisje aan de Amerikaan die aan de andere kant van hen zit. Hij heeft het gebeuren met interesse gevolgd en er zelfs al over getwitterd op zijn blackberry. Hij zegt dat hij het niet kan filmen. ‘Ik wil het wel zien wat jullie hebben op youtube’, zegt hij. ‘Dat doen we’, zegt het meisje. Een dun laagje water stroomt voorbij. Het scheepje zet langzaam koers in mijn richting, maar blijft steken op een zandbank. Het waterpeil is niet hoog genoeg voor een behouden vaart. ‘Hoe noem je het filmpje dan?’ vraagt de Amerikaan. ‘Train ship’, zegt het meisje.

Ik heb gezocht op youtube. Het filmpje van het papieren bootje in de trein kon ik niet vinden.

Mijn filmpje

18 juli 2011

Kinderijsje

Na afloop van een stevig orgelconcert, een bezoek aan de boekwinkel en een flinke regenbui, heb ik zin in iets. Ik loop langs een kraampje op Hoog Catharijne. Een groot softijsje zie ik niet zitten. Zeker niet die enorm droge koek in de vorm van een hoorntje die eronder zit. Een ijsje in een bekertje lijkt me ook niet wat. Daarom kies ik een kinderijsje.

Het ijsje voor 85 cent vind ik te duur. Ik loop naar de kraam aan de andere kant. Naast de plek waar een grote machine staat waarop sinaasappels liggen. Een meisje helpt me. Ik vraag een kinderijsje. ‘Dat is dan 75 cent’, zegt ze. Ik verontschuldig me als ik haar het 20 euro-biljet geef. ‘Kleiner heb ik niet.’ ‘Foei toch’, zegt ze en geeft het wisselgeld: 1 biljet van 10, 1 van 5, 2 keer 2 euro-munten, een muntje van 20 cent en eentje van 5.

Ze loopt naar de softijsmachine, trekt het kleinste hoorntje van de stapel af en duwt opzichtig een rond papiertje tegen het lekken in het hoorntje. Ze weet ook wel dat ik geen kinderen bij me heb voor wie het ijsje is. Ze kijkt me met dezelfde blik aan als zojuist. Ik gun haar het plezier. Ze laat het ijs in het hoorntje vloeien.

Met evenveel poeha drukt ze er opzichtig een ronde wafel in. Ik zie dat er op de zijkant iets staat afgebeeld. De reuzen-ouwel staat er prachtig rechtop in en steekt zelfs verder omhoog dan het hoogste puntje van het ijsje. Ze geeft het ware kunstwerk aan mij. ‘Hier is het kinderijsje meneer.’ Ze legt de klemtoon op ‘kinder’ en kijkt langs mij heen of er misschien een kind te bespeuren is. ‘Dank u wel’, zeg ik.

Ik trek de ouwel eruit en neem een flinke hap in de toef softijs. Het moet een mooi ringbaardje rond mijn mond vormen als ik haar weer aankijk. Ik laat de koek zien en neem daar ook een flinke hap in. Ze draait zich om. Zonder nog iets te zeggen.

17 juli 2011

Grote orgelmis in Domkerk staat als een huis

Bätz-orgel uit 1831 in de Domkerk van Utrecht

Het Dritter Theil der Clavier Übung is een fenomenale bundel orgelmuziek van Johann Sebastian Bach. Ze vormen een prachtige eenheid. Gisteren voerde Toon Hagen in de Domkerk te Utrecht de zogeheten Grote Orgelmis uit. Dat is een gedeeltelijke uitvoering van Bachs Clavier Übung III. Namelijk het Preludium in Es-Dur, de 10 ‘grote’ koraalvoorspelen voor 2 klavieren en pedaal (BWV nummers 669, 670, 671, 676, 678, 680, 682, 684, 686 en 688) en tenslotte de Fuga in Es-Dur.

Deze verzameling past precies in een concert. Al is voor sommige mensen de lengte te lang, gezien het behoorlijke aantal mensen dat het orgelconcert tussentijds verliet. Maar misschien is het voor een toerist een flinke zit om zelfs alleen de ‘Ausschnit’ van de derde Clavier Übung helemaal uit te zitten.

Ik ben werkelijk gek op de Clavier Übung III en de Grote orgelmis in het bijzonder. Ik heb er flink wat uitvoeringen van op cd. Vooral de totaliteit is overweldigend. Het zijn stuk voor stuk prachtige muziekstukken die eigenlijk op een indringende wijze het hele geloof behandelen. In die zin staat deze verzameling muziekstukken helemaal in de lijn van de Matthäus passion en Johannes passion.

Psalmendichter David bestiert de hoofdkas van het orgel van de Domkerk in Utrecht

Zo vormen de eerste 3 koraalvoorspelen een heilige 3-eenheid en kristalliseert gedurende de rest van de voorspelen het hele geloof zich verder uit. Het levert een boeiende impressie op van het orgelwerk van Johann Sebastian Bach, waarin het geloof zo’n belangrijke rol speelt. Ik ben elke keer weer als ik de Grote orgelmis live heb gehoord diep onder de indrukken.

Een van die keren was op zaterdagavond 13 september 2003. Op zijn Schnitger-orgel in de Grote of Sint Michaëlskerk in Zwolle speelde Toon Hagen eveneens de Grote orgelmis. De koralen werden daarbij gezongen door een cantorij. Het was een indrukwekkend concert.

De uitvoering gistermiddag in de Domkerk was minstens zo indrukwekkend. Het Bätz-orgel leent zich goed voor deze verzameling voorspelen. Dat begon al met het preludium in Es-Dur, BWV 552/1. Dat stond werkelijk als een huis. In een mooi tempo zette Toon Hagen de opening neer. Hij trok alle aandacht naar zich toe. De echo’s zo kenmerkend voor dit preludium kwamen sterk over. Ook kon Toon Hagen accenten goed leggen door de heldere registratie met de boventoonrijke mixturen.

Hetzelfde deed hij in de 3 koralen die samen een kyrië vormen. Op basis van onder andere dit element heeft de verzameling koraalvoorspelen de bijnaam Orgelmis gekregen. De Sexquialter van het hoofdwerk stond in Kyrie, Gott Vater in Ewigkeit, BWV 669 mooi tegenover de Prestant van het rugwerk.

Het orgel in de Domkerk heeft zo’n sterk contrast tussen de verschillende werken. Ook het spel met de combinatie van fluit en viola di gamba van het bovenwerk tegen de trompet van het hoofdwerk in Christe aller Welt Trost, BWV 670 vervolmaakte dit.

De afsluiting van het kyrië met Kyrie, Gott heiliger Geist, BWV 671 klonk overweldigend. Vooral de accenten die Toon Hagen wist te leggen op de dissonante akkoorden, kwamen erg overtuigend over. Ze wisten daarmee bijna een postmoderne sfeer op te roepen. Ook legde Toon Hagen daarmee een link met het spel met akkoorden dat zo kenmerkend is voor het Aus tiefer Not schrei ich zu dir.

Toon Hagen wist vooral met Dies sind die heil’gen zehn Gebot, BWV 678 verrassing op te roepen in zijn registratiekeuze. Met de 8-voets-fluiten van het bovenwerk in combinatie met de tremulant zette hij de begeleiding in. De uitkomende stemmen speelde hij op het rugwerk met de holpijp en octaaf 4′. De tremulant zorgde ervoor dat je de uitkomende stem minimaal hoorde. Het gaf het koraal een heel andere sfeer en uitdrukking. Je hoorde nieuwe dingen en werd verrast.

Rugwerk van het Bätzorgel in de Utrechtse Domkerk

Dat is natuurlijk erg lastig bij bekende orgelwerken als Vater unser im Himmelreich, BWV 682 en Christ, unser Herr, zum Jordan kam, BWV 684. Deze koraalvoorspelen zijn zo bekend en geliefd dat er nauwelijks aan traditionele uitvoeringen te ontkomen valt. Ook al ging Toon Hagen er gedeeltelijk in mee met de Vox Humana in het Vater unser en de trompet 4′ van het pedaal als uitkomende stem tegen het kabbelen van de Jordaan in Christ, unser Herr. De uitvoering bleef strak staan dat zelfs het feest der herkenning nieuwe mogelijkheden bood. Vooral de 16-voets-begeleiding in de bas bij Christ, unser Herr kwam overtuigend over.

Dat zag ik ook gebeuren bij het hoogtepunt: Aus tiefer Not schrei ich zu dir, BWV 686. De fugatische opbouw waarbij Toon Hagen het plenum van het hoofdwerk heel mooi gebruikte. Ook hier wist hij de akkoorden bijna postmodern neer te zetten. Zo kon ik horen dat Toon Hagen houdt van die dissonantie als contrast tegen het strakke contrapunt van de compositie. Het maakt juist de nood zo groot in het Aus tiefer Not. Daarmee kan het stuk wedijveren met bijvoorbeeld het slotkoor ‘Wir setzen uns mit Thränen nieder’ van de Matthäus waar bijna eenzelfde verdriet spreekt.

Bij de afsluiting met de Fuga in Es-Dur, BWV 552/2 kwam dezelfde enthousiasme en bravoure terug van het begin van het concert. De ernst van de koraalvoorspelen klonk weliswaar door in de fuga, maar Toon Hagen benutte de mogelijkheden van het instrument. De afwisseling tussen de plena van hoofdwerk en rugwerk maakte het stuk spannend tot de laatste toon.

Lof dus voor Toon Hagen. Hij zette de Grote orgelmis gisteren mooi neer. Hij speelde het hele concert door uiterst geconcentreerd. Ik heb hem op weinig uitglijders kunnen betrappen. Dat is zeker een topprestatie omdat deze 12 orgelstukken stuk voor stuk het uiterste van de uitvoerder vragen. Elk koraalvoorspel heeft veel aandacht nodig. Niet alleen wat betreft registratie, maar zeker ook qua tempo en het leggen van accenten.

Een uitvoering zoals van gisteren hoor je weinig. Als het dan ook nog eens zo’n mooie verzameling werken van Bach is. Dan geniet je meer dan dubbel. En dat heb ik bij Toon Hagen gisteren in de Domkerk zeker gedaan.

De liefhebber kan de Grote orgelmis nog 2 keer horen van Toon Hagen deze zomer:

  • op dinsdag 26 juli op zijn orgel in de Grote- of Sint-Michaëlskerk te Zwolle
  • op dinsdag 2 augustus in de Stevenskerk te Nijmegen

Overigens voert Ad Verhage de Grote orgelmis ook uit op de tweede Veenendaalse orgeldag. Ad Verhage doet dit op het Skräbl-orgel in de Westerkerk van Veenendaal.

16 juli 2011

Almere Muziekwijk

Station Almere Muziekwijk

Hoe zou dat gaan? Je bent columniste van een kwaliteitskrant, tenminste zo noemen ze zich. En je hebt zo’n dag dat je even niks geen inspiratie hebt. Het regent, of waait hard buiten. Geen vertier en je moet verdorie morgen toch een stukje hebben. Die kolom moet gevuld worden. Je kunt moeilijk een witte vlek daar laten staan. De lezers van de krant hebben het al moeilijk genoeg.

Ach, geen inspiratie, laat ik eens naar Almere gaan. Lekker lachen. Daar gebeurt helemaal niks. Het is er zelfs niks aan. Ik snap niet dat er mensen wonen. Daar in die polder. Allemaal familie Doorsnee. Keurig aangeharkt tuintje, Opel voor de deur. Kortom, er is helemaal niks. Ja, ik ga naar Almere.

Zo stapte een paar dagen geleden een columniste van een zichzelf noemende kwaliteitskrant uit op het station Almere Muziekwijk. Ze ging op zoek naar de ziel van de stad. Zelfingenomen drentelde ze een beetje over de pianoweg en langs het Top 40-plein Nee, die naam verzon ze niet. Hij bestaat echt. Veel bedrijvigheid zag ze niet, een man reed langs in een scootmobiel en een moeder in rouwkleding liet haar dochtertje van de glijbaan glijden.

Fietspad met de ftuitbomen in Almere Muziekwijk

Bah, wat is het hier saai, verzuchtte de columniste. Ze nam de eerste trein naar Amsterdam terug om zich behaaglijk in haar buurtje te nestelen. Snel schreef ze de column op haar MacBook op de keukentafel. Kwaliteit schrijf je met kwaliteit. Nog net op tijd om haar kinderen van school te halen. Het verhaal voor morgen was af. Wat is Almere toch verschrikkelijk. Ga er vooral nooit wonen, want een lijk ligt zo een halfjaar in huis zonder dat iemand het merkt.

Vanmiddag ging ik naar Almere Muziekwijk. Ik liep er wat rond het station. Ik zag een man op een scootmobiel langsrijden, een ouder echtpaar dat op de bus wachtte en een man die het winkelcentrum uitliep met een bos rozen.

Een klein jaartje terug liep ik met een vriend op zaterdagmiddag door Amsterdam. We belandden in de Jordaan op een markt waar ik over de hoofden kon lopen. Voordurend werd mijn looproute doorkruist door brommers, scooters en scootmobiels. De busjes moest ik ontwijken en elk moment kon een auto mij voor de sokken rijden. In de nood waren we maar op een terrasje gaan zitten. De enige plekken die nog vrij waren stonden midden op het troittoir. Zodat we niet alleen onze voeten moesten intrekken voor voetgangers, maar ook voor fietsers en scooters.

Ik was bekaf na een paar honderd meter lopen. Had weinig plezier van de peperdure cappuccino en merkte dat al dat asociale gedrag mij buitengewoon irriteerde. Als de columniste dat met bedrijvigheid bedoelt, dan zou ik haar vooral adviseren in haar buurt te blijven en te genieten van al die drukte. De buurman die diep in de nacht zijn radio keihard aanzet, de brommertjes die met een noodgang de hele avond door de straat heen crossen en het schreeuwende echtpaar dat in de achtertuin ruzie maakt. Veel plezier ermee.

Ik keek nog eens goed om me heen vanmiddag. De jongen met de bos rozen, daar zat een prachtig verhaal in. Het oudere echtpaar dat op de bus wachtte. Zij achter de rollator en hij met een wandelstok. Ze vormden zo’n mooi geheel met het stationsgebouw erachter. Of de man in de scootmobiel. Hij aarzelde bij het kruispunt, sloeg rechtsaf, stopte een paar meter verder en keerde. Hij ging toch de andere kant op. Rechtdoor het laantje met de fruitbomen door. Hij verdween langzaam uit zicht.

Als je hier geen verhalen ziet, dan ben je geen schrijver.

15 juli 2011

Overdrijven in de achtbaan

De achtbaan van Speelpark Oud Valkeveen

De buien dreven over maar de wolken bleven druppelen. We waren buiten. Bij het verlaten van de bus regende het al. En ze speelden eerst binnen, tot ze echt naar buiten wilden. Het personeel zuchtte en kreunde. Regen is voor niemand leuk. Zeker bij een schoolreisje.

De kinderen mochten in de vrije val en daarna in de zweefmolen in de vorm van een bij. Ik vroeg een medewerker of het treintje reed. ‘Nee’, antwoordde hij. ‘Maar u kunt wel in de achtbaan.’

‘De achtbaan’, krijsten de kinderen. De eerste waren al op weg en liepen inmiddels halverwege de vijver in het midden van het park. Ik hobbelde er achteraan. Andere ouders met kleuters liepen achter mij aan. En zo vormden we een heus rijtje mensen op weg naar de achtbaan. Ondertussen druilde de regen haar sombere liedje verder.

Net op het moment dat ik de trap wilde bestijgen, riep de medewerkster stellig dat de attractie ging sluiten. ‘Dat is ook wat’, reageerde ik verongelijkt. ‘Uw collega zei dat we hier terecht konden en nu gaat u dicht. Er komen nog zo’n 20 kinderen aan.’ Ze trok haar beslissing terug en de kinderen stapten in de slurf.

Rails, wagonnetjes en wieltjes. De achtbaan is net zozeer een trein als het andere ding dat traag door het park rijdt. De rest van de kinderen en begeleiders die achter mijn groepje aan liepen, arriveerde. Ze stapten in en de eerste ronde kon gereden worden. ‘Kom er ook bij’, vond een moeder. Ik liet mij niet uitdagen. ‘Nee, dat ding is echt niks voor mij.’

Een andere moeder die over evenveel heldenmoed als ik beschikte, stond naast me. Het treintje was ondertussen gaan rijden. De slurf met het vrolijke wezentje voorop, passeerde ons. Het stalen geraamte van de achtbaan rinkelde. ‘Jij kan ook overdrijven’, zei ze lachend. ’20 kinderen!’ Ik keek in het treintje en telde 8 kinderen. 2 stonden aan de kant. Het aantal was wellicht verdubbeld in mijn woorden, maar ze zaten er toch in. ‘Ach ja’, vergoelijkte ik mijn overdrijven. ‘Ze zitten er toch maar mooi in.’

Het trein zette zijn afdaling in, nam de bocht en kreeg de diepe slinger naar beneden. Kinderen gilden. Ze gilden net zo hard als 20 kinderen. Net als aan het eind van het ritje, waarbij de kinderkelen riepen dat ze nog wel een keertje wilden. Ondertussen speelde de regen het spelletje mee en begon nog harder op de kinderhoofdjes te trommelen.

14 juli 2011

Van weesfiets tot schroothoop

Voor weesfietsen aangemerkte fietsen rond station Amsterdam Zuid

Bij de fietsenstalling op het station Amsterdam Zuid trof ik laatst een meisje aan dat een beetje schichtig rondliep. In haar hand hield ze een map vast. Ze sloeg het soms open als ze bij een fiets stond. Dan bladerde ze aandachtig. Keek nog eens en pakte een vel uit de map waarop ze dan iets schreef. Daarna volgde een felle sticker die ze op de fiets plakte.

Ik besteedde er niet zoveel aandacht aan. Totdat ik aan het einde van de werkdag terugkeerde op het station en op alle fietsen de stickers zag. Het draaide om zogenaamde weesfietsen. Dat zijn fietsen die voor onbepaalde tijd ergens staan en nooit meer worden opgehaald door hun eigenaar.

Van de weesfiets bestaat een keurige definitie, net als een handboek voor gemeenten. Veel gemeenten hebben een compleet beleid ontwikkeld voor het verwijderen van deze overtollige fietsen. Het schijnt dat niet elke fietseigenaar even zuinig is. Een groot deel van de fietsen wordt vergeten en verandert zo langzaam van een rijwiel in een stuk schroot.

Ik kom ze ook weleens tegen en bekijk ze met de belangstelling waarmee ik naar het verval in het algemeen kan kijken. Een boom die langzaam afsterft, een huis dat transformeert in een ruïne of een vogelkadaver die langzaam versmelt met zijn omgeving. Allemaal dingen die gebeuren en die bij het leven horen.

De weesfietsen bij het station worden nu volgens een zorgvuldig beleid, in meerdere stappen, uit de stallingen rond het station gehaald. De sticker is de eerste stap. Op basis van wat stof op het zadel, roest op het stuur en gekneusde wielen wordt een fiets een weesfiets. Het begint met een belerende sticker, dan wordt de fiets verwijderd en tenslotte eindigt hij op de schroothoop.

Onbewust moest ik denken aan een passage in Tonio, Een requiemroman van A.F.Th. van der Heijden. Binnenkort verschijnt van dit boek een recensie van mijn hand op neerlandinet van de Zuid-Afrikaanse literatuursite litnet.co.za. Van der Heijdens zoon Tonio verongelukt op een fiets van een vriendje. Hij wordt geschept door een auto en overlijdt diezelfde dag nog. Hij heeft de fiets van het vriendje geleend, omdat zijn eigen fiets op het Centraal Station stond.

Mirjam Rotenstreich, de vrouw van Adri van der Heijden, zegt dan: ‘Zoals zo vaak. Er zijn daar heel wat fietsen van hem geruimd.’ Tonio had niet zo’n innige band met fietsen. Vaak liet hij ze verweesd achter om ze nooit meer op te halen.

13 juli 2011

Kunstige aalscholver

Aalscholver toont het publiek zijn optreden op het kunstwerk in de vijver voor het Wis- en Natuurkundegebouw.

Van het station naar mijn werk is een heerlijke ochtendwandeling voor mij. Ik geniet van het begin van de dag. De bedrijvigheid inspireert mij. De haast van mensen krijgt van mij de aandacht. De wolkenhemel, de mooie lichtinval van het vroege tijdstip en ook de natuur die ik tegenkom.

Het is niet veel natuur, maar genoeg om van te genieten. Zo stond laatst op een morgen een prachtige aalscholver kunstig op een kunstwerk. In de vijver voor het Wis- en Natuurkundegebouw staat een groot geel gevaarte. Wat het voorstelt, weet ik niet, maar het is kunst. Dat zie je zo.

Aalscholver geeft een optreden

De aalscholver trok zich er weinig van aan. Hij liet zijn vleugels drogen in het ochtendzonnetje. Draaide zelfs een rondje waarbij de vleugels zachtjes trilden. Imponerend en tegelijk heel schattig.

Het deed mij denken aan een levend standbeeld. Levende wezens die kunst vormen. Ze proberen een historische persoon te verbeelden, of gewoon een raar fictief figuur. Ik zag hoe deze aalscholver onbewust veranderde in kunst. Zijn gedrag was natuurlijk even imponerend als violist die een mooi stuk van Bach speelt. Ook hij wachtte op applaus.

Totale kunst in de vijver

Het beste applaus dat ik hem kon geven, was deze foto. Terwijl het verkeer voorbij raasde, stond hij er. Statig, de vleugels wijd en 1 toeschouwer. Na het optreden gingen we allebei onze weg. Hij omhoog en ik om de vijver heen.

12 juli 2011

Grote zilverreiger in Beatrixpark Almere

De grote zilverreiger vliegt op in het Beatrixpark

Bij het hardlopen had ik hem al een paar keer zien zitten in de plas van het Beatrixpark van Almere. Hij verbleef in de nabijheid van de blauwe reiger die er altijd zit. Het dier – compleet in een wit verenpak – leek op de blauwe reiger, maar zag er toch anders uit. Rankere kop en langere hals.

Het deed mij aan een ooievaar denken, maar ergens was het beeld niet correct. We reden er enkele weken geleden langs op de terugweg van de speeltuin. Ik stopte en probeerde het dier met mijn mobieltje vast te leggen.

Het mislukte jammerlijk. Het beeld bewogen en in tussen het bewegende groen ontdekte je niks wits. Het dier was allang gevlogen. Veel schuchtiger dan de blauwe reiger vloog hij al op als je van je fiets afstapte. De reiger bleef zitten en wachtte zelfs het fotomoment af om dan als je op een enkele meter van hem afstond op te vliegen.

Grote zilverreiger vliegt over de plas van het Beatrixpark in Almere

Laatst kreeg ik het witte beest toch te pakken. Ik legde hem vast en liet ‘de ooievaar’ trots thuis zien. ‘Dat is geen ooievaar’, zei Inge stellig. Ik keek nog eens naar het plaatje. ‘Wel. Hij is wit’, sputterde ik tegen. ‘Waar is het zwart dan op zijn vleugels?’ wierp Inge op. Inderdaad, de bekende zwarte onderkant van de vleugels ontbraken op mijn ooievaar. ‘Het lijkt wel een reiger, maar dan een witte’, zei Inge. Ik was het daar niet mee eens. Het was een bijzondere vogel, geen albino-reiger. Dat vond ik.

Grote zilverreiger in de verte van de plas in het Beatrixpark te Almere

Bij toeval stuitte ik op een site met prachtige natuurfoto’s en ineens dook daar mijn ooievaar op in een fotoserie over een bezoek aan Gooi en Eemland. In het onderschrift stond dat een zilverreiger was op de foto. Nog wat verder rondspeuren bracht me bij het verschil tussen de Grote zilverreiger en de Kleine zilverreiger.

Inderdaad het was een reiger die daar in de waterplas van het Beatrixpark verbleef, de Grote zilverreiger. Een familielid van de Blauwe reiger, ietsje groter zelfs. Zeker in Flevoland een vaker geziene gast.

In elk geval vaker dan de Kleine zilverreiger, die een stuk zeldzamer is. Of hij zo dicht in bewoond gebied wordt aangetroffen, weet ik niet. Wel was deze schuchter genoeg. Als hij ontdekt dat wij ze alleen maar op de foto zetten, dan verwacht ik dat hij spoedig vaker te zien zal zijn.

11 juli 2011

Lama's nemen schapen te grazen

image
2 lama's grazen tussen de schapen in het Kromslootpark van Almere

Vorige week holde ik door het Kromslootpark in de avonduren. De warmte van de dag steeg nog op van het asfalt op het fietspad. Achter het hek zag ik 2 mensen op een heuvel staan. Ze keken naar de schapen die voor hen graasden.

Tussen die schapen zag ik ineens de dieren staan waar het echtpaar waarschijnlijk naar keek: 2 lama’s. Een donkere en een lichte stonden daar te midden van die grazende schapen. Hun nekken rezen een eind over de wollen vachten heen. De eigenzinnig kop met lippen in een continue spuughouding tuurden de diepte in.

Ik stopte maar even en maakte van de gelegenheid gebruik een foto te maken. Mijn mobieltje gaat namelijk meer niet dan wel mee op mijn hardlooprondjes. Daarvoor vind ik de natuurgebieden rond Almere te weinig afgelegen. Je kunt er bijna niet verdwalen. Ook heb je met je mobieltje altijd bereik. Reden genoeg om het ding thuis te laten.

De ene lama dook ineen voor mijn foto en de andere liep snel weg. Hij vond dat ik te dicht naderde. De schapen bleven gewoon netjes staan en deden of er niks aan de hand was. Ik vroeg mij af wat de lama’s hier deden. Wie had de dieren hier neergezet. Bij mij leefde het idee dat hier alleen schapen en koeien liepen.

In het voorjaar had ik hier weliswaar 1 enkele geit gezien. Hij stond op een boomstronk en tuurde over het weiland heen. Ik moest aan de geit van Shaun the sheep denken. Het dier keek met eenzelfde eigengereidheid voor zich uit. Ik meende dat iemand het dier hier in de kleine uurtjes had achtergelaten. Genoeg van het gemekker, mocht het beest het met geblaat doen.

De lama’s konden hier natuurlijk op eenzelfde manier gekomen zijn. Toen ik er gisterochtend voorbij holde stonden er nog alleen maar schapen. Ze hadden beschutting voor de warme zon gezocht in de bossages. Alleen een heel mager schaap stond nog in de brandende zon met haar jong te grazen.

Van de lama’s geen spoor.