05 september 2015

Wagner en de jodenhaat

wpid-img_20150830_120059.jpgWagner is niet los te zien van de jodenhaat en de holocaust. Martin van Amerongen publiceert zijn studie rond de Duitse componist van de negentiende eeuw in 1983. Voor een groot deel van het publiek is Wagner ‘not done’. In de loop van de jaren is de beeldvorming verschoven van Nazi-componist naar een componist

Martin van Amerongen weet Wagner breder te trekken. Hij probeert zijn denkbeelden af te zetten tegen de periode waarin hij leefde. Dat hij joden haatte staat buiten kijf. Je kunt er wel over discussiëren hoe consequent de componist hierin was.

Want Martin van Amerongen is goed op de hoogte. Zo wijst hij op de inspiratiebronnen van Wagner. Van Amerongen haalt hierbij een andere held uit het negentiende eeuwse Duitsland aan: Heinrich Heine.

Wagner liet zich voor zijn Fliegende Holländer overduidelijk inspireren door Heines Memorien des Herren von Schnabelowpski. En Heine was… Inderdaad een jood. Overigens weet Van Amerongen nog veel meer invloeden van Heine op de operaś van Wagner aan te wijzen.

Wagner heeft zich nooit zachtzinnig over joden uitgelaten. Dat de joden in zijn tijd daar overheen konden stappen, is een pijnlijk aspect dat Van Amerongen aanwijst:

Hij was onbetwistbaar een der leidende jodenhaters van zijn tijd. Niettemin was hij een jodenhater die door de joden, althans velen onder hen, op handen werd gedragen. (68)

Wagners jodenhaat slaat vooral op een persoonlijk grief tegen mensen als de concurrent Giamoco Meyerbeer. Een complex muziekstuk als de Parcifal als een integrale aanklacht tegen het jodendom beschouwen zou een te grote eer zijn. Dan zou Wagner zich echt wat openlijker uitlaten over het joodse vraagstuk, stelt Martin van Amerongen.

Overigens is Van Amerongen heel duidelijk over wat de Parcifal wel is: een loflied op de geslachtsdrift. Het is dan wel weer de vraag hoe ver je in de symoboliek kunt duiken, want dan lijkt alles om de seks te draaien. Zoals het bij Martin van Amerongen hoort, weet hij hier een leuke draai aan te geven.

Parcifal was de ‘laatste kaart’ die Wagner zou uitspelen. Het werk ging op 26 juli 1882 in première. Zijn voornemen om nu de wereld met een dozijn symfonieën te veroveren, werd doorkruist door de hartaanval die hem op 13 februari trof, boven de schrijftafel in het Venetiaanse Palazzo Vendramin, waar hij werkte aan een traktaat over het vrouwelijke in de mens. (102)

Het kenmerkt Martin van Amerongens benadering van de componist Richard Wagner. De feiten vertellen genoeg, zeker als je ze formuleert zoals hij dat doet.

Martin van Amerongen: Wagner, De buikspreker van God Met een nawoord van Philo Bregstein. Amsterdam: Metz & Schilt, 2005 [1e druk 1983]. ISBN: 90 5330 408 8. 200 pagina’s.

04 september 2015

Martin van Amerongen over Wagner

wpid-img_20150830_120048.jpgWagner is een componist die controversie oproept. Dat hij veel betekend heeft voor de hedendaagse muziek en misschien wel cultuur. Hij staat ook in het gruwelijke licht van de nazi’s. Hitler heulde openlijk met deze componist en trok hem daarmee in het verderf.

Die dubbele houding vind je ook terug in het boek van Martin van Amerongen over deze bijzondere componist. Van Amerongen heeft een uiterst prettige benadering van deze Duitse componist. Hij doet dit met een licht sarcasme en benadert hem zo precies op de goede toon. Geen dweperij of totale veroordeling, maar een vorm die ertussen hangt.

Dat is ook nodig om een componist als Richard Wagner op een juiste manier te benaderen. Het is ook maar een mens. Al denkt de componist daar zelf iets anders over, zoals in een dialoog met zijn hondje Peps. Van Amerongen weet de anekdote heel treffend te vertellen:

Ooit waagde Peps, een hond uit Wagners vroege Saksische jaren, het om de stem tegen het baasje te verheffen. De componis sprak bestraffend: “Wat krijgen we nou? Blaffen tegen de grote Wagner?’ (33)

Op eenzelfde manier benadert Martin van Amerongen bijvoorbeeld de eerste uitvoering van de hele tetralogie Der Ring des Nibelungen in het nieuwe Festspielhaus in Bayreuth. Zo citeert hij de criticus Eduard Hanslick die na 4 dagen Ring en de laaste maat van Götterdämmerung naar het station rent en in zijn treincoupé 2 kennissen treft:

Op het moment dat het voertuig zich in beweging zette, vielen zij elkaar om de hals met de woorden: ‘God zij geloofd! Wij hebben het overleefd! Het is achter de rug! De goden zijn uitgeschemerd!’ (30)

Overigens weet Van Amerongen hier ook over te vermelden dat de modernste theatersnufjes door Wagner werden aangeschaft. Niet dat alles goed aankwam, zo belandde een belangrijk attribuut voor de draak in Beiroet in plaats van de Beierse provinciestad.

Deze luchtige manier helpt enorm om de zware onderwerpen rond Wagner aan te kunnen kaarten: de jodenhaat en de verbintenis met de holocaust.

Martin van Amerongen: Wagner, De buikspreker van God Met een nawoord van Philo Bregstein. Amsterdam: Metz & Schilt, 2005 [1e druk 1983]. ISBN: 90 5330 408 8. 200 pagina’s.

03 september 2015

Gooi versus Vechtstreek

image

Als de titelheld en ik-verteller van de Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck bij de Bussumerhei staat, doet hij een interessante bevinding. Het lijkt erop dat hij de Tafelberg (36,4 meter) beklommen heeft.

Tegenwoordig ligt deze heuvel ingeklemd tussen snelwegen en provinciale wegen, maar dat vroeger een prachtig uitzicht bood tot aan Amersfoort, de Zuiderzee en bij mooi weer zelfs tot Utrecht.

Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men vandaar geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken, thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het lommerrijke geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen: – over Blaricum, de beide Eemnessen, Zoest, Baarn en Amersfoort: over het boschrijke landschap daar tusschen, en over de blaauwe zee, de Stichtse bergen, en de graauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen: – en aan den vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen. (66)

Hij staat daar midden in het straatarme Gooi. De boeren weten met moeite te overleven op de kale zandgronden. Van de rijkdom die hier meer dan 250 jaar later is, is nog helemaal niets te vinden.

Daar op die Tafelberg beseft de ik-verteller Ferdinand Huyck dat de rijkdom niet ver van hem afligt. Het buiten van zijn tante ligt hier op 1,5 uur lopen vandaan. Daar ligt de oase ‘waar de Amsterdamsche rijkdom al zijn weelde en schatten ten toon spreidt’.

Het contrast kan niet groter zijn en Jacob van Lennep speelt met dit gegeven. Waar de Amsterdamse kooplieden hun royale buitenhuizen langs de Vecht hebben laten verrijzen. Op slechts 1,5 uur gaans van de plek vol ontberingen waar Ferdinand Huyck nu loopt.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

02 september 2015

Thriller of klucht?

image

De roman Ferdinand Huyck leest als een negentiende-eeuwse thriller met een hoog kluchtgehalte. De uitkomst is even verrassend als voorspelbaar. Daar ligt ook mijn grootste bezwaar van de roman van Jacob van Lennep. De ontknoping is een lang uitgestelde gebeurtenis, waar het eigenlijke verhaal traag doorheen meandert. Daarbij leest de meeste humor die de verteller bezigt als flauw en doorzichtig.

Neem het boottochtje dat Ferdinand met een flink gezelschap maakt, waaronder Lodewijk en Henriëtte Blaek. Het levert hilarische momenten op waarbij het schip in storm terechtkomt.

“’t Is gedaan!” riep een stem uit ons midden.
Susanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen. Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotseling viel het stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wioj hoorden het zeenat als grommende van rondsom wegloopen; – maar toen wij, wanende dat ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water meer. (286-7)

Op spektaculaire wijze is de boot over de dijk heengeslagen en op de helling aan de droge kant beland.

Buitengewoon grappig, maar niet zo diepzinnig als het veel minder spektaculaire boottochtje dat de Familie Stastok maakt in Hildebrandts Camera Obscura. Veel simpeler en minder spektaculair, maar door de beschreven situaties is het verhaal van Hildebrand (Nicolaas Beets) veel hilarischer en memorabeler dan de boottocht die Jacob van Lennep in Ferdinand Huyck beschrijft.

Maar dat drukt de pret niet aan boord van het schip van Lodewijk Blaek. De Duitser Weinstübe is onvindbaar:

“Ach lieber Gott! zum hülfe! Ich pin todt.”
“’t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest,” zeide ik, op het geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan de kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. (290-1)

Het boottochtje over de Zuiderzee steekt flauw af tegenover de grote ontsnapping aan het einde van de roman. Het tafereel verschuift naar Terschelling. Jacob van Lennep haalt alles uit de kast om de ontknoping tot een grootse gebeurtenis te laten worden. Hierbij benut hij de nodige kwinkslagen en weet alle personages in een magistraal slotakkoord te gieten.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

01 september 2015

Belachelijke dichter

image

De ik-verteller, hoofdpersoon en romantitelheld van Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck heeft het niet zo op de achttiende-eeuwse dichters. Als hij kennismaakt met de dichter Lucas Helding in het huis van Blaek, in de buurt van Eemnes, is hij niet echt enthousiast over de versjes die hij daar overal aantreft:

“Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten,” zeide ik: “hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen.” (48)

De naam hangt buiten, attendeert Henriëtte Blaek hem. De bezoeker leest daar dat het gebouw waarin ze zitten een koepel is en niet een kippenhok. Ook Henriëtte Blaek ziet niet veel in de dichtkunst van Helding:

“Het is anders een goede man, die Lucas Helding; ,aar het nageslacht zel er weinig aan missen, al zet hij nooit weêr een pen op het papier.” (48)

Niet veel later komt Helding binnen. Hij is een huisvriend van de Blaeken, maar de ontmoeting verandert Ferdinand Huyck niet van mening over de schrijfsels van Lucas Helding. Zelfs de jubelzang die hij krijgt toegestuurd, brengt daar geen verandering in. Het gedicht levert vooral leedvermaak op in Huize Huyck.

Ook Helding is slachtoffer van de roversbende. Hij komt steeds terug in het verhaal. Hierbij schuwt de verteller niet om de dichter voor gek te zetten. De passage waarin hij de dronken dichter meesleurt door de straten van Amsterdam is tekenend. Ferdinand Huyck weet samen met Reynhove de dichter naar zijn woning te brengen.

Tot in het nawoord van Marie Stauffacher komt Lucas Helding aan bod. Ze schrijft het volgende:

De Mengelingen van Helding kan men nog in sommige boekerijen van deftige lieden, en ook nu en dan, hoor ik, op stalletjes aantreffen: ik twijfel echter, of zij ooit veel lezers vinden. (497)

Tot het einde toe weet Jacob van Lennep de dichtkunst van een eeuw voor hem, voor gek te zetten. Erg enthousiast is hij er niet over. Gelukkig doet hij dit op een grappige en humoristische manier. Soms iets te overdadig, maar dat hoort bij hem en de tijd die hij beschrijft.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

31 augustus 2015

Mijn exemplaren van Ferdinand Huyck

image

Ik heb 2 exemplaren van Ferdinand Huyck in mijn boekenkast. Ze komen allebei uit de serie van Romantische werken die uitgeverij Sijthoff uit Leiden vaak herdrukte. De beide boeken zijn gebonden in een rode kaft, maar zijn van verschillend zetsel. Hierdoor telt het ene boek 436 pagina’s en het andere 498.

Het werk van Jacob van Lennep was tot ver in de 20e eeuws heel populair. De boeken zijn eindeloos herdrukt. Het boek Ferdinand Huyck behoort tot de populairdere romans van Van Lennep. Net als De roos van Dekama. Misschien dat het onderwerp best aansprak. Daarnaast zijn de boeken van Jacob van Lennep geschreven in een toegankelijke stijl.

image

Ik heb een exemplaar dat heeft toebehoord aan P.J. Biesmeijer. Hij schafte het exemplaar in maart 1890 aan. Of het boek echt stukgelezen is, weet ik niet. Het boek heeft wel veel geleden. Het band valt van de inhoud af en neemt daarbij de eerste en laatste pagina’s mee.

Misschien komt de schade ook door het dikke bundeltje papier dat aan het exemplaar is toegevoegd. Dat is gemaakt door een J. van der Spek in januari 1888 en is daarmee ouder dan dat P.J. Biesmeijer het boek aanschafte.

image

In een prachtige handschrift heeft J. van der Spek alle vreemde uitdrukkingen en woorden die in het boek voorkomen opgezocht en vertaald. Hij gaat hierin heel ver. Zo zoekt deze lezer naar de verklaring van woorden als ‘bagatelletje’, ‘croquettes’ en ‘intoleroble’. Daarnaast komen de vele mythologische figuren in de roman langs als Bacchus, Atlas en Hercules. Ook besteedt deze 19e eeuwse lezer aandacht aan de Franse zegswijzen die vooral de zus van Ferdinand Santje.

Daarmee geven deze notities een leuk inkijkje in de leeswijze van een 19e eeuwse lezer. Het maakt het uit elkaar vallende exemplaar van deze historische roman de moeite van het bezitten waard. Daarom kan ik het ook niet over mijn hart verkrijgen om juist dit boek van een nieuw omslag te voorzien.

image

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

30 augustus 2015

Boekje met opdracht

wpid-img_20150829_160804.jpgEr zijn van die boeken die tegenkomt en die erom vragen dat je ze meeneemt. Zo ben ik laatst na mijn werk naar Weesp gefietst voor de boekenmarkt in de Grote Kerk. Ik ben een enthousiaste bezoeker van deze halfjaarlijkse boekenmarkt.

Langgerekte tafels boordevol boeken staan in de kerk uitgestald en dan is het heerlijk grasduinen over de boekenruggen. Ik vind altijd wel leuke boeken. Deze keer valt mijn oog op een boek dat in een doosje zit. Het heet Firmin en gaat over een rat die helemaal gek is van boeken.

Daarnaast zie ik een boekje van Ivo de Wijs liggen met zijn verzen die hij voorgedragen heeft bij het radioprogramma Vroege Vogels. Gedichten over de natuur. Het boekje trekt vooral mijn aandacht omdat er zo’n mooie opdracht in staat: ‘Voor mijn moeder’ met een krabbel en dan de naam Ivo de Wijs.

Zo’n opdracht roept meer vragen op dan antwoorden. Is het echt voor zijn moeder of stond er bij het signeren iemand aan de kraam die een krabbel vroeg voor zijn moeder? Een grapjas als Ivo de Wijs zet zoiets wel voorin zijn boekje met verzen.

Zo kan ik heerlijk turen naar zo’n opdracht en verder verzinnen voor wie Ivo de Wijs dit nu echt heeft geschreven.

29 augustus 2015

Voettocht

image

Ferdinand Huyck heeft in de Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck alle vertrouwen in de goede afloop van de voettocht van Amersfoort naar Naarden. Wat zou een rover aanmoeten met de armoedzaaier als hij die zelfs zijn degen en pistool voor zich uitgestuurd heeft.

Een plunje als de mijne was niet geschikt om eengigen struikroover in verzoeking te brengen: ik had dan ook de pistolen en den degen, die mij op onze uitstapjes in Duitschland trouw vergezelden, bij mijn bagaadje gelaten, welke met de bolderwagen van Deventer op Naarden reisde, en meende tegen de gevaaren die ik van Amersfoort tot Naarden mocht hebben, en waaronder ik de ontmoeting met een dollen hond als de ergste rekende, genoegzaam beveiligd te zijn door den kneppel, dien ik over den rechterschouder droeg en waar aan een pakje bungelde, bestaande uit mijn nachtgoed en eenige andere onontbeerlijke benoodigdheden, in een bonten doek te zamen geknoopt. (19)

Het valt ook allemaal best mee totdat hij in een herberg in Soest wel op een erg onaangenaam gezelschap stuit. De joodse kramer die hem een kurkentrekker uit zijn handeltje opdringt, is daarvan nog de minst erge. De ruzie die tussen Ferdinand en enkele gasten in de herberg ontstaat, is niet van de lucht. De messen en degens worden getrokken.

Alleen zijn afkomst redt hem en hij weet de kroeg uit te vluchten, niet wetende dat hij de belangrijkste personen verderop nog zal tegenkomen. Zelfs de hele roman zullen deze mensen hem blijven achtervolgen.

De route die Ferdinand hier maakt, lijkt zo uit het dagboek van 1823 te komen. Ook de jonge Van Lennep wandelt over een zonnige weg met bosjes erlangs over Soest naar Soestdijk. Verderop tussen Baarn en Eemnes worden Van Lennep en Van Hogendorp getroffen door een regenbui terwijl ze wandelen door het Overbosch en de prachtige buitenplaats Groeneveld.

Ferdinand Huyck wordt ook getroffen door een regenbui en schuilt in de koepel van de Guldenhof. Van Lennep zou het buitenverblijf De Guldenhof goed kunnen ontlenen aan Groeneveld. De jonge Huyck treft in het koepelgebouw bij de Guldenhof voor het eerst het meisje Henriëtte Blaek, een vriendin van zijn zus. De Heer Blaek aan wie het landgoed toebehoort is haar oom. De man heeft fortuin gemaakt, terwijl de vader van Henriëtte in armoede is gestorven.

Natuurlijk wordt het stel betrapt door de gemene zoon van de Heer Blaek, Lodewijk. Het brengt ze allebei in verlegenheid. Voor de roman is het slechts een ontwikkeling die de intriges en misverstanden alleen maar vergroot. Want misschien lijkt Ferdinand Huyck een slimme jongen, hij komt zeer sullig en onbenullig over in het verhaal.

In het bos nadat hij de Guldenhof verlaten heeft, wordt hij overvallen door rovers die hij eerder in de herberg van Soest wist te ontlopen. Daar wordt hij ook gered door de baron Van Lintz, die in de roman voortdurend terugkomt in alle mogelijke aliassen die je maar kunt bedenken.

In ruil voor de redding vraagt de man met de rode mantel, die zich Bos noemt, om zijn dochter naar Amsterdam over te brengen. Het brengt Ferdinand Huyck erg in verlegenheid, zeker ook omdat hij de zoon van de Hoofdschout van Amsterdam is en bovenal omdat hij verliefd is op Henriëtte Blaek die hij in de koepel van de Guldenhof tegenkwam.

Niet dat het verhaal nu heel sterk is. De ingewikkelde plot is zeker goed verzonnen. Van Lennep weet de spanning heel goed op te bouwen. Zeker aan het eind van elk hoofdstuk roept de opgebouwde spanning op om verder te lezen. Buiten de saaie en lange dialogen, weet Van Lennep bepaalde personages heel levendig neer te zetten. Zoals de Duitser Weinstübe en de onnozele verzendichter Helding.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

28 augustus 2015

Ferdinand Huyck

image

Het vakantieboek voor deze zomer zou Ferdinand Huyck worden van Jacob van Lennep. De Amsterdamse schrijver en politicus schreef deze historische roman in 1840. Het verhaal speelt zich 100 jaar eerder af. Het boek trok mijn aandacht omdat het zich in het Gooi afspeelt.

In de 18e eeuw was het gebied tussen Amersfoort en Naarden beducht vanwege de bendes die zich in de bossen en op de heides schuilhielden. Als je er niets te zoeken had, ging je er ook niet heen. Jacob van Lennep speelt met dit gegeven op een rake wijze in zijn historische roman.

Nederland staat in deze periode op de overgang naar de moderne tijd. De ijzeren eeuw moet nog beginnen. Een jaar voordat de roman uitkomt, is de eerste ijzeren spoorweg van Nederland geopend. De industrialisatie staat nog in de kinderschoenen. Een groot deel van Nederland is nog in de staat waarin het de eeuwen daarvoor al was. Het zo vernuftige systeem van de trekschuit in vooral het Hollandse gewest was aan zijn eindje. Meer dan 200 jaar was de trekschuit hèt vervoermiddel geweest om tussen de Hollandse steden te reizen.

Of Van Lennep daarom de periode van een eeuw eerder koos, is onduidelijk. Het is namelijk niet de meest charmante periode die hij kiest voor zijn historische roman. In de 18e eeuw is Nederland behoorlijk ingeslapen en weinig spannend. De keuze van Jacob van Lennep om zijn roman juist in deze tijd te situeren is dan ook zeer opmerkelijk.

Misschien dat hij zijn wandeling in de zomer van 1823 met zijn medestudent Dirk van Hoogendorp daaraan heeft bijgedragen. De scène aan het begin van de roman Ferdinand Huyck kan zo zijn weggelopen uit de dagboekaantekeningen die Jacob van Lennep 17 jaar eerder maakte.

Ook sluit de belevingswereld van Ferdinand Huyck die zich bijna moeiteloos tussen de hogere kringen van het 18e eeuwse Amsterdam begeeft, goed aan op de wereld waarin Jacob van Lennep verpoos. Ook vader Van Lennep, hoogleraar klassieke talen in Amsterdam, bezat een buiten, het buiten Manpad bij Heemstede. Daar verbleef de jonge Van Lennep regelmatig en zal hij ongetwijfeld hebben meegedaan aan het jagen en trekken door de vrije natuur. Jacob van Lennep is zijn hele leven een fervente wandelaar geweest.

Dat wandelen en trekken zie je terug in Ferdinand Huyck. Al wordt de historische roman gedreven door de fantastische opening. De jongeling Ferdinand Huyck is op de terugweg van zijn grand tour door Italië. Als hij in Amersfoort aankomt, is het geld op en moet hij op 1 of andere manier in Amsterdam zien te komen. De zoon van de Amsterdamse hoofdschout besluit om dit lopend te gaan doen. In Naarden wil hij de trekschuit naar de hoofdstad nemen.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

27 augustus 2015

Spelen en winnen

image

In Huizinga’s studie naar de spelende mens, Homo ludensschrijft de Leidse historicus weinig over de relatie tussen spelen en gokken. Bij gokken raakt de menselijke geest zo in vervoering dat hij verder gaat dan het spel. Bij het winnen krijgt hij meer dan de eer. Hij haalt ook nog eens een lieve duit binnen.

In het spel zelf zitten natuurlijk ook allerlei elementen in relatie met geluk en winnen. Dat de winst nog eens buiten het spel effect heeft, maakt het de spanning vele malen groter. Je kunt je dan nog afvragen of het dan draait om het spelen of juist om het winnen.

Kaartspelen als bridge en poker kunnen met én zonder geld worden gespeeld. De inzet van geld vergroot de spanning en versterkt het spel. De kans om het spel te winnen, is even groot, maar de prijs wordt meer begeerd. Het is verleidelijk te denken dat het dan alleen om het geld draait, maar dat geloof ik niet helemaal. Het is de combinatie die hier heerst.

Is de inzet bij gezelschapsspelen het samen rond de tafel zitten. De vele spelletjes die mensen op hun mobiel spelen, lijken een heel ander doel te hebben. Daar is het spel een tijdverdrijf en lijkt misschien het meeste op het tijdverdrijf aller tijdverdrijven van de spelletjes: patience.

Veel spelletjes op internet worden gespeeld in combinatie met veel social media. Denk hierbij aan het grote assortiment van spelen beschikbaar op Facebook. Een uitzondering hierop zijn websites waarbij je kans maakt op grote prijzen. Steeds vaker duiken dergelijke websites op. Geluk en behendigheid wisselen elkaar af, ook bij deze websites. Zo zie je dat er door de eeuwen heen met het spel niet zoveel veranderd is. Het is enerzijds een tijdverdrijf en anderzijds geeft de kans en mogelijkheid iets te winnen een extra spanning en beleving aan het spel.

Uiteraard moet de speler ervoor waken zich niet te laten beheersen door het spel. Laat het spel vooral een spel blijven en de winst een meevallertje.​