Posts tonen met het label jan wolkers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jan wolkers. Alle posts tonen

29 januari 2019

Amstelglorie en Jan Wolkers

Jan Wolkers en Amstelglorie; het is een 2-eenheid. Vlak voor de zomer krijg ik opeens de behoefte om eindelijk de plek van Wolkers’ volkstuintje op te gaan zoeken. Misschien ben ik beïnvloed door het vooruitzicht van Onno Bloms bloemlezing met dagboekfragmenten van Jan Wolkers over zijn volkstuintje op Amstelglorie.

Ik stap ondanks alle drukte voor het huis op de fiets. Ik wil de tuin van Jan Wolkers eindelijk eens in het echt gaan zien. Ik hoop nog een paar sporen van de schrijver te kunnen vinden.

Biografie van Onno Blom

De biografie van Onno Blom net gelezen, rij ik via Oudekerk aan de Amstel naar het Amstelpark. Ik heb er jaren vlakbij gewerkt, maar ben er nooit eerder geweest. Een keer vlak langs de toegangsbrug. Ik loop door naar de Japanse tuin. Gewoon om even naar de Ginkgo’s te kijken en inspiratie voor de nieuwe tuin op te doen.

Daarna nog even langs de VU rijden en vandaar naar het Beatrixpark. Het park grenst aan de RAI. Ik pak het stukje dat evenwijdig loopt aan de snelweg. Vandaar langs de snelweg over de Amstel waar ik op zoek ga naar Amstelglorie. Hier heeft Jan Wolkers van december 1972 tot augustus 1981 een volkstuin gehad, nummer 294.

Voormalig tuintje

Ik rij het complex op. Geörienteerd op de plattegrond bij de ingang, waar precies het voormalige tuintje van Jan Wolkers is. Na hem hebben diverse mensen nog het volkstuintje bewoond. Het tuinhuis is altijd blijven staan. Ik heb ontdekt op internet dat het dit jaar helemaal is opgeknapt en een plaats is geworden voor schrijvers. Zo heeft biograaf Onno Blom een deel van het boek Amstelglorie in het huisje geredigeerd. Het boek bevat alle dagboekfragmenten van Jan Wolkers over de volkstuin die hij van 1972 tot 1981 heeft.

Ik fiets in de richting van het Eiland, helemaal achterin, vlak tegen de snelweg aan. Sterker nog: snelwegen. Het knooppunt Amstel waarbij de A2 begint de rondweg A10 kruist. De A2 gaat hier over in de Nieuwe Utrechtseweg. Daar op de dijk, loopt ook de metro. En verderop zoeft het treinverkeer over de ring Amsterdam. Allemaal verkeer.

Ik rij over het bruggetje, geïmponeerd door de hoge bomen. Veel berken, maar ook alle andere variëteiten. Dan rij ik over het smalle paadje. Hier heeft de schrijver vaak overheen gelopen, weet ik uit de dagboeken. Ik heb ze nog niet allemaal gelezen, maar ik weet hoe verknocht Jan Wolkers was aan zijn volkstuintje.

Opgeknapte tuinhuisje

Vanaf het pad tuur ik in de richting van het opgeknapte tuinhuisje. Op het dak liggen zonnepanelen en daarnaast oogt de tuin best wel kaal. Niet de dichtgegroeide bossage die Jan Wolkers er in de jaren 1970 van maakte. Ik kan de mispel waar Jan Wolkers zo vaak over schrijft, niet zo snel ontdekken.

Ik ga dan iets verderop op een bankje gaan zitten, eet mijn boterham met jam op. Wat een smaak. De warme junidag is genieten. Het voelt heerlijk hier op het bankje. Temidden van de volkstuinen. Hier wordt met liefde voor de natuur de rust opgezocht. De hoge bomen die verspreid over het complex staan, met de uilenkasten en andere nestkasten voor vogels; voor mij laat het zien dat hier goed gezorgd wordt voor de natuur.

Dagboekfragmenten over Amstelglorie

Jan Wolkers heeft in de jaren 1970 een aantal jaren een volkstuin gehad op Amstelglorie. Ik ben helemaal blij dat het boek is uitgekomen met alle fragmenten uit zijn dagboeken over zijn tuin op Amstelglorie. Het is een opeenschakeling van een genietende Jan Wolkers die helemaal opgaat in de natuur en vooral in het begrijpen en ingrijpen van deze natuur.

Jan Wolkers gaat helemaal op in al het groen en streeft de verwilderde tuin na. Hij heeft niet echt een plan met zijn landje. De 300 vierkante meter krijgen een inrichting waarbij menig tuinierder de angst om het hart slaat. Wat plant hij veel grote groeiers op die paar vierkante meter die hij heeft. Naast de bomen die er al groeien, zoals de mispel, zilverpopulier en de walnotenboom, plant hij er verschillende fruitbomen (appel, peer en pruim), maar ook harde groeiers als de nu zo beduchte berenklauw, Japanse duizendknoop en bamboe.

Succesromans geschreven op Amstelglorie

Op Amstelglorie creëert Jan Wolkers zijn eigen paradijsje. Wat een prachtige beschrijvingen geeft hij van het groen en de vogels. Hier in die natuur werkt Jan Wolkers ook aan zijn romans. een belangrijk deel van zijn succesromans zijn hier geschreven. Zo schrijft hij hier De walgvogel, De kus, De doodshoofdvlinder en De perzik van onsterfelijkheid. De laatste roman speelt zelfs gedeeltelijk in een volkstuintje.

Jan Wolkers zegt dat hij zich laat leiden door de tuin zelf. Hij zet de natuur daarmee naar zijn hand door vooral goed te kijken en de struiken en bomen te geleiden. Zo is hij door de jaren heen steeds in de weer met het verplaatsen van bomen en struiken naar betere plekken als hij merkt dat ze niet goed gedijen op de plek die hij voor ogen had.

Hij schroomt niet om planten uit de vrije natuur over te planten. Zo sleept hij wat planten uit het nabijgelegen Amstelpark of het Beatrixpark naar zijn landje. Of vogelkers die hij van Texel meeneemt. Stekjes haalt Jan Wolkers dus overal vandaan. Het geeft zijn tuin de charme waarin het groen overheerst. Het lijkt of het een wilde tuin is, maar ondertussen weet Jan Wolkers die onstuimigheid in heel gecontroleerde banen te leiden. En als het echt uit de hand loopt, haalt hij de plant weg.

Jaargetijden

Het boek dat Onno Blom heeft samengesteld, is vervuld van de natuur en volgt getrouw de jaargetijden. Elke jaargetijde heeft zijn charme. Niet alles draait om de zomer. Nee, de winter is voor Jan Wolkers net zo mooi. Of misschie wel zelfs mooier. Neem zo’n beschrijving midden in de winter; op 1 januari 1976 schrijft Jan Wolkers in zijn dagboek:

De tuin ziet er wild en romantisch uit, met al die dorre bruine, okergele en zwarte staken van de zonnebloemen, kaardebollen, maïs en artisjokken, waaruit het zilveren pluis puilt. Aan het pad bloeit de winterkrokus Laevigatus Fontenayi. Verderop de gele frutseltjes van de hamamelis. De grond is prachtig van structuur met de goed rottende en door de merels steeds omgewerkte half rottende bladeren. De Boeddha is vochtig en groengrijs van zich op de vulkanische steen ontwikkelende mossen. De meeste mispels zijn weggegeten. (235)

Een passage die regelrecht uit een roman van Jan Wolkers zou kunnen komen. De rotting en dorheid van de winter, verwijst niet zozeer naar het bederf, maar veel meer naar het nieuwe leven dat er straks in het voorjaar uit zal komen. Er zijn zelfs al een paar voorbodes, zoals de winterkrokus die al in bloei staat. Terwijl de laatste vruchten van de mispel vallen of weggevreten nog in de boom hangen, wacht het voorjaar om toe te slaan.

Uit deze dode boel komt dadelijk het leven. Of zoals Wolkers het vaak aanhaalt, januari is de mooiste maand van het jaar. Veroorzaakt door het bijzondere licht, waarbij de hemel alle kleuren aanneemt van het diepste blauw tot het lichtste geel. Tegelijk ziet Jan Wolkers overal het leven in de donkere en grauwe kleuren van de winter. Het groen is er niet, maar het zal elk moment helemaal loskomen.

De vogels en Jan Wolkers

Jan Wolkers gaat helemaal op in de natuur van zijn tuin. Een bijzonder leidmotief zijn de vogels. De schrijver treedt geregeld op als beschermheer over de gevleugelde dieren. Zo redt hij een kauwtje, al denkt hij in eerste instantie dat het een ekster is door de witte vlekken op de veren. Ook is hij druk in de weer met de grote lijster, die geregeld opduikt en die voor Jan Wolkers de bijnaam dikkie krijgt.

De grootste bedreiging vormen de katten in de buurt. Het noopt Jan Wolkers een keer om een nestje van passant Mao te laten verdrinken. De zwerfkat is aanvankelijk heel schuw, maar Jan Wolkers weet het vertrouwen van de kat te winnen. Hierdoor bezoekt de kat regelmatig het tuinhuisje en krijgt dan wat te eten. Als Jan Wolkers ontdekt dat Mao een nestje met jonge katjes heeft, voelt hij zich gedwongen de dieren te laten verdrinken. Het zou een ramp zijn voor de vogels al die halfwilde katten op het eiland. Een heel aangrijpende passage in het dagboek.

Snel gris ik de jongen tussen de laarzen en oude schoenen vandaan met een hand, bekijk ze even en stop dan mijn hand met die wriemelende beestjes de emmer in. Probeer ze zo zacht mogelijk vast te houden, maar de kleine wurmen blijken over een enorme kracht te beschikken. Het zweet breekt me uit. Ik kijk in de emmer en zie de kleine kopjes met de tongetjes uit hun bekjes happen naar lucht. Soms ontsnapt er een luchtbel. Het is afschuwelijk maar je kan niet meer terug. (182/183)

De dag na de ingreep is hij doodmoe. Komt door het doden van de kittens, zegt zijn vriendin Karina. Als Jan Wolkers Mao ziet zoeken naar haar jongen, treft de schrijver een enorm schuldgevoel. Hij merkt dat het dier zich opengehaald heeft in de zoektocht. De hele verdere periode dat jaar, wordt hij getroffen door schuldgevoel omdat hij het jonge leven heeft verwoest. Maar het moet om zijn andere vrienden te behouden: de vogels.

Kauwtje gered

Dat het andersom ook misgaat bewijst als Jan Wolkers in 1976 een jong kauwtje redt. De buurvrouw vindt het beestje en schakelt de hulp van vogelredder Jan Wolkers. Hij neemt het diertje mee het tuinhuisje in en ontfermt zich wekenlang over de jonge zwarte vogel. Hij krijgt de naam Edgar, naar de dichter van het beroemde gedicht The Raven, Edgar Allan Poe.

De dreiging van de aanwezige katten in de buurt hangt voortdurend in de lucht. Edgar krijgt de meer liefkozende naam Kras en Jan weet regelmatig de katten bij hem weg te houden. De vogel wordt steeds zelfstandiger en vliegt al helemaal alleen buiten. Dat betekent ook een groot gevaar. Al die halfwilde katten die er rondzwerven.

Als Jan eind augustus op de tuin komt, hoort en ziet hij Kras nergens. Hij kijkt bij de katten van de buren. Op het dak van het schuurtje. Wel katten, maar gelukkig geen veren. Hij kijkt verder. Je voelt hem aankomen. Hier gaat iets helemaal mis.

Als ik nog zo’n poosje onder de mispel sta, zie ik aan de slootkant van de buurvrouw tussen het eendenkroos iets drijven dat me een schok geeft. Dat is geen donker wakje in het kroos zoals ik nog hoop, maar donkere veren boven het water uit. Ik loop erheen. Daar drijft Krasje. Ik vis hem uit het water op. (297)

Zo’n pijnlijke scene. Pagina’s lang heb je kunnen meelezen in het groter worden van het kauwtje. Voortdurend hangt daar de dreiging van de dood. De passage waarin Jan Wolkers het dode dier bekijkt, voel je de pijn helemaal mee. Hoe het jonge leven bruut verstoord is. De manier waarop Jan Wolkers hier de dood beschrijft, grijpt je bij de kladden. De dood, zo’n allesomvattend thema in het werk van Wolkers. Het krijgt zelfs hier op de tuin zijn eigen plaats.

Dat gebeurt ook veel later als hij zijn vijgenboom plant op de as van zijn overleden kat Voske. De bomen halen de winter niet. Heel voorzichtig haalt hij de dode vijg weg en plant er de tulpenboom die hij krijgt van de botanicus uit Leiden. Een waardige grafboom voor Voske. De boom zal 2 jaar later meegaan naar zijn nieuwe huis op Texel. Samen met het grootste deel van de inventaris van de tuin. Slechts de mispel, de walnotenboom en de zilverpopulier laat hij achter. De tuin zelf lijkt zelf het meeste op een slagveld uit de Eerste Wereldoorlog.

Slagveld

Het is het leeghalen van de tuin waarmee hij ook in discussie komt met het bestuur van de volkstuinen Amstelglorie. De reden hiervan is de angst dat de tuin hetzelfde lot beschoren is als veel tuinen die zijn overgedaan in de omgeving. De buurvrouw heeft haar hele tuin is om zeep geholpen. Het is een slagveld:

Eerst die mooie rij elzen omgehakt waardoor het lievevrouwebedstro verdwenen is omdat ze de stronken eruit moest laten graven. Nu is het net Verdun 1918. Een treurige loopgraaf. (337)

Dat zijn tuin eenzelfde lot beschoren is, als hij de tuin in 1981 verlaat, bezorgt hem nachtmerries. Hij heeft het huis Pomona op Texel net gekocht, maar kan er bijna niet van slapen wat er met zijn tuin zal gebeuren:

Word iedere ochtend vroeg verkleumd wakker en denk dan meteen aan de tuin. Aan al die planten die we met zoveel liefde daar onder hebben gebracht. Ik moet er dus van gedroomd hebben. De angst hoe we alles voor de schoffel en schop van de mensen die na ons komen kunnen behoeden. (422)

Verdun

In zijn inleiding ‘De kleine Hortus’ bij de dagboekfragmenten over Amstelglorie, schrijft biograaf Onno Blom dat Jan Wolkers zelf de schop en schoffel hanteert als hij zijn volkstuin verlaat. Hij laat een modderpoel achter waar de nijlpaarden zich zouden thuisvoelen. Onno Blom citeert hier bijna eenzelfde vergelijking met het slagveld van Verdun als Wolkers eerder aanhaalt over zijn buurvrouw.

Een huiveringwekkend stukje Verdun, alsof er op die troosteloze kale driehonderd vierkante meter in loopgraven en schuttersputjes verbeten tot de laatste man gevochten was. (24)

Dat is in het voorjaar van 1981. Pas na herhaaldelijk aandringen van het bestuur van de volkstuinvereniging, zegt Jan Wolkers pas op 1 augustus 1981 zijn volkstuintje op. Het is dan de hele zomer leeg gebleven. De schuur staat nog vol rommel en alles ziet er wel slecht uit met veel uitgegraven kuilen en modderpoelen.

Het is het paradijs dat Jan Wolkers verplaatst heeft naar zijn nieuwe woning op Texel. De tulpenboom zal daar uitgroeien tot een grote, imposante boon. Hij maakt er bijna 30 jaar later een prachtige aflevering van in zijn kindertelevisieprogramma over zijn achtertuin.

De liefde voor de natuur is niet minder geworden op Texel. Hier heeft hij de tuin meteen bij zijn huis. Een stap naar buiten en hij wordt omringd door een veelvoud van het grondoppervlak dat hij op Amstelglorie had. Toch is de liefde waarmee hij in zijn dagboek over zijn volkstuin schrijft, niet minder sterk dan de liefde waarmee hij later het kinderprogramma maakt.

Jan Wolkers is nooit meer naar Amstelglorie geweest na zijn vertrek. Hij hoeft niet te weten wat andere bewoners van zijn volkstuin hebben gemaakt. Of het dezelfde wildernis is als hij gemaakt had of dat het een keurig kortgeschoren grasveld is, waarop de tuinmeubels staan en de barbecue met speklappen smeult.

Geweldig verzorgde uitgave

De uitgave van de dagboekfragmenten die Onno Blom heeft verzorgd, is geweldig. Zeker ook met de foto’s waarmee de fragmenten 3 keer worden onderbroken. Ze geven een prachtig beeld van het paradijsje dat Jan Wolkers samen met zijn Karina langs de ring van Amsterdam heeft geschapen.

Wat mij betreft hadden het wel meer foto’s mogen zijn bij de vele verhalen. Jan Wolkers schrijft regelmatig dat ze foto’s hebben gemaakt van de planten en de slakken die ze vinden. De vergelijkingen van het huisje, vind ik heel mooi. Zeker ook omdat ik lang moet kijken wat er met de onderste foto toch mis is. Er klopt namelijk iets niet. Na aandachtig vergelijken met de foto erboven, zie ik het. Aan de hand van het beeld van Venus, valt het op. De foto onderin staat in spiegelbeeld!

Kale tuin

De kale tuin die ik aantref op mijn fietsrit in juni door Amstelglorie, stelt me wel een beetje teleur. Het is heel lekker weer, maar de schrijver die zich in het huisje heeft teruggetrokken, houdt de deur goed dicht. Er is jammergenoeg erg weinig struikgewas om achter te verschuilen. Ik zie de schrijver languit op de bank hangen met een laptop op schoot. Geen deuren open. Niet opgaande in de omgeving.

Ik ben snel verder gefietst. Terug over het bruggetje. Kijkend over de vele slootjes en andere plekjes vol groen. Wat een klein paradijsje aan de rand van de stad, tegen de ring aan. Wat een wonder dat dit helemaal gespaard is gebleven. Ik hoop dat veel schrijvers inspiratie mogen vinden op deze plek. Al hoop ik ook dat de tuin veel meer mag veranderen in een rijke, groene tuin waarin de planten beheerst mogen overheersen.

Jan Wolkers: Amstelglorie, De volkstuin van Jan Wolkers. Geoogst door Onno Blom. Amsterdam: De bezige bij, 2018. ISBN: 978 94 031 1780 5. Paperback. 208 pagina’s. Prijs: € 30,99.
Bestel

12 november 2016

Visser, vis en meeuw

img_20161106_143223.jpgIn Jan Wolkers’ Brieven aan Olga zijn naast de plastische beschrijvingen van het vrouwenlichaam ook veel andere aspecten uit Wolkers’ latere literaire werk terug te vinden. Zoals de gedetailleerde natuurbeschrijvingen. Hierin is de verteller ook vaak de held en redder van de dieren.

Hij loopt in Parijs langs de Seine en ziet daar de vissers met hun hengels aan de rivier zitten. Ze halen het ene visje na het andere binnen. Tot een meeuw de lekkere hapjes in de gaten krijgt. Terwijl een visser een zilveren visje binnenhengelt, grijpt de meeuw zijn kans. De vogel slikt de vis met haakje en al in.

Het dier wil steeds wegvliegen, maar wordt daarbij tegengehouden door de vislijn. Eindelijk weet een visser het draad aan te spannen en met hulp van een andere visser vangen ze de gevangen meeuw in een schepnet. Het is nog gevaarlijk ook. Het dier pikt flink om zich heen. Hier staat de held Wolkers op:

Een visser heeft hem toen met een stokje zijn bek open gehouden, en ik heb heel voorzichtig de haak uit zijn tong gehaald; gelukkig was die niet in zijn maag terechtgekomen. Even later vloog hij weer vrolijk over de Seine. Het is dus gelukkig een tragedy met een happy ending geworden. (68)

Later weet Wolkers in zijn literaire werk ook dit soort beschrijvingen te geven. Het verblijf op Rottumerplaat in 1971 staat bol van de natuurbeschrijvingen. Hij staat daar met zijn voeten midden op de zandplaat, eet kokkels en probeert een strandlopertje te redden. Of later als hij Texel bezoekt met zijn vriendin Karina, staat hij bekend als de Tarzan van de schapen. Omdat hij elk schaap dat op zijn rug ligt, overeind helpt.

In het literaire werk vervullen de dieren die de hoofdpersonen proberen te redden, vaak een symbolische rol. Zoals in De roos van vlees waarin de held een waterhoentje vergeefs uit het ijs bevrijdt. Het staat symbool voor het verlies van zijn dochter, die hij ook niet in leven kon houden.

Het zijn van die aspecten die je terugleest in Brieven aan Olga. Daarmee laten Wolkers, maar misschien nog meer de tekstverzorger Onno Blom zien dat Jan Wolkers al voor zijn echte schrijverschap druk bezig was met schrijven. De getypte brieven aan Annemarie Nauta demonstreren dat overduidelijk.

Jan Wolkers: Brieven aan Olga. Bezorgd en ingeleid door Onno Blom. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010. ISBN: 978 90 234 5514 1. 152 pagina’s. Prijs: € 19,90. Bestel

05 november 2016

Pyknische types

img_20161104_194038.jpgDe eerste vrouw van Jan Wolkers, was volgens Annemarie Nauta een ‘leptosoom type’. En daar hield Jan niet van, stelt zij. Dat kon dus eigenlijk niets worden.

Hij hield van pyknische types. Rond en vol. Zo was ik. Het uiterlijk van een vrouw speelt bij een kunstenaar een belangrijke rol. Kijk maar naar Picasso. Jan keek en begeerde als beeldhouwer. Hij hield van vlees aan vrouwenbotten. (16)

In de Brieven aan Olga lees je deze voorliefde voor vlees aan vrouwenbotten zeker terug. Buiten de intrigerende en bij tijd en wijle pikante tekeningen van Olga. Zo schrijft hij in zijn brief op 4 april 1957.

Straks als ik in bed lig, trek ik me af, terwijl ik droom, of dromen is het eigenlijk niet, ik zie het lijfelijk voor mij, dat ik op je zit, dat mijn kloten nog nat van je speeksel, zoals je schreef, tegen je billen springen bij iedere stoot. Dat ze helemaal in je verdwijnen, en dat we beiden schreeuwen van plezier. (99)

Het beeldende taalgebruik van Jan Wolkers, is de Wolkers zoals die later terugkomt in boeken als zijn debuut Kort Amerikaans en later Turks fruit. De stijl hem zo bekend maakt. Het is erg gaaf om dit in deze brieven terug te lezen.

Jan Wolkers: Brieven aan Olga. Bezorgd en ingeleid door Onno Blom. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010. ISBN: 978 90 234 5514 1. 152 pagina’s. Prijs: € 19,90. Bestel

03 november 2016

Brieven aan Olga

img_20161102_193605.jpgDe muze van Jan Wolkers roman is ze: Annemarie Nauta. In het brievenboek Brieven aan Olga schrijft Jan Wolkers de brieven aan de vrouw die hem gek maakt. Ze is een heuse obsessie voor hem. Als ze hem verlaat omdat het echt niet meer gaat tussen de 2, komt ze terecht in de roman die Jan Wolkers beroemd maakte. Niet alleen door de roman waarin met het onverbloemde taalgebruik dat hij hierin hanteert om geslachtsdelen gewoon bij de naam te noemen.

Het brievenboek bevat een uitvoerige inleiding over de relatie tussen Jan Wolkers en de Friezin. Ze schelen 12 jaar. Annemarie is 18 jaar als ze de kunstenaar ontmoet. Jan Wolkers is op slag verliefd. maar moet nog wat moeite doen om haar voor zich te winnen.

Als ze dan eindelijk over is, dan is ze overigens niet meer te stuiten. Kort daarna krijgt Wolkers een studiebeurs om in Parijs bij de wereldberoemde beeldhouwer Zadkine te komen studeren. Ze gaat niet met hem mee, maar woont bij haar ouders in Leeuwarden wat ook voor onhoudbare situaties zorgt. Haar ouders zijn niet zo happig op haar relatie met de armoedzaaier Jan Wolkers.

Uit de brieven spreekt een gepassioneerde liefde, afgewisseld met de prachtige tekeningen en schilderijen die Jan Wolkers van zijn muze Annemarie Nauta maakte. De brieven schrijft Jan Wolkers allemaal vanuit Parijs. Ze zijn stuk voor stuk getypt op de typemachine die Jan Wolkers koopt op de ochtend van vertrek naar de Franse hoofdstad. Het is een Olivetti Portable, model Lettera 22.

In de brievenbundel staan de getypte brieven afgedrukt, gevolgd door een weergave van de brieven in tekst. De tekst wordt tenslotte aangevuld met aantekeningen van biograaf Onno Blom. In deze aantekeningen citeert Onno Blom eveneens uit de brieven die Annemarie aan Jan schreef. Ze staan verder niet afgedrukt.

Jan Wolkers: Brieven aan Olga. Bezorgd en ingeleid door Onno Blom. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010. ISBN: 978 90 234 5514 1. 152 pagina’s. Prijs: € 19,90. Bestel

26 september 2016

Botanische tuin van de VU

Bij mijn zwerftochten door de botanische tuin van de Vrije Universiteit in de pauzes, passeerde ik regelmatig de Tulpenboom. Ik dacht aan de liefde van Jan Wolkers voor deze bijzondere boom en vroeg mij af of hij de boom die hier tegen de waterkant groeide, kende.

In zijn roman De doodshoofdvlinder loopt de hoofdpersoon Paul door de botanische tuin die achter het academische ziekenhuis van de VU, het VUmc, staat. Hij loopt er even doorheen met Carla Middelheim, de vrouw waarmee hij een paar dagen eerder op de sterfdag van zijn vader, een aanrijding had. Ze ligt in het ziekenhuis omdat haar hele gezicht openligt.

Ze steken het bruggetje over achter het ziekenhuis. Deze komt vlak bij de Tulpenboom uit. De verteller merkt het niet op:

Toen ze over het houten bruggetje de botanische tuin inliepen kwam de zon helemaal uit de mist te voorschijn. Een zilveren schijf die ineens warm en stralend werd. Het glas van de kassen en platte bakken glinsterde en schitterde. De hele natuur lichtte onwerkelijk op. (189)

De botanische tuin die Jan Wolkers hier beschrijft, zal niet zo verwilderd zijn als de botanische tuin die ik ken. De hoge planten langs de waterkant en de kassen die verstopt liggen achter de struiken en het hoge riet. Ik genoot ervan tijdens mijn wandelingen in de pauze.

In die tijd werd de tuin met sluiting bedreigd. De voorzitter van de Raad van Bestuur van de VU vond het complex dat geen onderwijskundig doel meer had, overbodig. Dat het terrein zichzelf kon bedruipen, deed daar geen afbreuk aan. Net als de bijzondere collecties van cactussen en bonsaibomen. Een veredeld tuincentrum noemde hij het.

Na zijn vertrek, mocht de Botanische tuin van de VU ineens blijven bestaan. Bij mijn laatste bezoek aan de tuin, dit voorjaar, hing er een groot bord dat de botanische tuin tot 2030 blijft bestaan. Daarnaast werd de tuin onderworpen aan een grote opknapbeurt.

De grote tropische kas was helemaal overhoop gehaald. Het bassin met de waterschildpadden was leeg en buiten kon ik niet meer bij de plek waar eens de Tulpenboom stond. Net als het stuk waarin de Ginkgo stond, vreesde ik dat het ten prooi gevallen was aan de grijpgrage bouwkranen en graafmachines.

Jan Wolkers: De doodshoofdvlinder. Roman. Amsterdam: Uitgeverij De bezige bij, [1979]. 3e druk, 1999. ISBN: 90 234 3923 6. Prijs: € 10. 244 pagina’s. Bestel

20 september 2016

Difterie en inenten

img_20160809_122303.jpgIn het werk van Jan Wolkers komen een paar elementen steevast terug. Zoals de streng gereformeerde opvoeding, de autoritaire vader, het grote gezin en de dood van zijn broer in de oorlog. Vooral het laatste vormt in bijna elke roman een bezwering. Het is een vermenging van rouw, verdriet en weemoed naar zijn in de hongerwinter overleden broer.

In De doodshoofdvlinder gebruikt de verteller het overlijden van zijn broer in de oorlog om zijn vader van katoen te geven. Hij verwijt vader dat zijn weigering zijn kinderen in te enten, heeft bijgedragen aan de dood van zijn broer. Paul denkt eraan als hij bij het kerkhof is en aan het boek over hengelsport denkt. Hij schonk dit boek aan zijn broer toen hij 20 jaar werd.

Er laaide ineens een vurige woede in hem op.
Als mijn vader niet tegen inenting was geweest omdat de hemelse vader zelfs geen mus zonder zijn wil laat vallen, was Hugo niet aan difterie gestorven, dacht hij. Godverdomme. Die klootzak had toch ook een bel op zijn fiets. (61)

Broer Hugo komt verderop in de roman voor als hij spreekt met zijn jongere broer Karel. De gelovige Karel vertelt dat hij de dood van hun broer destijds zag als straf. Karel noemde zijn broer ‘Hugo spugo’, waarna hij een trap op zijn achterwerk kreeg. Bij zijn dood, dacht Karel: ‘Dat komt er nou van’. Aan Paul vertelt hij dat hij er nog steeds zo over denkt.

Vader krijgt een plekje boven zijn zoon en zijn dochter. Pauls moeder spreekt wel over de dood van vaders broer Hendrik, maar niet over hun overleden zoon Hugo en haar jongste dochter die eveneens in de oorlog gestorven was. Hendrik was ongelovig en zag eruit als een duivel, herhaalt ze steeds.

Jan Wolkers: De doodshoofdvlinder. Roman. Amsterdam: Uitgeverij De bezige bij, [1979]. 3e druk, 1999. ISBN: 90 234 3923 6. Prijs: € 10. 244 pagina’s. Bestel

13 september 2016

De doodshoofdvlinder

img_20160911_193647.jpgDe titel van Jan Wolkers’ roman De doodshoofdvlinder verwijst naar de vlinder uit de familie van de Pijlstaarten. Deze vlinder komt uit Afrika en Azië en komt in vrijwel heel Europa voor als trekvlinder. De karakteristieke tekening op het borststuk lijkt op een menselijke schedel, waaraan de naam van de vlinder is ontleend.

In Europa kan het dier zich niet voortplanten. In de roman De doodshoofdvlinder van Jan Wolkers komt de Afrikaanse vlinder voor als hij thuiskomt net nadat zijn vader is overleden. Hij verwerkt de gebeurtenissen van de dag en denkt aan het dodenschip waarop zijn vader ligt:

Dat dreigende vaartuig in mensengedaante met zijzwaarden als grote vleugels leek precies op de doodshoofdvlinder die hij in een aardappelveld gevonden had. […]. Hij vroeg zich af hoe een vlinder zo met de mensendood op zijn rug kon rondvliegen. (71/72)

De doodshoofdvlinder staat in het natuuralbum Texel van Jac. P. Thijsse. De tekening is gemaakt door Jan Voerman jr. In het boek Tarzan van de schapen schrijft Wolkers’ biograaf Onno Blom over de relatie van Jan Wolkers met het waddeneiland Texel.

Blom refereert naar de doodshoofdvlinder die Wolkers kent van het Thijsse-album. Later ziet hij een opgezet exemplaar dat hij krijgt van mevrouw Boon. Dit is eveneens op Texel.

img_20160911_193656.jpg

Het verhaal krijgt mythische proporties als hij verhaalt over de doodshoofdvlinder die 3 jaar na Wolkers’ overlijden op diens geboortedag in zijn huis terecht komt. Het dier kan de uitgang niet meer vinden en sterft. Voor Onno Blom illustreert deze komst van het dier, dat Jan Wolkers zijn paradijs op Texel gevonden heeft.

Jan Wolkers: De doodshoofdvlinder. Roman. Amsterdam: Uitgeverij De bezige bij, [1979]. 3e druk, 1999. ISBN: 90 234 3923 6. Prijs: € 10. 244 pagina’s. Bestel

12 september 2016

De doodshoofdvlinder van Jan Wolkers

img_20160911_193551.jpgDe roman De doodshoofdvlinder van Jan Wolkers vertelt over het sterven en de begrafenis van de vader van de hoofdpersoon. Paul is docent Engels en heeft net herfstvakantie wanneer hij hoort dat zijn vader op sterven ligt. Als hij onderweg is naar het huis van zijn ouders krijgt hij een aanrijding.

Het houdt hem allemaal op. Als hij dan eindelijk ergens aanbelt om naar huis te kunnen bellen, hoort hij dat zijn vader al overleden is. In de auto met het kapotte zijraam rijdt hij naar het huis van zijn ouders, het sterfhuis. Zijn vader is al verzorgd en ligt opgebaard in de slaapkamer. Als Paul gaat kijken, komt zijn moeder ook bij hem staan.

Kille kippen

Dagelijks bezoekt Paul zijn ouderlijk huis. Elke hoofdstuk van de 5 hoofdstukken is een nieuwe dag in de periode tussen overlijden en de begrafenis. Allerlei aspecten die in het eerste hoofdstuk aan de orde zijn geweest, zijn in de rest van het verhaal verweven. Zoals de kippen die Paul aan het begin van de roman heeft gekocht om die middag met een stel leerlingen op het terras te gaan barbecuen.

Hij probeert op alle mogelijke wijzen van de kippen af te komen. Hij legt ze terug in de supermarkt, stopt ze in de tas van Liz na een vrijpartij, maar het lukt niet. Ze komen steeds terug:

Maar toen hij de koelkast opendeed lagen ze er allemaal weer in terwijl hij Liz vlak bij zijn oor schel hoorde zeggen, ‘Een tas is een kut. Dacht je soms dat ik niet weet wat er bij me naar binnen gaat.’ (163)

Net als dat hij dagelijks bij Carla langsgaat, de vrouw met wie hij een aanrijding had. Ze is geopereerd aan haar gezicht en Paul bezoekt haar elke dag, haalt spulletjes voor haar uit haar huis of maakt een wandeling door de hortus botanicus achter het ziekenhuis.

Al deze elementen kleuren het verhaal. Ze vullen de stilte waarover de verteller in alle talen zwijgt. Heel soms komt er iets meer naar voren. Als hij over het geloof spreekt of de verhoudingen in de familie. Zijn relaties met zijn broers en zussen. Net als zijn relatie met zijn moeder.

Mist

Het hangt allemaal als een mist om het verhaal heen. Net als de mist in het verhaal zelf. Het lijkt niet op te willen lossen, pas als vader begraven is, is de mist opgetrokken.

Jan Wolkers: De doodshoofdvlinder. Roman. Amsterdam: Uitgeverij De bezige bij, [1979]. 3e druk, 1999. ISBN: 90 234 3923 6. Prijs: € 10. 244 pagina’s. Bestel

17 juli 2016

Binge reading - #50books vraag 29

img_20160715_070436.jpgEen opmerkelijk tweetje las ik gisteren van Gerhard Hormann:

De term ‘bing reading’ refereert naar ‘bing watching’ waarbij een hele serie in 1 keer achter elkaar wordt bekeken. De kijkers krijgen er vierkante ogen van, maar volgens nu.nl zouden 4 van de 10 televisiekijkers doen aan ‘bing watching’ of ‘bing viewing’.

Hoe zit het met ‘binge reading’? Het wordt niet alleen in het boek van Jan Dijkgraaf genoemd, maar geldt als een fenomeen waar vooral jong volwassenen zich aan schijnen over te geven. Net als bij het kijken naar televisieseries schijnen ze in 1 keer een hele boekenserie in 1 ruk uit te lezen.

Ik heb het ook wel gehad bij een paar boekenseries. Zo las ik Voskuils boekenreeks van Het bureau in 1 zomer uit. In het eerste jaar van mijn studie was ik zo gek op de Tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden dat mijn studie eronder leed. Ik las het ene na het andere deel en begon bijna aan de zojuist verschenen 2 3e delen. Gelukkig pakte ik het net op tijd weer op.

Ik merk het ook bij het lezen van het oeuvre van 1 schrijver. Dan heb ik de onbedwingbare neiging om alles te gaan lezen. Ik heb alle romans van P.A. Daum in een paar weken achter elkaar gelezen. Zo las ik al een groot gedeelte van de boeken die Jan Wolkers schreef en werk ik ook de boeken van Paul Theroux af. Gelukkig doe ik het wel kalm aan. Het moet wel leuk blijven.

Dat brengt mij bij de 29e boekenvraag:
Heb jij ook weleens aan binge reading gedaan?

Hoe zit dat bij jou? Heb je weleens in een paar weken achter elkaar het hele oeuvre van een schrijver gelezen? Of waagde je in een heel korte tijd aan een hele serie?

Ik ben erg benieuwd naar jullie antwoorden.

Blog mee over #50boeken

Schrijf een blog over de vraag van vandaag en laat hieronder in de reactie een linkje naar je site staan. Heb je zelf een idee voor een vraag? Ze zijn van harte welkom. Mail gerust een vraag of stel hem in via het contactformulier.

#50books

De leesvraag #50books is een initiatief van Peter in 2013. Martha nam het in 2014 over en in 2015 ging Peter zelf weer verder. Vanaf de eerste vraag doe ik regelmatig mee. Naar overzicht van alle vragen.

11 januari 2015

Lepelaarplassen in de winter

image

Het zonnetje lokt naar buiten en ik weet ook wel dat er qua vogels in de winter minder te beleven valt bij de Lepelaarplassen dan in de zomer. Zo ontbreekt de lepelaar en moet je het vooral met ganzen en kuifeenden doen. Ik fiets weer de route waar ik in het voorjaar zo vaak geweest ben. De bomen zijn nu kaal. De koeien zijn weg en ik rijd er moederziel alleen.

image

De zon staat laag, maar hemel kleurt prachtig mee met de zon. Jan Wolkers noemde januari de mooiste maand van het jaar. Hij genoot van de kleuren die de hemel aan de aarde geeft in deze maand. Het licht schijnt namelijk heel laag en geeft daarmee alles een ander accent. Het volle licht is niet zo fel waardoor je heel goed en ver kunt kijken. De hemel kleurt bij dat alles in alle tinten tussen blauw, paars en geel in.

image

Ik rij het fietspad op. Hier wordt niet gestrooid bij gladheid. Dat hindert niet. Er fietst hier helemaal niemand. De wereld is van mij alleen. Ik zie tussen alle bomen de zon schijnen. Op het water geeft het een gouden gloed. Je kunt zonder veel problemen tegen het licht inkijken en zo de kleuren nog beter tot je nemen.

image

De zon trekt lange schaduwen zie ik als ik bij het Bliek-bankje aankom. Ik heb er pas over geschreven. Het is een heerlijk rustmoment als ik aan het fietsen ben. Ik zie de stad liggen aan de andere kant van het water.

image

Het hoge gebouw Carlton trekt een lange schaduw in het water van de Noorderplassen. Het lijkt wel of de spiegeling vele malen langer is dan het origineel.

image

Wat verderop klim ik omhoog om naar de vogels op het natte grasland te kijken. Het is echt nat. Grote plassen liggen op het grasland en spiegelen de mooie wolkenhemel. De verscheidenheid aan vogels heeft plaatsgemaakt voor ganzen die gakkend rondsjokken over het gras. In het water voor de kijkplaats dobberen kuifeenden. Alles met veel rust en gelatenheid.

image

De bouw van de nieuwe wijk gaat ook door, zie ik. Een gebouw is helemaal opgetrokken uit isolatiemateriaal. Het zal nog gepleisterd moeten worden voor het helemaal klaar is. Ook ontbreken de ramen nog. Alleen het isolatiemateriaal waaruit allerlei plastic pinnen steken vormen het gebouw. De hoekigheid van alle gebouwen valt mij vooral op. Het staat er allemaal erg stijfjes en futuristisch. Een beetje fantasieloos.

image

De andere kant achter de dijk is het rustig. De natuur wacht op beter tijden. De temperatuur is te laag en er is blijkbaar niet zoveel voedsel te vinden. De zon zakt verder naar beneden en verstopt zich achter de huizen. Een groep ganzen vliegt gakkend over op weg naar de plek om te overnachten. Het geluid van de vliegende ganzen is zo kenmerkend voor deze tijd van het jaar. Zelfs als het al helemaal donker is, hoor ik ze boven mij.

image

31 december 2013

2013 in blogs (3) - Boeken

image

Ik heb heel veel gelezen in 2013. Misschien wel het grootste aantal boeken in een jaar. Op mijn studiejaren na. Daarin las ik nog meer. Ik ontdekte nieuwe schrijvers, las een groot deel van het reisoeuvre van Paul Theroux en van Redmond O’Hanlon. Wat een genot om te lezen is deze man zeg. En ik las Hemingway, Dickens, Bomans, vooral in combinatie met Jan Wolkers levert dat leuke blogs op. Of mijn studievriendin Barbara die een boek schreef. Of een boek met een film vergelijken zoals bij Koolhaas.

#50books

Het mooie initiatief #50books van Peter dat ik vanaf dag 1 omarmde. Nog niet alle vragen zijn beantwoord, die komen nog. Soms leverde een vraag meerdere antwoorden op. En soms begreep ik de vraag niet en gaf een heel ander antwoord. Dat antwoord was wel weer het lezen waard. Volgend jaar zet Martha het project voort en ze schakelt mij in als ze er niet uitkomt.

Een perfecte dag voor literatuur

Ook haakte ik in bij het initiatief Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nl. Boeken die ik anders niet zo snel zou lezen, maar die soms leuke blogs opleverden.

Lees verder

Dit is de derde van tien blogs over 2013

24 november 2013

Liefdesverhalen - #50books

image

Liefdesverhalen zijn niet echt aan mij besteed. Een liefde die in een boek voorbijkomt, is prima. Maar een boek dat voortmijmert over de liefde, vind ik strontvervelend. Net als die zoetromantische verhalen waarbij ze elkaar dan aan het einde toch krijgen of toch weer niet.

Liefde hoort zeker bij het leven, maar ik zie het als een onderdeel in het leven. Als het hele verhaal erop drijft, dan blijft er een flinterdun laagje chroom over. Als het tussen de regels doorsijpelt en het binnen het hele verhaal een rol krijgt toebedeeld, wint het juist aan kracht.

Julia

Zo las ik bij mijn studie het mierzoete Julia van Rheinvis Feith waar Eduard in brieven voortdurend gekweld de naam van zijn geliefde uitroept. Met alle aandachtstreepjes ertussen. Het boek is een kwelling om te lezen en je verlangt dat Julia deze overdreven kerel onmiddellijk afwijst. ZOiets wil je niet thuis bij je op de bank hebben zitten.

Het werk is geïnspireerd op Het lijden van de jonge Werther van Goethe. Dit boek spreekt veel meer tot de verbeelding en bevat gelukkig niet die irritante uitroepen. En dat de hoofdpersoon Werther zich af en toe sentimenteel gedraagt, vergeef je hem uiteindelijk wel. Maar misschien komt dit doordat het verhaal gewoon beter is.

Een verhaal van een geheel andere orde is in mijn ogen het liefdesverhaal van Harry Mulisch Twee vrouwen. Ondanks alle ingewikkeldheid en de verwikkelingen die zo kenmerkend zijn voor Harry Mulisch, drijft een mooi liefdesverhaal naar de oppervlakte. Gelukkig ook omdat er nog allerlei andere dingen spelen die voldoende afleiding bieden.

Turks fruit

Dan blijft voor mij hèt liefdesverhaal van de Nederlandse letterkunde over: Jan Wolkers’ roman Turks Fruit. De film heeft misschien veel van de verbeelding expliciet gemaakt, maar de roman leest zeker vlot weg. Je wordt gegrepen door de liefdesgeschiedenis die onder het rauwe taalgebruik verborgen ligt.

Het is het verhaal van de onvoorwaardelijke liefde van de hoofdpersoon voor Olga. Maar tegelijkertijd zit er nog zoveel meer in de roman, zoals het hele idee van het kunstenaarschap en het zoeken naar wat kunst is. Kunst is dan uiteindelijk alleen maar een vorm om de liefde voor iemand te uiten.

Net zoiets als de poging waar ik nu zo hard aan werk. De poging om met het verhaal over teckel Sientje mijn liefde voor Inge te vertellen. Maar het is zo mooi als het ergens anders over gaat en de onderliggende toon het liefdesverhaal neuriet.

Dit is het antwoord op vraag 46 van het blogproject #50books van Petepel. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

17 november 2013

Onontsloten - #50books

image

Boeken die zich onmiddellijk prijsgeven bij het lezen zijn na de eerste lezing niet meer interessant. De kracht ligt juist in het boek dat eindeloos herlezen kan worden en steeds nieuwe inzichten geeft. Soms is het de stijl die treft. Een andere keer zie je weer iets nieuws in het verhaal.

Hetzelfde onbegrip leidt ook tot de geheimzinnigheid die je bijvoorbeeld heel sterk voelt bij het lezen van gedichten. Je snapt het niet helemaal, maar er zit iets onder dat je wilt vatten. Soms houdt het je zo goed vast dat het je nooit meer loslaat en je regelmatig kan herlezen.

Ik heb dat zeker ook met boeken. Een boek als On the Road van Jack Kerouac bijvoorbeeld. Toen ik het als twintiger voor het eerst las, vond ik het verschrikkelijk. Het veelvuldige gebruik van drank, drugs en het wanstaltige gedrag van de personages. Ze ergerden mij. Twee jaar terug las ik het boek weer. Het greep mij ineens bij de kladden. Ik las meer boeken van Jack Kerouac, maar voelde niet meer wat ik die keer onderging bij het lezen van On the Road.

Het staat weer op het verlanglijstje om binnenkort weer eens op te pakken. Het is een boek als een roes en ik snap veel delen van het boek niet, maar de geheimzinnigheid trekt. Net als veel boeken van Jan Wolkers die eindeloos de moeite waard blijven. De walgvogel bijvoorbeeld blijft elke keer weer trekken. Ik lees hem bijna elk jaar. Of De kus dat een mooi verhaal is die elke keer wat nieuws laat zien.

Overigens ben ik het niet met Oek de Jong eens wanneer hij zegt dat die ervaring alleen bij het lezen is. Ik voel dikwijls dezelfde innige verbondenheid met een muziekstuk of bij een film. Die kan ik ook eindeloos opnieuw beluisteren of bekijken en daar hoor of zie ik ook steeds iets nieuws in. Hetzelfde merk ik bij bepaalde schilderijen of beelden.

Kunst grijpt je steeds weer bij de kladden en krijgt je op een nieuwe manier in zijn greep. Dat geldt zeker voor schilderijen als de broers Jan en Hubert van Eyck met hun ‘Lam Gods’ of Lucas van Leyden met ‘Het Laatste oordeel’. De verenging die Oek de Jong maakt alsof dit het onderscheidende is van literatuur ten opzichte van de andere kunst, geldt zeker niet voor mij.

Dit is het eerste antwoord op vraag 45 van het blogproject #50books van Petepel. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

20 oktober 2013

Korte verhalen - #50books

image

De meesters van het korte verhaal zijn de echte vertellers. De meeste schrijvers zijn met verhalen begonnen. Veel debuutbundels bestaan uit verhalen. In Nederland zijn er zeker een paar meesters van het korte verhaal: F.B. Hotz, Henk Romijn Meijer en Bob den Uyl.

De wens om een roman te schrijven drijft de meeste schrijvers van het verhaal af. Het is Hotz eigenlijk nooit gelukt een roman te schrijven. De enige roman van zijn hand, De vertekening is uiteindelijk een slap aftreksel van het meesterwerk dat het ooit had moeten worden.

De wens om die grote roman te schrijven blijft sterk aanwezig bij schrijver en lezer. Hoeveel lezers verzuchten niet over een verhalenschrijver: had hij maar een mooie roman geschreven. Een verhaal lees je in een zucht uit. De noodzakelijke verdieping van personages blijft achterwege en het ontbreekt meerdere gesponnen verhaallijnen.

Juist die elementen zijn de kracht van het (korte) verhaal. De aandachtsspanne van de lezer blijft beperkt tot een halfuur tot hooguit twee uur. In die tijd kan hij het hele verhaal in één keer vatten. Ook is hij in staat een afgerond verhaal voor te lezen. Zo maakt hij snel kennis met een beperkt aantal karakters en leert ze heel snel kennen. Ik denk dan gelijk aan de zin waarmee ‘Happy days’ begint van F. Springer, waar ik vorige week over schreef.

De verhalen van Charles Dickens zoals ze in de Sketches by Boz voorkomen, trekken mijn aandacht. Vaak typeert de schrijver – genoodzaakt door de tijd – in een korte zin of hooguit een alinea een personage. Geen eindeloos gewauwel, maar een snelle en korte typering. Ik vind het heerlijk om te lezen hoe Dickens bijvoorbeeld in het verhaal ‘Het duel’ een ingeslapen stadje in een alinea helemaal weet te vatten:

Het kleine stadje Great Wingleburgy ligt precies op twee-en-veertig en een halve mijl afstand van Hyde Park Corner. De hoofdstraat is lang, onregelmatig bebouwd en rustig. Er is een klein roodstenen stadhuis, met een grote zwart-en-witte klok, een markt, een arrestantenlokaal, een vergaderzaal, een kerk, een brug, een kapel, een schouwburg, een bibliotheek, een herberg, een stadspomp en een postkantoor.

Zo vind ik een schrijver als Jan Wolkers ijzersterk in zijn korte verhalen. Vaak dienen ze als schets voor een roman, maar waar de roman niet in slaagt, slaagt het verhaal wel in. Het blijft hangen. Zoals het verhaal Serpentina’s petticoat’ dat in de gelijknamige debuutbundel van Jan Wolkers staat. Het is het verhaal over oom Louis.

– Het is een zwerver, het zwarte schaap van de familie, zei mijn vader. Hij heeft nooit willen deugen. Mijn ouders schaamden zich een beetje voor zijn aanwezigheid, en misschien, denk ik nu achteraf was de mosterd het enige wapen dat mijn moeder binnen haar bereik had om zijn logeerpartijen van niet al te lange duur te doen zijn. (37)

Het beeld van de tante die haar broer naakt in zijn doodskist ziet liggen, laat mij bij dit verhaal niet meer los. Het verhaal kenmerkt de thematiek en dramatiek in het werk van Jan Wolkers. De rauwe kant van het leven – Serpentina die het doodshemd van haar overleden oom steelt om er een mooie petticoat van te naaien – met de dood als rouwrandje er doorheen.

Of zoals ik al eerder schreef Hotz’ novelle De voetnoot, dat qua lengte goed in het formaat van een verhaal past. Ook hier geeft een opmerking van de vader een rake typering van de hoofdpersoon tante Ina van het verhaal weer:

’s Avonds aan tafel zei moeder tegen vader: ‘Ina was in Katwijk; ze zat in een invalidenwagen. Ik wist niet wat ik zeggen moest.’
‘Tja,’ antwoordde vader. Hij had geen zin in het onderwerp. Hij at. Pas bij het puddinkje zei hij: ‘Het is echt iets voor die vrouw. Dat haar zoiets overkomt, bedoel ik.’
Mijn zus keek hem met open mond aan. Ik begreep er ook niets van. Moeder kreeg een rode vlek in haar hals en keek op haar bord. (34)

Zinnen die in een verhaal blijven hangen. Misschien omdat de aandachtsspanne korter is. Misschien omdat het allemaal anders behapbaar is. Ik weet niet waar het antwoord ligt. Maar ik voel me erg aangetrokken tot het verhaal. En dan droom ik ervan net zo goed verhalen te kunnen schrijven als Hotz, Dickens of Poe. Want er gaat weinig boven een mooi verhaal.

Dit is het antwoord op vraag 41 van het blogproject #50books van Petepel. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

28 juli 2013

Lezen in de vakantie - #50books

image

Natuurlijk lees ik in de vakantie. Of ik meer lees dan anders, ligt aan de vakantie en aan de innerlijke rust. Vorig jaar was ik een dagje vrij op camping De ruimte bij Dronten. Daar genoot ik van het dagje zon en van De kus van Jan Wolkers.

De kus

De kus is een prachtig verhaal over een militair die gevochten heeft bij de politionele acties en naar Indonesië gaat met een groepsreis. Het boek viel al in een cyclus aan boeken die ik aan het lezen was. Ik las de hele dag door terwijl Doris op de camping speelde. Het boek was dezelfde dag uit.

In aanloop voor deze vakantie was ik al druk aan het lezen in de reisverhalen en treinverhalen van Paul Theroux. Na De oude Patagonië Expres volgende Het drijvende koninkrijk en China, per trein. Van deze boeken wil ik ook treffende blogs schrijven. Dat vermindert de schrijftijd voor andere stukken.

Ook omdat ik deze vakantie thuisbleef en andere dingen deed. En je kunt niet alles. Ook las ik andere boeken, zoals De man met de witte das van Godfried Bomans en delen uit Nescio’s Natuurdagboek.

Kinderjaren van Jezus

Dan wachten er twee boeken al langere tijd om gelezen te worden. Het eerste boek is Coetzees De kinderjaren van Jezus. Ik wil dit bespreken voor het Zuid-Afrikaanse Litnet. Het lezen van dit boek komt maar niet van de grond. Het lag al in mijn voornemen om het voor de reeks Theroux-boeken te gaan lezen. Ik kom niet in het verhaal, ook omdat het misging met de bezorging van het boek. Het werd nooit bezorgd door meneer PTT-post. Zodoende leen ik het boek nu van de bibliotheek.

De afvallige

Het tweede boek dat ik ook voor Litnet wil lezen, is Jan van Akens laatste historische roman De afvallige. Het laatste boek is een dikke pil die goed gelezen kan worden tijdens een vakantie. De afvallige ligt er als een begeerlijk snoepje.

image

Ik las Jan van Akens Valse Dageraad terwijl ik door Oost-Nederland fietste in 2001. Na die vakantie leerde ik een meisje uit Almelo kennen. Ik droeg het boek in Apeldoorn in mijn hand als herkenningsteken bij ons eerste afspraakje op 9 september 2001.

Misschien dat ik er daarom ook nog niet aan durf te beginnen. Het ziet er net zo veelbelovend uit als dat andere boek van Jan van Aken. Gelukkig is een boek oneindig houdbaar en dat kun je van het heerlijke chocolaatje dat ik maar niet durfde opeten, niet zeggen.

image

Dit is het antwoord op vraag 29 van het blogproject #50books van Petepel. Voor een overzicht van mijn antwoorden op Peters vragen: #50books.

07 juli 2013

Bijhouden wat ik gelezen heb - #50books

image
Welke boeken moet ik nog lezen?

Hoe hou je bij wat je gelezen hebt? Dat is vandaag de 26e vraag van Petepels blogproject #50books. Mijn antwoord: niet. Ik hou geen lijstjes bij met de vermelding welke boeken ik gelezen heb. Ook hou ik geen lijst bij met welke boeken ik nog zou moeten lezen.

Mijn boekenkast vertelt het meeste. Ik haal er zo de boeken uit die ik gelezen heb. Het zijn er waarschijnlijk niet zoveel of ik heb gewoon een feilloos geheugen. Het is mij nog niet overkomen dat ik een boek las dat ik eerder las, zonder het te weten.

Ik lees regelmatig boeken nog eens. Dat doe ik heel bewust. Omdat ze zo mooi zijn. Zo heb ik de Walgvogel van Jan Wolkers een keer of 3 gelezen. Of De oude Patagonië-expres van Paul Theroux. Net als Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch. Of Het huis van de Moskee van Kader Abdolah. De avonden van Gerard Reve moet ik zeker een keer of vijf hebben gelezen. Een andere ‘herlezer’ is het energieke boek On the road (Onderweg) van Jack Kerouac.

Stuk voor stuk boeken die erom vragen meerdere keren gelezen te worden. Helemaal geen straf nog eens een ‘oud’ boek uit de kast te halen. Het laat je zien dat ze de moeite van het lezen waard zijn. En dan lees je hem gewoon nog een keer. En als je een boek leest dat je al eerder las, zonder het te weten, dan is het de vorige keer niet zo blijven hangen.

En natuurlijk zijn er die boeken waar je al vaak aan begonnen bent, maar die je maar niet uit krijgt. Vaak valt het moment van afhaken op dezelfde plaats in het boek. Een hoofdstuk waarin je steeds vastloopt. Of een passage die je er maar niet doorkrijgt. Misschien moet je die boeken gewoon aan de kant leggen en nooit meer proberen te lezen.

Dan zijn er nog de boeken die ik heb, maar waarbij ik steeds vertwijfeld afvraag of ik ze heb. Het overkomt me steeds vaker dat ik met een boek van de kringloopwinkel thuiskom dat ik al heb. Die boeken vragen wel om een lijstje. Het kan niet zo zijn dat je steeds dezelfde boeken aanschaft. Maar het gaat dan om boeken die ik nog nooit gelezen heb. Van boeken die ik gelezen heb, weet ik feilloos welke ik heb. Soms koop ik zo’n boek. Maar bijna altijd heb ik het al.

14 mei 2013

Edgar Allan Poe - #50books

boeken van edgar allan poeIk hou niet zo van spannende verhalen. De spanning van een krimi kan ik nauwelijks verdragen. Vertel mij maar wie het gedaan heeft, dan kan ik rustig kijken. Een verhaal boordevol achtervolgingen en halve dwaasheden, kan ik eigenlijk slecht hebben. Uitzonderingen daargelaten.

Ondanks dat waagde ik mij vorig jaar aan de verhalen van Edgar Allan Poe. Dat is veel te spannend voor jou, kreeg ik als waarschuwing mee. Het eerste verhaal in de bundel was ‘The Gold-Bug’. Een prachtig verhaal dat best raadselachtig aandoet en een unheimisch gevoel oproept. Het was spannend, maar tegelijkertijd werd het verhaal niet leeggezogen door de spanning.

Ik hield van de personages en de ontraadseling van het raadsel. Dat de schat gevonden werd, was minder interessant. Ik heb geprobeerd de andere verhalen ook te lezen, maar die trokken mij aanzienlijk minder dan dit lievelingsverhaal van Jan Wolkers. Bijna betrap ik mijzelf er op dat ik het even vaak vertel als Jan Wolkers dit geheim onthulde.

#50books
Deze blog is mijn tweede reactie op vraag 16 van Petepels #50books. Elke zondag lanceert Peter Pellenaars een vraag over boeken op zijn blog.

19 maart 2013

Mijn eerste boekenweek - #50books

image
Mijn eerste boekenweek: het geschenk van Leon de Winter en het essay van Jan Wolkers

Ik kreeg literatuurles van Margo. Ik ben haar achternaam vergeten. Ik was verliefd op lezen en ook een beetje op haar. Haar bevlogenheid en meisjesachtige uitstraling. Ook al was ze de zestig gepasseerd.

De eerste kennismaking met de boekenweek was in 1995. Daarvoor is het begrip met het bijbehorende boekenbal altijd langs mij heengegaan. In 1995 – ik had mijn eerste roman geschreven in het jaar ervoor – en was van de MTS naar de eenjarige Havo gegaan. Versneld schoot ik in een jaar door 4 en 5 Havo. Margo loodste ons er doorheen.

Er was ophef over het geschenk van dat jaar, geschreven door Leon de Winter. Het droeg de naam Serenade. De lay-out van het boekje als een muziekboek uitgegeven door Edition Peeters. Als een groengele uitgave van Bachs orgelwerken. Het kaft was net iets te geel, maar de sierlijke letters kwamen aardig overeen.

Het boekje werd in die tijd gratis verstrekt op middelbare scholen. Volgens sommige christelijke scholen zou het verhaal van Leon de Winter teveel expliciete seksscenes bevatten. De docenten Nederlands ontdekten het pas toen de dozen opengingen en weigerden hun leerlingen bloot te stellen aan deze verderfelijke literatuur.

Omdat mijn school onder volwassenen educatie viel, kregen wij geen geschenk. Maar Margo wist een doosje te ritselen van een collega. Ik zie nog de grote stapel boekjes in de doos liggen. De spanning en het moment dat dat boekje op je bureau kwam te liggen.

Het was het tweede boekje. Ik was daags ervoor al naar de literaire boekhandel ‘Het paard van Troje’ gegaan. En kocht er een stapel boeken van Leon de Winter. Gekocht van mijn krantengeld. De verzamelde verhalen, Kaplan, Supertex en De ruimte van Sokolov. Ik kocht er het boekenweekessay Zwarte bevrijding van Jan Wolkers bij. ‘Wat bijzonder dat je allemaal boeken van Leon de Winter erbij koopt’, zei de verkoper nog toen hij het plastic tasje inpakte.

Daarna de recensies lezen. Het spectakel van de boekenweek drong nu pas tot mij door. Vanaf dat jaar heb ik nooit meer een boekenweek overgeslagen. Elke woensdag stond ik als eerste in de boekwinkel om het boekenweekgeschenk te bemachtigen. Later moest ik een exemplaar in huis hebben voor de bespreking van de boekenweek op het Zuid-Afrikaanse Litnet. Al had ik eens een presentie-exemplaar proberen te bemachtigen vooraf. Ik kreeg van het CPNB alleen te horen dat propraganda van het Nederlandse boek in het buitenland niet de core-business was de stichting.

Van het boekenweekgeschenk van Leon de Winter weet ik niks meer. Ik kan van de inhoud niks uit mijn hoofd lepelen. Wel van het boekenweekessay. Het was natuurlijk vijftig jaar na de bevrijding. De bevrijding moest wel als thema. Als de trompet de Last Post blaast aan het begin van de dodenherdenking, moet ik altijd aan het essay van Jan Wolkers denken.

‘En iedere keer had ik de neiging om met de tranen over de wangen te roepen, zoals Oliver Hardy in Saps at Sea, ‘Blow the horn, Stan! Blow the horn!’ (Zwarte Bevrijding, p. 22)

Vooral ook omdat het aan het einde weer terug komt:

‘Wat ik zelf ga doen aan de vooravond van die vijftig jaar bevrijding. Als ik in de buurt van Amsterdam mocht zijn, zal ik zeker tussen de mensen staan die in de bocht van de Amstel, bij de fusilladeplaats Rozenoord, de doden herdenken en luisteren naar de Last Post die daar zo zuiver wordt geblazen over het water van de rivier. En ik zal weer denken. ‘Blow the horn, Stan! Blow the horn!’ (p. 56)

Het was het eerste wat ik van Jan Wolkers las. Zo drong de literatuur meer en meer in mij. Ik las het nog met rode oortjes. De oortjes zijn nu misschien nog rood van schaamte. De laatste jaren lukt het mij steeds minder goed om het geschenk door te komen. Het lijkt niet meer de aandacht en liefde van weleer te hebben. Of dat nu bij de schrijvers ligt of bij mij als lezer, kan ik moeilijk achterhalen. De kraai viel mij heel erg tegen. Het geschenk van Tom Lanoye kan ik nauwelijks navertellen, iets met een Russische straaljager die neerstort.

27 oktober 2009

De walgvogel

De lezing die ik Mansfeld zal opvoeren, bevat een passage uit Wolkers' De walgvogel. Mijn Junghuhn-vriendin Renate Sternagel buigt zich nu over de tekst om er een begrijpelijk verhaal van te maken voor het Duitse gehoor. Bovendien is zij als Duitse veel beter op de hoogte van de wetmatigheden die lezingen in het Duits vragen. De eerste vraag die ik terugkreeg, ging over De walgvogel van Wolkers. 'Walg' is toch 'Ekel' schreef ze. Ik was even vergeten dat Duitsers Jan Wolkers minder goed kennen dan een Nederlands gehoor.

De walgvogel bij Jan Wolkers heeft niet zo direct van doen met de Dodo, die bekend staat als de Walgvogel. De dodo staat meer symbool voor de houding van de Nederlanders ten opzichte van de kolonie. De hoofdpersoon vertelt over de dodo's als zijn vriendje, de Indische Harry Sarno, een boek van hem leent:


Toen hij De Scheepsjongens van Bontekoe van me gelezen had en we het erover hadden hoe schandelijk het was dat die Hollandse zeelui al die dodo's of walgvogels met stokken hadden doodgeslagen om op te vreten, tot ze allemaal uitgeroeid en helemaal uitgestorven waren, zei hij dat zijn vader het helemaal niet goed had gevonden dat hij zo'n boek las want dat je op iedere bladzij kon lezen dat die Hollanders nergens eerbied voor hadden. (29)

Bij het naspeuren naar een Duitse vertaling van De walgvogel zag ik dat het boek helaas niet in het Duits is vertaald. Net zo min in het Engels of Oekraïns. Turks fruit is daarentegen veel populairder en klinkt ook even herkenbaar in de vertalingen: Turkisk konfekt (Zweden), Türkische Früchte, Turkish delight, Les délices de Turquie en Turska slast (Joegoslavië). Zelfs in het Fries kunnen de oortjes rood worden bij het lezen van Turks swiet. De walgvogel heeft enkel een Zweedse vertaling met als titel Dronten.

Ik zou er bijna voor gaan pleiten dat het werk van Wolkers meer bevat dan alleen Turks fruit. Wat mij betreft is De walgvogel een toppertje. Het eerste hoofdstuk getiteld 'Koloniale waren' behoort tot de mooiste hoofdstukken van de Nederlandse literatuur.

Overigens weten ook veel Nederlanders de herkomst van de titel van Wolkers roman niet. Zo vond ik het volgende in het boekverslag van ene 'Flesjewater' op scholieren.com:


Titelverklaring: Ik kon dit nergens op internet vinden. Ik denk dat misschien de ik-persoon van zichzelf walgt, dat hij iemand heeft vermoord. Al lijkt me dat wel erg voor de handliggend.

Links
Kijk voor de vertaallijstjes op: antiqbook.info en op nlpvf.nl

30 augustus 2009

Artisjokken en oom Hendrik die te vroeg sterft

Bij het opbergen van De walgvogel, gisteravond stuitte ik op Jan Wolkers Dagboek 1974. Dat jaar wordt grotendeels beheerst door het schrijven van de roman die ik net uit had. Ik bladerde er wat doorheen en ontdekte weer even dat het boek even een blik werpt in de keuken van de schrijver.

Zo doet Wolkers gedegen onderzoek, hij bezoekt de kazernes in Nijmegen, bekijkt nog eens goed de dia's die hij bij zijn bezoek aan Indonesië in 1970 heeft gemaakt van de Tangkuban Prahu (door Wolkers gespeld als Tangkaban Parahu) of laat de directeur van het filmmuseum zoeken naar de film Bathing Beauty. Hij moet de film zien, beseft Wolkers op 29 juli als hij begonnen is aan het hoofdstuk dat de titel van de film draagt:


Als ik aan de situatie dat de hoofdpersoon Lien in de bioscoop ontmoet merk ik, wat ik van tevoren al heb bedacht, dat ik toch echt die film met Esther Williams moet zien voor ik dat stuk goed kan schrijven. (133)

De film ligt niet in het museum, maar is bij Maarten van Rooyen thuis, die net een filmpje over Bathing Beauty aan het maken is. Als Wolkers die avond de film bij Van Rooyen kan zien, is hij verder geholpen en schrijft de volgende dag verder aan het hoofdstuk.

Wolkers onderzoekt de dingen die hij in de roman beweert. Zo wil hij weten of er speciale Indische gouden tientjes zijn geweest die 22 karaats waren. Een typische vraag waar nu google voor geraadpleegd zou worden. Wolkers schroomt niet om bij de gouden tientjes specialist Drijfhout in Amsterdam te informeren.

Wolkers schrijft snel, dagelijks verlaten meerdere pagina's Walgvogel zijn atelier, vaak is het een heel hoofdstuk dat hij in een dag schrijft. De volgende dag werkt hij dan het geschrevene uit op de typemachine.

Dan is er nog het gedoe rond het manuscript als hij delen laat lezen aan de Vlaamse uitgeefster Angèle Manteau (1911-2008). Pagina 81 is verdwenen en Wolkers ruikt 'die speciale geur van een fotokopieerapparaat te ruiken'. Hij is woest en belt haar op. Ze belt later terug dat heel toevallig de pagina onder een krant lag, toen ze even op haar kamer terugkwam voordat ze naar het station ging. Natuurlijk gelooft Wolkers het verhaal niet.

Ik zou het iedere lezer van De walgvogel willen aanraden om naast deze indrukwekkende roman ook even het Dagboek 1974 te lezen. Zo ontdek je dat Wolkers worstelt met de tijd in de roman. Hij herschrijft bijvoorbeeld diverse hoofdstukken met oom Hendrik erin. Zijn sterven liep in de tijd veel te veel vooruit. Het kost Wolkers moeite, zo schrijft hij op 8 augustus, maar het resultaat mag er wezen. Dat terwijl in zijn tuin de eerste artisjok bloeit.